Een voorstelling als C(h)oeurs laat je verbijsterd achter. Dat is waarschijnlijk precies wat Alain Platel wil bereiken. Je kan niet zeggen dat je ervan genoten hebt, je kan evenmin zeggen dat het “mooi” was. Ze laat je niet onverschillig al mist ze inhoudelijke diepgang.

Een voorstelling als C(h)oeurs laat je verbijsterd achter. Dat is waarschijnlijk precies wat Alain Platel wil bereiken. Je kan niet zeggen dat je ervan genoten hebt, je kan evenmin zeggen dat het “mooi” was. Ze laat je niet onverschillig al mist ze inhoudelijke diepgang.

 

Het meest verbluffende en knappe aan de voorstelling is ongetwijfeld de lichamelijke behendigheid en souplesse van de “dansers”. Hun spierkracht en beweeglijkheid dwingt respect af. De concentratie waarmee ze hun lichaamstaal twee uur lang inzetten op de muziek – terwijl de bewegingen toch schijnbaar spontaan blijven – moet uitputtend zijn. Het getuigt van een engagement dat enkel opgebracht kan worden door artiesten die ook honderd procent in het “project” (zo wordt de voorstelling van C(h)oeurs genoemd) geloven en achter de artistieke ideeën van Platel staan. Voor de toeschouwer komen die ideeën af en toe gezocht en onoprecht over.

 

Er is geen decor, de scène is afgeboord met lelijke Colruyt-plastiek-flappen (die trouwens voor een onaangename plastiekgeur in de zaal zorgen) en er zijn achteraan enkele trappen. Op die lege scène begint de voorstelling met één figuur waarvan we onder een loshangende witte jurk de gespierde kuiten zien. In de hangende mouwen, geen armen, op de halsuitsnijding geen hoofd, een figuur die meteen een vraagteken plaatst. En misschien het onvolmaakte antwoord is op de vraag naar identiteit die de voorstelling via de (lelijk klinkende – bewust?) megafoon opent.

 

Tijdens het eerste muziekfragment (Dies Irae uit Verdi’s Requiem) verschijnen geleidelijk meer figuren op de scène vaak in bizarre apocalyptische houdingen, verwrongen, naakt, halfnaakt of worstelend met (stukken) kledij. Platel wil het hedendaagse publiek confronteren met de verzetsideeën die componisten als Wagner en Verdi in hun opera’s verwerkten. Opstandigheid tegen onderdrukking die trouwens nog altijd actueel is en die dat zeker was bij de voorstellingen in Madrid ten tijde van de indignado-manifestaties. Onmogelijkheid tot verzet of beknotten van mondigheid beeldt hij visueel uit door de dansers met een vod in de mond gepropt te laten optreden. Sommige passages schieten hun doel voorbij omdat ze blijven hangen in het triviale (het stuntelige aantrekken van de slips) of omdat ze irriteren wegens te lang duren (de spastische bewegingen in een van de eerste “tutti”-scènes, al zijn die dan fysiek uiterst geslaagd). Enkele fragmenten waarbij het koor (met rood hart op de kledij) mee op de scène pure woede en chaotische agressie uitdrukt, maken wel indruk. Ook sommige passages van dansers solo of in duo raken emotioneel (Dies Irae reprise). Storend en onwaarachtig vond ik de centrale scène met de danseres die een aantal “wijsheden” debiteert over leven en identiteit, die – hoe juist ze ook zijn – onvoldoende in de voorstelling geïntegreerd zijn en daardoor als pseudo-filosofisch gebazel overkomen. Ook hier weer met storende megafoon-klank en dito echo.

 

Het is onterecht om deze voorstelling te beoordelen als een “muziek-voorstelling”. De muziek biedt de inhoudelijke inspiratie, maar is niet het essentiële doel. Muzikaal scheert de voorstelling dan zeker ook geen hoge toppen. Het koor zingt met kracht en overtuiging, maar grijpt niet aan door het zingen, wel door de scenische aanwezigheid en de interactie met de dansers. Het orkest speelt goed, maar bereikt geen intensiteit in de voorstelling want ze missen samenhang door het fragmentaire en bovendien wordt de klank van de muziek gestoord door de extra geluiden.

 

Dit Platel-project met koormuziek komt gezocht en artificieel over. Het bereikt niet de maatschappijkritische impact die een goede enscenering van een Wagner- of Verdi-opera kan teweegbrengen. Daarin zou het koor de inhoudelijke context en de relatie tussen groep en individu zeker zo sterk kunnen reveleren als in deze fragmentaire en muzikaal weinig beklijvende uitvoering. De keuze van de muziek beperkt zich tot de populaire koorscènes uit een aantal Wagneropera’s en tot het Requiem, Nabucco, Macbeth en La Traviata van Verdi. Een verband tussen de nietigheid van het individu tegenover de dood in het Requiem en de opstandigheid van het individu tegen de maatschappelijke beknotting legt de voorstelling niet. Zo blijft ze steken in een lovenswaardige en ongetwijfeld werk-intensieve poging tot hommage aan Verdi en Wagner in hun 200ste verjaardagsjaar.