Pijn en troost in elf eeuwen

Festival 20.21 in Leuven pakte gisteren uit met Bij het kruis, een grotendeels vocaal programma gewijd aan de pijn in het leven van Maria. Het Praags vocaal ensemble Capella Mariana, gespecialiseerd in polyfonie en vroege barok, vormde een gelegenheidsduo met het Belgische Goeyvaerts String Trio dat zich toelegt op het 20e en 21e-eeuwse repertoire. Een combinatie die niet erg voor de hand lag maar misschien juist daarom wonderwel bleek te werken.

De Leuvense Sint-Geertruikerk was even het centrum van dialoog tussen oude en nieuwe muziek, een reis van de 10e tot in de 21e eeuw. De geboorte van Maria werd bezongen in het anonieme Alle celeste nec non uit de 10e eeuw. Dit is een zogenoemde sequentia, een van oorsprong gregoriaans gezang. Het is geïnspireerd op het Alleluia, waaraan de componist poëzie en een stijgende melodielijn heeft toegevoegd. Gedurende hun concert schreden de vier mannenstemmen van Capella Mariana om het publiek en voegden zich bij de vrouwenstem. Die cirkelvormige benadering liet alle nuances tot leven komen en werkte akoestisch perfect. Bovendien werd nog eens de rituele betekenis van het alfa et omega, dat volgens de Bijbel de almacht van God uitdrukt, onderstreept. 

© Helena Gaudeus

Feest van het Licht

In Alleluia Pascha nostrum van Perotinus (ca.1150 – 1225) is het gregoriaans eveneens het uitgangspunt maar nu worden er minstens twee verschillende zanglijnen aan toegevoegd. In deze specifieke polyfonie van het Notre-Damerepertoire (1170 – 1250) wordt ook voor het eerst gebruik gemaakt van een ritmisch notatiesysteem. Dit Paasgezang is een klassiek voorbeeld van deze vorm. De musici deden er alles aan om de drie stemmen in de polyfone delen van dit stuk te laten dansen en soms haast swingen. Boven een stabiele en loepzuivere basso continuo was dit een feest van het Licht.

Ma fin est mon commencement is een grensverleggende compositie van de Fransman Guillaume de Machaut (ca. 1300 – 1377). Hij heeft serieus werk gemaakt van verdere ontwikkeling van ritmische notaties. Maar vooral heeft hij de kar getrokken van het gebruik van “formes fixes” zoals de ballade, de virelai en in dit geval het rondeau. Het lied van dit concert bestaat uit twee helften die het spiegelbeeld van elkaar zijn. De titel verwijst naar het alfa et omega. Ook hier maakte het vocale ensemble creatief gebruik van de mogelijkheden van een kerkgebouw met aan de ene kant van het publiek een trio mannenstemmen dat een dialoog aanging met een gemengd duo aan de andere kant. De syllabisch circulerende motieven kwamen goed door, temeer daar het Goeyvaerts String Trio zich terughoudend opstelde.

© Helena Gaudeus

Uiteraard kon in dit programma de Franco-Vlaamse componist Johannes Ockeghem (ca. 1410 – 1497) niet ontbreken. Mort, tu as navré de ton dart is een vierstemmige ballade ter ere van de dood van zijn collega Gilles Binchois in 1460. Het (klaag)lied is uniek wegens zijn gemengde opzet. De hoofdtekst wordt gezongen door de sopraan maar de drie resterende stemmen zingen andere teksten, veelal afkomstig uit de requiemliturgie. In de interpretatie van de musici was dit keer gekozen voor een opstelling van de zangers tussen de strijkinstrumenten, met toevoeging van een organetto (Catalina Vicens). De hoofdrol was weggelegd voor contratenor Filip Dámec die ons door middel van zijn rimpelloze en vloeiende uitvoering een blik op de hemel gunde.

Klaagliederen

De produktie van klaagliederen kwam pas goed op gang bij de overgang van de 15e naar de 16e eeuw. Een goed voorbeeld is Proch dolor, toegeschreven aan Josquin Desprez (ca. 1450 – 1521). Het lied, voor maar liefst zeven stemmen, is waarschijnlijk gezongen ter nagedachtenis van keizer Maximiliaan I van Oostenrijk. Vier stemmen zingen een tekst ter ere van de overleden keizer en de resterende drie een canon op de tekst Pie Jesu domine, afkomstig uit de traditionele requiemmis. Wat betreft de bezetting gingen de musici enige creativiteit niet uit de weg – in dit stuk zong cellist Pieter Stas de baritonpartij mee. Sopraan Elionor Martinez zong een overtuigende partij, mede omdat haar stem liefdevol werd ingebed in de rest van het ensemble.

De Estse componist Arvo Pärt (°1935) heeft zijn populariteit spectaculair kunnen opschroeven door rigoureus te kiezen voor eenvoud en uitgepuurde esthetiek. Het gebruik van bijvoorbeeld slechts de drie tonen van een welbepaalde drieklank, gevoegd bij vermijding van modulaties, leidt tot het ontbreken van climax. En toch is zijn muziek niet statisch. In zijn vierstemmig koorwerk De pacem Domine blijven de gregoriaanse wortels binnen handbereik. De alten en bassen dragen zorg voor soepele tweeklanken en de tenoren en sopranen meanderen daar omheen, waardoor zo nu en dan een dissonant de kop opsteekt. De aanpak van Capella Mariana was meer a tempo dan gebruikelijk in dit soort koorwerken, waardoor een verfrissende transparantie door de rangen zweefde. In plaats van een donker en doodernstig religieus bewustzijn, ontvouwde zich hier een geurig bloemende Alpenweide. Het bleek daar goed toeven.

De Tjechische componist Martin  Smolka (°1959) componeerde Maria je in opdracht van Capella Mariana in 2020. Het is een persoonlijk gebed ter ere van Maria. De vorm is een litanie voor vijfstemmig koor en, speciaal voor deze uitvoering,  een strijktrio. Het handelsmerk van Smolka is het gebruik van oneindig kleine toonsafstanden. Hij doet dit zonder gebruik van electronica, maar gaat geheel af op zijn gehoor. Smolka laat zich daarbij inspireren door geluiden in de natuur. De vederzacht aangezette fragmenten kregen in deze kerk een extra portie emotionele lading, in de vorm van een zichzelf versterkende verstilling. De korte stoten van de mannenstemmen, die de vlakke gladde lijnen van de sopraan flankeerden, werkten als verkoelende briesjes. De zachte begeleiding van de organetta onderstreepte de kracht die uitgaat van terughoudendheid.

De keuze voor het slot van Bij het kruis was voordehand liggend: een Stabat Mater, en wel die van Arvo Pärt. Dit werk is gebaseerd op de confrontatie van pijn met troost die Maria ervaart bij de kruisdood van Christus. De versie van Pärt, voor drie vocale stemmen en drie strijkers, is ook een evenwichtoefening tussen lange en korte notenwaarden, geheel in lijn met de tekst. De pijn van Maria werd vocaal vertaald door de sopraan, contratenor en tenor. De strijkers namen met energieke, soms zelfs up-beat passages het troostende deel voor hun rekening. Ook hier bleek dat koestering van individuele tonen emotioneel veel zeggingskracht heeft in verhouding tot de tuttipassages. Dat bleek het sterkst bij de slotpassage waarin de wegstervende strijkers lieten horen dat extreem zacht gespeelde noten het langst blijven hangen.

WAT: Bij het kruis – Festival 20.21

WIE: Capella Mariana en Goeyvaerts String Trio

GEHOORD: 29 september 2022 (Sint-Geertruikerk, Leuven)

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: