Ontdek Beethoven, begin bij zijn tijdgenoten

Dat is zo ongeveer het uitgangspunt bij deze in meerdere opzichten verrassende cd-box van het Zwitserse casalQuartett. Want hoe baanbrekend, eigenzinnig of origineel ook de compositorische paden die hij in zijn leven bewandelde, zonder naaste omgeving, voorgangers, mede-wegbereiders en adepten had zelfs Beethoven een ander soort revolutie in de muziek ontketend.

26 januari 1851. In zoverre iets ooit af is, legt Carl Czerny (1791-1857) de laatste hand aan een strijkkwartet in As. Het was slechts één van de vele, vele honderden stukken die hij naliet. De veelschrijver staat vandaag nochtans minder als componist dan wel als pedagoog te boek: een veelgevraagd pianodocent die zelf als tiener enkele jaren door Beethoven de les werd gespeld en ene Franz Liszt de kneepjes van het vak leerde. “[…] he preferred to dedicate his art to the advancement of others rather than to place himself at the center of attention”, schrijft Markus Fleck in de lijvige toelichting die hoort bij Beethovens Welt 1799-1851. Reden genoeg, zo moet de altviolist van het casalQuartett gedacht hebben, om een extra schijfje aan hun vijfdelige cd-box toe te voegen dat enkel en alleen aan de onbaatzuchtige Czerny is gewijd. Voor die hommage klopte het viertal zowaar in Washington aan. De autograaf van één van de meer dan dertig strijkkwartetten die de man ongepubliceerd achterliet, werd er uit de collecties van de Library of Congress opgediept. Dit Quartetto nummer 28, in de toonsoort As dus, is één van in totaal drie Weltersteinspielungen die dankzij dit project te beluisteren valt.

In het voorbije, vermaledijde annus covidius stelde de jarige Beethoven al zijn concullega’s in de schaduw – of dat was toch het initiële opzet. De benadering van het casalQuartett is in die zin even welgekomen als interessant: het feestvarken Ludwig als prisma om op een doordachte manier een breder spectrum aan componisten voor het voetlicht te brengen. Beethoven eist in deze reeks opnames nog steeds de hoofdrol op, maar wordt daarbij geflankeerd door vergeten tijdgenoten als Adalbert Gyrowetz (1763-1850) en Peter Hänsel. De muziekgeschiedenis toont zich een meedogenloze veelvraat, want ook deze twee heren leverden elk op hun beurt met enkele tientallen strijkkwartetten een uitgebreide bijdrage aan het genre. En toch verschijnen de hier gekozen werken pas voor de allereerste keer op cd. Tijdens zijn leven daarentegen vonden Gyrowetz’ pennenvruchten wel gretig aftrek. In Wenen, waar de Bohemer – geboren als Vojtěch Matyáš Jírovec – het tot vice-kapelmeester van het ‘keizerlijke en koninklijke’ Kärntnertortheater schopte. Maar ook elders in Europa, zonder het goed en wel te beseffen. “For example, Gyrowetz had to experience that after arriving in Paris in 1789 […] he met a publisher who made excellent business with his music, but who neither knew him personally nor had ever corresponded with him.” Het is slechts één van de vele frappante belevenissen waar deze globetrotter avant la lettre in zijn autobiografie op terugblikt, en waar in het cd-boek aan gerefereerd wordt.

Succes heeft vele vaders

Maar in het geval van zowel Gyrowetz als Beethoven, en bij uitbreiding zowat iedereen die samen met hen aan het strijkkwartetten sloeg, steekt er eigenlijk één componist bovenuit wiens invloed niet overschat kan worden. Zijn naam was een fameus keurmerk waar uitgevers en edellieden uitvoerig beroep op deden. En dat had zo zijn consequenties. Want hoe dichter men Joseph Haydns stijl benaderde, hoe groter de kans op commerciële recuperatie, iets wat ook Gyrowetz – alweer hij! – mocht ondervinden. Fortuinlijker was daarentegen de gelijktijdige bestelling die de muziekminnende mecenas en (toen nog) schatrijke prins Franz Lobkowitz (1772-1816) eind 18de eeuw bij zowel Haydn als Beethoven zou plaatsen. Het resultaat van die dubbele opdracht – “eine Art Künstlerwettstreit zwischen dem weltbekannten Wiener Klassiker und dem jungen, ehrgeizigen Aufsteiger aus dem Rheinland”, dixit Fleck – kleurt de eerste cd van Beethovens Welt. Der Revolutionär & seine Rivalen. Daarmee zoomt het casalQuartett in op het jaar 1799. Gyrowetz’ meer dan luisterwaardige strijkkwartet in D (opus 47 nr. 3) wordt gevolgd door de eerstelingen uit respectievelijk opus 77 en 18. Wie zich alleen door cijfertjes laat leiden, ziet Beethoven glansrijk uit deze veronderstelde tweestrijd komen. Einduitslag: 2-6. Maar Haydns ‘magere oogst’ was in meer dan één opzicht relatief. Niet alleen eiste met Die Jahreszeiten een ander, groots-geestelijk werk zijn aandacht op. De geldingsdrang van de late zestiger was na de zes stuks van het opus 20, 33, 50, 64 en 76 – om maar een handvol bundels te noemen – ook niet meer zo groot. Beethoven wou zich daarentegen wat graag in een voor hem nieuw en tegelijk gerespecteerd medium bewijzen. Hij troostte zich geen enkele moeite om de fakkel van zijn oud-leermeester over te nemen, daarbij dankbaar gebruikmakend van de faciliteiten die Lobkowitz hem ter beschikking stelde.

26 augustus 1801. “Unter den neuen hier erscheinenden Werken zeichnen sich vortreffliche Arbeiten von Beethoven aus”, zo loofde de Allgemeine musikalische Zeitung diens eerste strijkkwartetten. Tegelijk loste het weekblad een schot voor de boeg door uitdrukkelijk op de hoge moeilijkheidsgraad van deze muziek te wijzen. “Drei Quartette geben einen vollgültigen Beweis für seine Kunst: doch müssen sie öfters und sehr gut gespielt werden, da sie sehr schwer auszuführen und keineswegs populair sind.” Vandaag staan de eisen die Beethoven zo ongezien nauwlettend stelde een rake en tevens genuanceerde uitvoering niet langer in de weg. Aldus heeft het integere casalQuartett in het kwartet in F (opus 18 nr. 1) oog en oor voor zowel het pointillisme waarmee de componist het openingsdeel van dit werk verlevendigt (Allegro con brio), als voor de dynamische spankracht die vervolgens door het clair-obscur van het subtiel gefraseerde en zorgvuldig uitgebalanceerde Adagio affettuoso ed appassionato wordt opgeroepen. Naast de inleving maakt ook een grote betrokkenheid op elkaar in de daaropvolgende twee delen het wezenlijke verschil. Met een bijwijlen gezwinde articulatie brengen de musici in het speelse scherzo allerhande korte én minder korte motiefjes aan het oppervlak (Allegro molto). Eens zorgvuldig getimed en dan weer scherp en snedig klinkt ten slotte de manier waarop het viertal elkaar in het afsluitende Allegro zonder pardon in de rede valt. De onstuimige, soms zelfs ronduit ruwe dialectiek die Beethoven in deze finale voorschrijft, blijft in het strijkkwartet van Gyrowetz achterwege. Maar dat maakt zijn muziek niet minder aansprekend of boeiend. Samen met hem illustreert het casalQuartett hoe inbedding persoonlijke ontplooiing niet in de weg hoeft te staan. Daarvoor bieden de levenslustige hoekdelen genoeg staaltjes van vindingrijkheid (Allegro). Evenveel kunde, overleg én positieve energie laat het Zwitserse ensemble in Haydns kwartet in G optekenen (opus 77 nr. 1), getuige het uitbundige menuet en de pittig gestreken laatste beweging (Presto). Ja, ook op leeftijd kon Haydn nog steeds dartel uit de hoek komen. En terloops meer dan één gevoelige snaar raken. Luister maar eens naar de briljante harmonieën uit het Adagio. Het meest pakkende moment uit dit trage deel hoort u alvast, toeval of niet, vanaf 1:06 in volgend promofilmpje.

Beter ooit dan laat

Moet Peter Hänsel (1770-1831) maar denken, nu er van hem ten langen leste een strijkkwartet op cd is uitgebracht: een mooi verjaardagscadeau voor deze generatiegenoot van Beethoven, die goed twee weken voor Ludwig in Silezië werd geboren. Hij maakt zijn verrassende entree op de tweede cd, waarmee er in het jaar 1806 halt wordt gehouden. Hänsel was niet alleen een voortreffelijk violist. Als componist in de leer bij – alweer! – Haydn ontwikkelde hij ook een duidelijke voorliefde voor het intieme werk, en de kunst van het strijkkwartet in het bijzonder, die hij in Parijs bij Ignaz Pleyel verder zou cultiveren. “The direct contact with the musical culture of France”, merkt Markus Fleck op, “had a decisive effect on the final development of Hänsels creative aesthetics.” Maar evenzeer verwerkte “der grosse Unbekannte” andere stijlelementen in zijn muziek. Op die manier duikt in het kwartet in C (opus 20 nr. 3) een vermakelijke polonaise op, daar waar men het gebruikelijke menuet zou verwachten – een eerbetoon aan Elżbieta Lubomirska (1736-1816), de Poolse prinses die zich in Wenen had gesetteld en bij wie hij als concertmeester in vaste dienst was? Het victorieuze Allegro con brio waarmee Hänsel dit werk opent, laat met zijn virtuoos vuurwerk en talrijke loopjes nog niet echt een memorabele indruk na. Anders wordt het in de schitterende langzame beweging. Het Adagio ma non troppo, met haar meticuleuze monologen, fijnzinnige dialoogjes én – bovenal – een prachtig gearticuleerde, barokke harmonische vertraging in de cello, sorteert immers wél een beklijvend emotioneel effect. Van zo veel onverwachte openhartigheid raakt een mens natuurlijk opgetogen. Net als van het gevatte samenspel in de vreugdevolle finale (Allegro molto). Hoewel allerminst radicaal, verdient de gerehabiliteerde Hänsel beslist een plek in Beethovens Welt.

27 februari 1807. “Auch ziehen drey neue, sehr lange und schwierige Beethovensche Violinquartetten, die Aufmerksamkeit aller Kenner an sich.” En de Allgemeine musikalische Zeitung voegde er nog de volgende bedenkingen aan toe: “Sie sind tief gedacht und trefflich gearbeitet, aber nicht allgemein fasslich – das 3te aus C dur, etwa ausgenommen, welches durch Eigenthümlichkeit, Melodie und harmonische Kraft jeden gebildeten Musikfreund gewinnen muß.” Vandaag worden alle drie de werken uit Beethovens opus 59 in één adem bewonderd, hoe moeilijk deze in hun tijd ook te bevatten waren. “Zijn huidige roem berust niet zozeer op de composities waarmee hij destijds het publiek plezierde, maar juist op die waarin hij het uitdaagde”, bevestigt Oxford-musicologe Laura Tunbridge in Beethoven. Een leven in negen composities (Unieboek | Het Spectrum, 2020). De Razumovsky-kwartetten waren overigens niet enkel een uitdaging voor de toehoorders. Ook de uitvoerders werden buitengewoon op de proef gesteld. Gelukkig voor de heroïsche experimenteerdrift van Beethoven was er daar ene Ignaz Schuppanzigh (1776-1830) en zijn professionele strijkgenoten om als klankbord te fungeren. Maar of bijvoorbeeld de confrontatie met de frenetieke finale van het laatste kwartet (Allegro molto), het uitzinnige orgelpunt van de hele triptiek, voor de musici wel zo fijn om spelen was … Gelukkig voor ons weet het casalQuartett wel raad met Beethovens geniale grillen en innovatieve toonspraak die het kwartet in C (opus 59 nr. 3) zo geweldig maken. Niet alleen omdat ze elkaar aan het eind stevig opnaaien en zo een duizelingwekkende tempo creëren, maar evengoed omwille van het hechte klankbeeld dat in de raadselachtige inleiding wordt gevormd of de veel bedachtzamere en bevallig geaccentueerde flow die het collectief er doorheen het meeslepende Andante con moto quasi allegretto weet in te houden. Terwijl zich in Wenen een geenszins geruisloze eerste revolutie in het strijkkwartetgenre voltrok, hief Luigi Boccherini (1743-1805) in Madrid zijn zwanenzang aan. Van de onvoorstelbare rampspoed die de componist in zijn laatste levensjaren overviel, valt er in het zonnige kwartet in F (opus 64 nr. 1) geen spoor te bekennen. Van enige vernieuwingsdrang evenmin. “It is the work piece that has been polished to a shine”, dat tegelijk symbool staat voor een vervlogen tijdperk. Met hun poetsbeurt levert het casalQuartett wederom geen half werk, maar wel een drieluik gekenmerkt door precisie, zeggingskracht en een swingend Allegro vivo.

Vragen staat vrij …

Heeft u al eens van Johann Simon Mayr gehoord? In 1825 was het antwoord vast instemmender geweest dan tegenwoordig. De geboren en getogen Beier trok als twintiger de Alpen over, zocht én vond zijn heil in Bergamo en groeide op noemenswaardige wijze uit tot de alom geliefde “vader van de Italiaanse opera” (1763-1845). En passant wierp Mayr zich in zijn adoptieland ook op als fervent impresario voor de Weense klassiek. Zo bracht hij bij zijn stadsgenoot en poulain Gaetano Donizetti (1797-1848) het strijkkwartet onder de aandacht. Mét resultaat, want op die manier vond het belcanto de weg naar het genre en naar de derde cd uit Beethovens Welt. Of de grensverleggende maestro een grote fan was van de flinke portie theatrale flair waarmee Donizetti het medium injecteerde, is hoogst twijfelachtig. Daarvoor was zijn ergernis en na-ijver over hoe Rossini e tutti quanti na het Congres van Wenen (1814-1815) de plaatselijke opera met hun tierlantijnen hadden ingepalmd nog te vers. Met zijn sierlijke en mild spitante Allegro, de simpele doch zoetgevooisde middendelen en een aanstekelijke apotheose recht van de bühne is Donizetti’s zeventiende (en voorlaatste) kwartet in D een charmante crowdpleaser. Naar deze verleidelijke airtjes kan je makkelijk een ganse dag luisteren, zeker als ze zo attentvol en ongeremd worden uitgevoerd als hier. Anderzijds staan deze luchthartige spielereien nagenoeg compleet haaks op de avantgardistische en wederom revolutionaire Neue Bahnen die Beethoven in zijn laatste levensfase met het strijkkwartet insloeg.

29 maart 1827. Twitter, Instagram, TikTok en co zijn nog verre toekomstmuziek. Zelfs zonder sociale media brengt Beethoven zo’n 20.000 volgers op de been om hem naar het Währinger Ortsfriedhof te vergezellen. Ook Czerny en Gyrowetz waren er die donderdag bij. Terwijl Mayr – zoals u via deze link kan ontdekken – een cantate ter zijner nagedachtenis schreef, droegen zij samen met onder andere Hummel en Schubert hun illustere collega, mentor of idool richting graf. Beethoven en Schubert broederlijk op éénzelfde schijfje heeft altijd iets ontroerends. Iets van een rechtzetting bovendien, aangezien het koffiedik kijken is of beide componisten ooit de kans hebben gehad om over hun werk met elkaar van gedachten te wisselen. Daar zou in het geval van Schuberts “Der Tod und das Mädchen” zonder twijfel een lofzang uit zijn voortgevloeid, zo veronderstelt Fleck: “Hätte Beethoven dieses Quartett gekannt, hätte er mit Sicherheit seinen Author treffen wollen, hätte er in ihm den einzig wahren Gleichgesinnten seiner Zeit erkannt und dessen Kunst seine tiefste Verbundenheit ausdrücken wollen.” Toch komt die verbondenheid minder uitgesproken tot uiting wanneer men het roemruchte veertiende strijkkwartet in d (D810) op Beethovens opus 135 laat volgen. Niet alleen omwille van de uiteenlopende vorm – zijn ultieme kwartet, afgerond in oktober 1826, is veruit het kortste van de late cyclus, en in die zin niet te vergelijken met de omvangrijke cri du coeur uit Schuberts crisisjaar 1824. Ook inhoudelijk zijn er opmerkelijke verschillen. Tussen het haast onpeilbare drama van de getergde ‘Schwammerl’, zoals dat in de verbluffende variatiereeks van het Andante con moto met een aangrijpende intensiteit wordt afgestreden, en de volmaakte onthechting van het berustende Lento assai, cantante e tranquillo, waarna zijn gelouterde voorbeeld tongue in cheek uitriep: “Es muss sein!”. Welke song mag het casalQuartett op uw begrafenis spelen, beste Beethoven? Een “schwer gefasste Entschluss” dringt zich op.

Jong begonnen, half gewonnen

Moet Felix Mendelssohn (1809-1847) gedacht hebben, toen hij zich als vroegrijpe durfal aan zowel een opera (Die Soldatenliebschaft), meerdere strijksymfonieën, concerti alsook kamermuziek waagde. In dat verband worden met het octet (opus 20, 1825) en aansluitend de concertouverture op A Midsummer Night’s Dream (opus 21, 1826) steeds opnieuw dezelfde twee befaamde werken te berde gebracht. De kroon op dit welluidende coming of age-verhaal volgde weliswaar één jaar later, met het indrukwekkende strijkkwartet in a. Terwijl de goegemeente de vijf late kwartetten van Beethoven als onbegrijpelijk links liet liggen, ging het multitalent Mendelssohn er met zijn opus 13 op een zeer ingenieuze wijze mee in dialoog. Het resultaat slaat met verstomming, en sluit als opener van de vierde cd naadloos aan op deze verkenning van Beethovens Welt. Voor zijn eerste worp in het genre grijpt Mendelssohn terug naar het (liefdes)lied Frage (opus 9 nr. 1), dat in de langzame introductie geparafraseerd wordt en uitloopt op de herhaalde vraag “Ist es wahr?”. Deze opmaten naar het broeierige Allegro vivace worden een weerkerend motto dat net als het “Muss es sein?” uit de finale van Beethovens laatste strijkkwartet doorheen de partituur een antwoord krijgt. Het geeft dit proefstuk een cyclisch karakter, iets wat door de auteur in het uitleidende Adagio non lento extra in de verf wordt gezet door nogmaals het oorspronkelijke lied te citeren. Het wervelende Presto dat hieraan voorafgaat, is maar één van de hoogtepunten waarmee het casalQuartett stevig en spits aan de luisteraar appelleert. Ook in de voorafgaande bewegingen vinden hun empathie en engagement heerlijk weerklank. Zoals in de contrasterende ritmes van het Intermezzo bijvoorbeeld: een sensuele oorwurm met springerig tussendoortje (Allegretto con motoAllegro di molto). Wellicht veroverde Mendelssohn zo veel harten omdat hij toonde dat ook in het speelse ware schoonheid schuilt.

1842. “Haydns, Mozarts, Beethovens Quartette, wer kennte sie nicht […]?”, zo vroeg Robert Schumann (1810-1856) zich in het Neue Zeitschrift für Musik retorisch af. “Ist es gewiß das sprechendste Zeugnis der unzerstörbaren Lebensfrische ihrer Schöpfungen, daß sie noch nach einem halben Jahrhundert alle Herzen erfreuen, so doch gewiß kein gutes für die spätere Künstlergeneration, daß sie in so langem Zeitraume nichts jenen vergleichbares zu schaffen vermochte.” En dus nam de componist nog in de zomer van datzelfde jaar de handschoen op, daarbij mede geïnspireerd door het trio strijkkwartetten dat Mendelssohn enkele jaren voordien had geschreven (opus 44) en aan wie Schumann de eigen drieling van het opus 41 uiteindelijk zou opdragen. Daarnaast liet hij zijn romantische ontboezemingen op 13 september aan vrouwlief Clara voorspelen. Haar enthousiasme over dit unieke verjaardagscadeau verwoordde ze in het gezinsdagboek: “[…] ich kann über die Quartette Nichts sagen als daß sie mich entzückten bis in’s Kleinste. Da ist Alles neu, dabei klar, fein durchgearbeitet und immer quartettmäßig.” Maar hoe helder of fijn geconstrueerd ook, toch vertelt het idioom van het derde strijkkwartet in A geen eenvoudig narratief. Daar zorgen niet alleen de turbulente variatiereeks (Assai agitato) en de plotwendingen uit de geanimeerde finale voor (Allegro molto vivace). Minstens zo hachelijk is de spanningsopbouw en uitgesponnen, tedere lyriek die het hunkerende opstapje (Andante espressivo) en daaropvolgende openingsdeel (Allegro molto moderato) veronderstellen. Geen sinecure dus hoe het casalQuartett, zonder horten of stoten, de vinger aan Schumanns weerbarstige pols weet te houden. Of hoe resoluut en tegelijk solide het Adagio molto voorbijglijdt. Met een diepgang die exemplarisch is voor gans deze duik in Beethovens Welt.

In zijn inleiding op Beethoven, een bijzonder lezenswaardige bijdrage van Jos van der Zanden aan de serie Elementaire Deeltjes van Amsterdam University Press (2016), schrijft de Nederlandse musicoloog diens grootheid toe aan de continue strijd met zijn omgeving, met zichzelf en met het leven. “Was Beethoven in 1802 overleden, dan zou hij niettemin de geschiedenisboeken hebben gehaald als een van de grootsten van zijn tijd, een waardige evenknie van Mozart en Haydn”, zo lezen we ook nog even verderop (p. 17). Maar de onberekenbare Ludwig zong het gelukkig langer uit, lang genoeg om die voortdurende strijd met een artistieke staatsgreep te beslechten. Dankzij deze zowel luister- als leerrijke ontmoetingen met negen, soms grotendeels vergeten componisten uit Beethovens entourage, demonstreren Felix Froschhammer, Rachel Späth en de gebroeders Fleck op overtuigende wijze wat deze muzikale coup voor het strijkkwartet precies impliceerde. Hoe onze protagonist voor het genre tot tweemaal toe een nieuwe toekomst creëerde waar anderen zich door lieten afschrikken. Of inspireren. Integrale opnamen van alle Beethoven-kwartetten zijn er ruimschoots voldoende, eens temeer nu de viering van zijn 250ste geboortejaar alweer voorbij is. Wil u graag wat meer – véél meer – context, dan biedt het casalQuartett met deze großartige ontdekkingstocht door Beethovens Welt 1799-1851 een waarlijk schitterende caleidoscoop aan.


  • WAT: Beethovens Welt 1799-1851. Der Revolutionär & seine Rivalen
  • WIE: casalQuartett [Felix Froschhammer & Rachel Rosina Späth (viool), Markus Fleck (altviool), Andreas Fleck (cello)]
  • UITGAVE: Solo Musica (SM 283) in samenwerking met Südwestrundfunk (SWR)2
  • FOTO: © David Guyot & Beethoven-Haus Bonn
  • WEBSITE: http://casalquartett.ch/
  • BESTELLEN: JPC

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in:

[bsa_pro_ad_space id=3]

Meer lezen ?

Sterrenparade

Voor wat staan de sterren die toegekend worden? Het is belangrijk om daarin openheid te brengen, dit m.a.w. op de (ver)nieuw(d)e website te expliciteren. KC is voorstander van een positieve benadering, genre de restaurantrubriek in dSMagazine: uitstekend– goed – redelijk – nipt.

5 ⭐️ = uitstekend

4 ⭐️ = zeer goed

3 ⭐️ = goed

2 ⭐️ = redelijk

1 ⭐️ = nipt

Introductiegidsen

Steun Klassiek Centraal via JPC