Gent, 2 juli 2014 – Gisteren vond in het Oost-Vlaamse Provinciehuis het Groot Cultuurdebat plaats, een initiatief van gouverneur Jan Briers, gedeputeerde Jozef Dauwe, onder meer bevoegd voor cultuur en de Universiteit Gent.

Het Groot Cultuurdebat liet artiesten, culturele ondernemers, lokale overheden, bedrijfsleiders en politici aan het woord. Prof. dr. Herwig Reynaert en prof. dr. Tony Valcke, beiden verbonden aan het Centrum voor Lokale Politiek van de Universiteit Gent, waren de moderatoren van dienst. De conclusies vindt u hieronder.

Debat 1 ‘Artiesten en culturele ondernemers aan het woord’

Met: Serge Platel, Marc De Bel, Hugo De Greef en Christine De Weerdt

Stelling: “Leiden besparingen tot een vervlakking van het culturele aanbod?”

Algemeen wordt gesteld dat besparingen niet tot een vervlakking van het culturele aanbod leiden, omdat cultuur altijd wel zal worden gemaakt. Er worden immers altijd nieuwe zaken gecreëerd. Het is wel zo dat subsidies voor diversiteit zorgen, voor ‘peper’ in de maatschappij. Zonder subsidies vreest men dat men eerder teruggrijpt naar commerciëlere, vlakkere vormen van cultuur. Ook is het zo dat besparingen tot een verarming van verspreiding zullen leiden. Men vreest ook dat, wanneer subsidies wegvallen, minder mensen toegang zullen krijgen tot cultuur. Panelleden geven bijvoorbeeld aan dat musea altijd subsidies nodig zullen hebben om te overleven… Overigens stellen artiesten zelf het subsidiëren van hun eigen creatief werk in vraag. Er is immers de schrik om ‘artistiek lui’ te worden… Verder is aangegeven dat er een groot spanningsveld is tussen de Vlaamse overheid en de gemeenten. Momenteel dragen de gemeenten de grote kosten en het is maar de vraag of dit wel realistisch is, en vooral haalbaar blijft naar de toekomst toe. De grootste uitdagingen voor lokaal cultuurbeleid zijn het vervullen van een multiculturele rol in de maatschappij en het geven van maximale ruimte aan de creativiteit van de artiest.

Debat 2: ‘Lokale overheden over hun cultuurbeleid’

Met: Luc Nowé, Piet Van Loocke, Joris Vandenhoucke en Rebecca Van Rechem

Stelling: “Moet de overheid investeren in cultuur voor allen?”

Uit het panelgesprek blijkt dat de overheid inderdaad moet investeren in cultuur voor allen maar dat de lokale overheden scherpe keuzes moeten maken. Het aanbod is immers veel groter dan wat overheden ooit kunnen brengen. Bovendien is het belangrijk om de drempel zo laag mogelijk te houden, zodat de participatie van de burgers zo hoog mogelijk is. Momenteel is het zo dat er veel plekken zijn waar cultuur wordt getoond. Panelleden opperen om ook hier keuzes in te maken, de bestaande infrastructuur beter te benutten en waar nodig aan te passen aan polyvalenter gebruik. De infrastructuur moet immers voor iets dienen en ergens voor deugen. Verder is er een oproep om het aanbod af te stemmen op wat omringende gemeenten doen. Momenteel is er te veel eenheidsworst. Zo is er het voorstel om elke gemeente een basispakket cultuur te laten brengen maar met verschillende accenten (klassiek, modern, dans, zang, theater, erfgoed, etc.) en opbouw van een eigen profiel.

Debat 3: ‘Het economisch belang van cultuur’

Met: Freddy Mortier, Gunther Broucke, Daan Schalck, Jo Libeer en Claire Tillekaerts

Stelling: “Investeren alle maatschappelijke actoren te weinig in cultuur?”

Panelleden geven aan dat er effectief meer aandacht zou kunnen gaan naar cultuur. Anderzijds stelt men dat veel ondernemingen wel degelijk investeren in cultuur, maar misschien niet op de juiste manier. In ieder geval is er een consensus op het vlak van uitdaging. Alle panelleden zijn het erover eens dat de cultuursector de economische sector te weinig uitdaagt. Er is ook de haat-liefde verhouding tussen de bedrijfswereld en de culturele sector, terwijl net de samenwerking tussen de twee werelden primordiaal is. Er is de vaststelling dat de twee mekaar te weinig kennen. Bedrijven kunnen ook leren van kunstenaars. Maar men moet opletten dat men de economische logica niet gaat toepassen op cultuur en omgekeerd. Het is belangrijk om de eigenheid van beide sectoren re respecteren. Panelleden geven aan dat investeren in cultuur niet als een alleenstaand feit mag worden beschouwd. Wie investeert in cultuur, moet daar een heel netwerk rond bouwen én moet daar ook durven over communiceren. Het is daarbij cruciaal om de medewerkers, de klanten, partners, etc. te betrekken in het verhaal.

Debat 4: ‘De politiek aan het woord’

Met: Katia Segers, Christophe Peeters, Bart Caron, Barbara Bonte en Johan Swinnen

Stelling: “Hebben politieke partijen te weinig aandacht voor cultuurbeleid?”

Panelleden waren het over deze stelling niet altijd eens. Algemeen wordt gesteld dat er inderdaad te weinig aandacht is voor cultuur, tenzij men het over het sociaal-culturele middenveld heeft. Dat middenveld krijgt wel voldoende aandacht. Er is de oproep om kunst en cultuur toegankelijker te maken zodat de politieke partijen kunnen inzetten op brede(re) aspecten. Er wordt geopperd om meer in vernieuwing te investeren, en te selecteren. Verder is het een uitdaging voor alle politieke partijen om effectief iets aan de cultuurparticipatie te doen. Het is belangrijk om meer burgers warm te maken voor cultuur en om inspanningen te leveren om allianties te creëren tussen media, kunst, cultuur, erfgoed, etc. Investeren in cultuur is investeren in de samenleving. Een van de panelleden opperde zelfs dat cultuur de cement van de samenleving is.

Rol van de provincie

In alle debatten stelden de moderatoren de vraag hoe de provincie een rol kan spelen in deze. Telkens zien de panelleden de provincie als facilitator. Er wordt ook naar de provincie gekeken om lokale besturen te begeleiden bij het opmaken van (subsidie)dossiers en om de (missing) link met Vlaanderen te vormen, een niveau dat voor veel gemeenten momenteel een brug te ver is. Er is ook de vraag naar administratieve vereenvoudiging. De procedures zijn te omslachtig, te moeilijk om een (subsidie)dossier samen te stellen. Verder ziet men ook een rol weggelegd voor de provincies om cultuur op bovenlokaal niveau op elkaar af te stemmen, daarin een coördinerende rol op te nemen en om doorstroommogelijkheden te bieden aan jonge, talentvolle kunstenaars naar een Vlaams, nationaal en internationaal niveau.