Voor het festival Passages interviewde Philippe Grisar een van de beste tenors van België en ver daarbuiten. De Mey zong zowat overal in de wereld en werd verwelkomd op ’s werelds grootste podia. Het interview geeft een unieke inkijk in de carrière van de zanger, het werk en de opoffering die dat met zich mee brengt.

vooraf

Guy De Mey werd al snel bekend als barok specialist. Hij reisde de rond wereld met bekende ensembles en dirigenten. Later specialiseerde hij zich in opera en reist nu nog steeds naar de bekendste operahuizen. In september 2017 vertolkte hij in de Vlaamse Opera de rol van Graaf Hauk-Šendorf (Leoš Janáčeks’ De zaak Makropoulos) en in het najaar kruipt hij in de huid van de aalmoezenier in Dialogues de Carmélites bij de Munt.

Ik interviewde Guy De Mey voor het programmaboekje van het minifestival Passages 4 in Sint-Niklaas (19 februari 2017). Dat festival, georganiseerd door het Goeyvaerts Trio, kende reeds een vierde uitverkochte editie. Het publiek krijgt op een lange namiddag vijf heel verschillende concerten voorgeschoteld in een unieke formule (zie elders in Klassiek-Centraal). Dit jaar kon het publiek genieten van Marino Punk (accordeon), Vox Luminis (polyfonie), Goeyvaerts Trio (Charles Wuorinen), Aleatoric (jazz) en Guy De Mey. De Mey bracht er vooral vocale solowerken van John Cage: een heerlijke kleurrijke en bij wijlen komische voorstelling.

Het deel van het interview over deze bijzondere productie kon men het programmaboekje lezen.

Inleiding

Natuurlijk mocht ik hem interviewen maar tot eind december verbleef Guy De Mey in Straatsburg. De Opéra national du Rhin bracht Het Sluwe Vosje van Leoš Janáček waarin de tenor de schoolmeester vertolkte. Op vier januari stap ik samen met hem de lift in. Bij het binnenkomen in de hall valt meteen de affiche van de oude Atys (Atys van,M. De Lully. Met rollen voor  Guy De Mey, Guillemette Laurens, Agnès Mellon, Jean-François Gardeil, John Holloway, Les Arts Florissants, William Christie, 1987) productie op. Ik glimlach omdat ik terugdenk aan mijn vader die triomfantelijk de cd-box omhoog hield die hij kort na de opvoering in Versailles op de kop had kunnen tikken.

Kris Matthynssens, Pieter Stas en ik kennen Guy de Mey al lang, van bij de scouts, waar we alle vier fantastische tijden beleefden. In die tijd, toen ik een welpenpet droeg, was hij de Akela. Ik herinner me nog de zangstonden net voor het einde van de vergadering, voor het stukje Jungleboek dat werd voorgelezen bij kaarslicht. We zaten in een grote cirkel op krukjes en Akela gaf aan wie wat moest zingen. De enen kweelden zo diep mogelijk: ‘Der Dom’, anderen ‘Zum Keulen’, nog een groepje ‘Er lautet’, en nog een ander ‘so schön’… Als het eindelijk lukte, soleerde hij ‘Du bist mein Alles auf dieser ganser Welt…’

Niemand vroeg zich af waarom die Dom in Keulen zo veel betekende. Als Akela er zo mooi over zong, maakte het niets uit. Ik was al blij dat ik gewoon ‘Der Dom’ mocht brommen. Misschien bleef het in mijn geheugen hangen omdat Akela er zo ernstig over deed, het was anders dan gelijk welk lied dat we alleen maar hoefden te brullen.

Ik vernam via mijn ouders hoe hij allerlei prijzen won en ze namen me mee naar mijn en zijn eerste opera in de kleine Munt: ‘Albert Herring’ van Benjamin Britten. Soms moest ik mee naar één of andere passie waar hij steevast evangelist was. Ooit zong hij voor de Verkenners, de oudste tak van onze geliefde scoutsgroep. Hij musiceerde samen met ‘Vier op ‘n Rij’ ten voordele van ons buitenlands kamp. Op een dag viel zijn afwezigheid op. Hij reisde her en der. Nieuws druppelde met mondjesmaat binnen. Het werd gemakkelijker om een cd met zijn naam te vinden dan om de oude Akela in Sint-Niklaas tegen te komen.

Jaren later, wat rijper en misschien ook wijzer, ontmoetten we elkaar weer alsof het slechts enkele maanden geleden was. Het werd geen vraaggesprek maar een causerie. Pas aan het einde van de tweede koffie stelde ik een vraag.

De eenzaamheid van de solist

Uit de open keuken klinken de geluiden van het koffieapparaat en van de tassen die de gastheer klaarzet. Het doorbreekt de stilte van het polderdorp. Even later bespreken we de ongekende mogelijkheden van de smartphone die ik gebruik om het gesprek op te nemen. Guy blijkt er niet zo handig mee te zijn. Als het vastloopt, geeft het vooral stress… “Maar je hebt die nodig hé… in deze tijd…”

En zo ontrolt zich het gesprek.

Wat wel plezant is, nu ik veel weg ben, heb ik heel gemakkelijk contact met de thuisbasis, met Pedro. Iedere avond skypen wij. Vroeger, helemaal in het begin, was er slechts dat ene telefoontje. Met de gsm werden het sms-jes. Dat betekende meer contact maar dat was niet meer dan een tekstje. Sinds dat systeem op de markt is gekomen met cameraatjes en heel de boel – ik heb ik me dat eigen gemaakt – is weg zijn iets minder moeilijk. Je kan, als je de behoefte voelt om elkaar te zien, elkaar onmiddellijk contacteren. Dat geeft een enorm verschil! “Hey, hoe is ‘t? Wat ben je aan het doen?” Je bent efkes thuis. Dat is geweldig, zeker voor mensen die veel op reis zijn. Dat behoudt het sociaal contact en een intieme sfeer.

Hoeveel dagen per jaar ben je van huis?

Dat varieert ontzettend. Van heel veel tot wat minder, dat hangt van de agenda af, van de opeenvolging van de producties. Vroeger, toen ik jonger was, gaf ik heel veel concerten. Dan ben je drie, vier dagen weg en weer thuis. Nu doe ik heel veel opera – ik zit in de wereld van de opera. En dat zijn enorme producties. Een operacontract afwerken duurt al snel twee maanden. Van de dag dat de eerste repetitie start tot de première is dat meestal een week of vijf en dan beginnen we te spelen: nog eens twee weken erbij. Als twee producties elkaar opvolgen, wordt het wel wat veel.

Ik probeer dat nu te vermijden want kan ik dat tempo niet meer aan. Ik moet opletten, mijn lichaam geeft te veel signalen. De druk is er niet meer. Ik doe mijn vak nog doodgraag, die passie is er nog, maar de tomeloze ambitie heb ik niet meer. Wat nog komt, is welkom. En er komen nog prachtige dingen, maar het is niet meer het belangrijkste van mijn leven. Bovendien zit ik in een fase waarin ik een relatie enorm waardeer, er ook veel in investeer. Dat was niet zo toen ik jonger was, toen was ik enkel bezig met mijn carrière. Nu, met Pedro wil ik dat niet missen. Daar moet ik ook energie in steken en tijd aan besteden èn dat doe ik graag. Dus, terugkomend op de dagen van afwezigheid: ik ben een half jaar weg maar de andere helft ben ik veel thuis.

Ik zeg ook vaak tegen mijn impresario – en die verstaat dat heel goed – dat ik na een lange productie thuis wil zijn. Ik heb het nodig. Sommige managers pushen je en proberen je toch te boeken. Het is hun broodwinning en ze moeten ervoor zorgen dat jouw carrière draait natuurlijk. Voor mij is het belangrijk dat ik me goed voel. Dat ik het nog graag op topniveau kan blijven doen met minder stress. Het is een beroep met veel stress: je staat constant onder druk; je moet er altijd staan.

Ik zeg ik vaak tegen mijn studenten: Je kunt je vak leren; dat zijn technieken. Als je veel talent hebt, kan je er ver mee geraken, misschien zelfs een professionele carrière maken. Maar daarnaast komen nog zo veel dingen bij kijken: hoe ga je om met stress? Heel eenvoudig: als ik morgenavond een heel belangrijke repetitie heb of een concert en het vriest of ik heb een beetje keelpijn of heb slecht geslapen, dan bezorgt dit stress. Gaat het morgen lukken? Hoe ga je daar mee om? Kom je ’s avonds in een hotel toe met airconditioning, dan is dit voor een zanger een ramp! Slapen in een kamer met airco betekent ’s anderendaags opstaan zonder stem.

Hoe ga je op de werkvloer om met je collega’s, met de dirigent? Klikt het? Klikt het niet, dan moet je je weer aanpassen. Je moet zorgen dat het toch lukt want je moet een goed concert zingen. Dit zijn allemaal stressoren. Ook het veelvuldig weg zijn, schept een stuk fundamentele eenzaamheid. Je komt altijd op plaatsen waar je geen kat kent. Als de repetitie gedaan is en iedereen naar zijn hotel gaat, of studio die hij gehuurd heeft, ben je weer alleen. Hoe ga je daar mee om?

Ik heb er altijd zeer goed mee overweg gekund, ook met stress, maar met het ouder worden, wordt het minder en minder gemakkelijk. Ook mijn dokter zegt dat mijn lichaam moe is en het wat rustiger aan moet doen.

Les geven

Dit jaar is een mooi gevuld jaar. Ik heb geluk dat ik een paar producties deed in België en binnenkort doe ik dat weer. Ik had een productie deze zomer in de Vlaamse Opera. In het najaar loopt er een productie in De Munt. Dat laat me toe een opera te zingen en toch thuis te zijn. Dat is fantastisch.

Als ik hier ben, kan ik ook mijn lessen geven. Mijn lesopdracht combineren met die producties valt soms moeilijk.  Veel mensen die op het conservatorium lesgeven, staan ook in het vak. Hoe los je dat op met je studenten? Ik heb nu een comfortabele positie. Vroeger had ik een zangklas op het conservatorium met de verantwoordelijkheid om de studenten op te leiden gedurende hun bachelors en masters jaren: vijf jaar lang tot hun eindexamen. Zoiets vraagt niet alleen verantwoordelijkheid maar ook idealiter wekelijks aanwezig zijn. Dat is voor mij echter onmogelijk. Ik wil wel graag contact houden met de lokale afdeling en mijn ding doen zonder verplicht wekelijks aanwezig te zijn. Nu geef ik jaarlijks een vrije masterclass. Dat staat in het curriculum: een masterclass vocale barokmuziek. Alle studenten die in dat repertoire interesse hebben, schrijven zich bij mij in. Ze krijgen in het begin van het jaar een cursus en dan spreken we af wanneer we eraan werken. Dat werkt fantastisch omdat er geen druk meer is. Vanaf volgende week [d.i. 9 januari] begin ik intensief les te geven en dan stopt het weer. Ook de studenten kunnen specifiek kiezen voor het genre.

 Barok?

Ik zing het nu nog zeer weinig. Ik sta veertig jaar in het vak. In het begin van mijn carrière, de eerste twintig jaar zong ik uitsluitend barokmuziek. Ik reisde er de wereld mee rond. Daarna kwam ik – heel natuurlijk eigenlijk – in een fase terecht dat ik het allemaal een beetje gezien had. Er kwamen andere nieuwe, jonge zangers bij en ik had niet meer de interesse om constant met dezelfde groepjes bezig te zijn.

Ondertussen was ik ook vocaal geëvolueerd. De stem is een orgaan dat meegroeit met je lichaam.  De meeste zangers maken gedurende hun carrière een evolutie door met hun stem waardoor ook het repertoire zich gaat aanpassen. Mijn stem werd in die periode krachtiger en donkerder en minder flexibel, voornamelijk in de hoogte. Vroeger, in mijn baroktijd, maakte ik versieringen in de hoogte met een hele lichte stem. Nu moest dat met een volle stem. Dat paste niet meer in het repertoire en voelde niet meer 100% goed aan. Een scharnier-crisismoment. Gelukkig ben ik altijd goed omringd geweest door mijn impresario en een paar collega’s. Ik heb veel met hen gepraat en gewerkt. Mijn impresario, zelf zanger en lesgever aan het conservatorium in Düsseldorf, stimuleerde me om me toe te leggen op bepaalde operarollen. Ik ben een paar rollen gaan instuderen. Mijn eerste kansen heb ik gekregen in de Vlaamse Opera, toen nog onder Marc Clemeur. Zo is dat begonnen.

Ik ben ook een scène-beest, Ik speel heel graag een rol, dolgraag. Eigenlijk doe ik dat liever dan een concert zingen. Een nieuwe wereld ging toen voor me open. Ik had al wat opera gedaan, vooral barokwerk, ook in grote producties. Maar de klassiekers uit latere perioden, de romantici of hedendaags werk had ik nooit gezongen. Ik heb me erop gegooid en ben een nieuwe carrière begonnen. Ik heb de barok verlaten en ben in de wereld van de opera en latere muziek terecht gekomen, ondertussen al 20 jaar. Ik heb me ook gespecialiseerd, onder andere in Janáček, één van de componisten waarvoor ik steeds gevraagd word. Het is niet zo evident, want zijn werken zijn lastig, ook al omwille van de taal [Tsjechisch] en worden niet zo vaak uitgevoerd. Hoewel nu steeds meer.

Zo rol je van het één in het ander. Nu verlang ik soms naar die tijd van vroeger waar ik vaak barok zong. Ik zing het nog.  Dit jaar is trouwens een barokjaar: binnenkort doe ik een opera van [Francesco] Cavalli, een tijdgenoot van Monteverdi; volgend jaar naar München en dan Barcelona. Het komt weer op mijn pad. Er zijn daar schitterende rollen voor me.

Daarnaast doe ik ook romantisch werk. In De Munt breng ik Poulenc: Dialogues des Carmélites.

Dit jaar zing ik een aantal concerten, onder andere voor 800 jaar Sint-Niklaas op vrijdag 9 juni, in de Sint-Nicolaaskerk: BachPlus met Bart Naessens. Daar ga ik o.m. Monteverdi, Händel, Telemann en Bach zingen. Dat is een jubileumconcert.

Met de barok heb ik mijn carrière opgebouwd en ben er internationaal mee doorgebroken. Daarna heb ik het verlaten. Maar het blijft op mijn pad komen. Barokdirigenten vragen me nog. Ik zal de evangelistenrol uit de Johannespassie niet meer vertolken, laat dat maar aan jongere stemmen over. Aria’s uit de oratoria van Händel wil ik wel heel graag vertolken. Vorig jaar zong ik de Messiah olv Korneel Bernolet.

Ik heb me er fantastisch mee geamuseerd. Barok, het staat nog wel op de agenda maar niet meer zoals vroeger. Dat laat ik aan de jonge garde over, de jonge leeuwen, noem ik dat [lacht].  Laat die maar grollen!

Deel 2

De zon wamt mijn rug en kleurt de woonkamer in een zachtgele tint die halverwege vervaagt. Enkele kunstboeken sieren de salontafel. Aan het andere einde wringt de tenor een espresso uit de machine en ik luister naar de opname van zijn monoloog. Het staat er goed op.

Ik stel de vraag die ik alle muzikanten stel. Het is de vraag naar het moment dat hun talent werd getriggerd en hun verlangen vorm kreeg. Vaak blijken ontmoetingen even belangrijk als hard werken.

Hoe ben je tot de muziek gekomen, Guy?

Toen ik een ventje was, lagere school zeg maar, was ik gek van popmuziek. We hadden thuis een radiootje waar ik altijd naar luisterde, vooral op zaterdag. Weet je nog die vrije radio Veronica die de top 40 uitzond van op zee?

Toen ik 11 of 12 jaar oud was, kreeg ik goesting om muziek te leren. Ons ma zei: ”Awel, as ge goesting et, go noar d’academie, hé, ier in Sinnekloas, hé”.  En ik ging ernaartoe, met mijn broer en zus. Maar het was een koude douche, i.p.v. een muziekinstrument te leren, was het solfège. Ons Nicole stopte, mijn broer stopte; die waren het beu. Ik beet door en ging piano studeren. Ik begon eraan maar dat lag me niet. Ik ben dan ook gestopt. Ik had dan wel al twee drie jaar muziekschool gevolgd en kon dus wel een partituur ontcijferen.

Toen ik vijftien, zestien jaar was, had ik op de Broederschool muziek van mijnheer Pieters, de papa van die andere muziekleraren. Wel, hij was muziekleraar en had een koor. Heb je geen goesting om in mijn koor te komen zingen, vroeg hij. Ik durfde niet ‘nee’ te zeggen. Repeteren op zondagmorgen en woensdagavond. Ik fietste op een zondagmorgen naar ‘d’oa-academie’ [Zo heet de academie in de Sint-Niklase volksmond]. Daar is het begonnen…

Het koor was toen bezig aan de allerlaatste repetities van de Johannespassie van Bach. Ze voerden dit werk ieder jaar uit o.l.v. Albert Delvaux. Ze zongen het openingskoor. Ik had het nog nooit gehoord: Herr unser Hè-è-è [Guy zingt het uiteraard; “Herr, unser Herrscher” BWV 245]. Man, ik voel de ‘kiekeboelen’ nóg rechtkomen! Het was zo indrukwekkend, dat koor, die muziek! Ik was verkocht, hé. Ik weet nog goed dat ik van de repetitie op mijn vélooke sprong en recht naar de openbare bibliotheek fietste, toen nog op de Markt. Ik heb me stante pede ingeschreven en vroeg onmiddellijk naar de Johannespassie van Bach. Ze gaven me een versie mee van Harnoncourt, één van mijn latere grote voorbeelden. Ik heb de plaat grijsgedraaid en ben passioneel beginnen repeteren. Een paar maanden later, ik zong direct goed, vroeg diezelfde meneer Pieters of ik geen zin had om zangles te volgen: “Je hebt talent, zunne”. “Bah ja, ik zing graag”.

Ik schreef me in op mijn vijftien, net geen zestien, in de zangles. Eerst mocht ik niet beginnen. De lerares vond me te jong. “Misschien elke week een kwartiertje? We zullen zien.” Ze liet me een paar oefeningen doen. Toen keek ze zeer verbaasd [verbaasd gezicht]: “Jaa, dat ies nog heel jung mor da zing goe, hé” [Antwerpse tongval]. Zo begon het. Ik ben door de academie gedanst. Op vier jaar tijd deed ik mijn eindexamen terwijl dat normaal dubbel zo lang duurt. Na drie jaar kreeg ik uitmuntendheid en in 1975 deed ik mee aan de Pro Civitate muziekwedstrijd in Sint-Niklaas, en ik win die… Een eerste prijs werd nog nooit aan zangers gegeven, en ik win die…

Ik was net 18 en had keuzes: of verder studeren zoals mijn vader het wilde, of naar het conservatorium gaan.  “Ik wil naar het conservatorium”, speelt Guy de situatie weer na. “Choooo”’, mimeert hij de verbijsterde blik en uitroep van vader, “Zanger! Wa’s da vur iet? Goa de gij doar oan botram mè verdienn?” [Zanger!? Wat is dat nu? Ga je daar je brood mee verdienen?]. Alle uitvluchten waren goed en ik begrijp dat wel. Ik kom absoluut niet uit een artistieke familie.

Op mijn 19 stapte ik dan het conservatorium binnen. En dan ben ik van het één in het andere gerold; een eerste prijs gewonnen, nog wat in Amsterdam gestudeerd… Ondertussen begonnen de concerten te komen. Voor ik het wist was ik constant onderweg. Het bolde als een trein. Enkele jaren later pas begon ik me vragen te stellen: wou ik dat wel? Ik was er ingerold. Ik deed het beroep graag maar dat constant van huis zijn, het reizen en het alleen zijn. Het heeft lang geduurd eer ik er vrede mee had en ervan kon genieten. Het is anders als je in een orkest speelt of koor zingt, dan heb je een sociaal weefsel. Als solist, het zit in het woord, ben je vaak alleen. Je ontmoet veel collega’s en je laat ze weer los. Je bent ook altijd bezig met je prestatie: het leven van een topsporter. Sommige collega’s zijn sportief en zwemmen om het lichaam sterk te maken. Ik heb de pech om niet sportief te zijn. Ik heb het geluk om in een gezond lijf te zitten en ik heb gezond geleefd.

En heb je bijzondere herinneringen?

Er zijn zoveel mooie producties geweest en enkele koester je toch extra, zoals in het begin van mijn carrière, Atys, in Parijs met William Christie. Dat was een gigantisch succes waarmee we tot in Amerika zijn geweest, een mooie plaat hebben gemaakt en alle prijzen gewonnen hebben die je je maar kan indenken. Ik had de titelrol gezongen. Ook die eerste keer in de Albert Hall in London met Roger Norrington om er Orfeo te zingen in een volledige Britse bezetting. En dat heb ik nog een paar keer herhaald in de London Coliseum [English National Opera].

Ook de periode in de Scala van Milaan waar ik drie keer uitgenodigd ben geweest, enkele plaatopnames…, dat soort zaken koester ik. Janáček waarmee ik in prestigieuze huizen terecht ben gekomen. Mijn debuut in Covent Garden waar ik nu nog regelmatig zing. Ik herinner me nog de eerste repetitie, toen ik voor ik het wist met Placido Domingo in de lift stond. [Guy giechelt bij de herinnering.] Hij lachte naar mij en zei: ‘You’re there.’ Placido Domingo stond in de lift realiseerde ik me, echt waar. Waar ben ik nu terecht gekomen? [Guy geniet nog na en lacht.] Dat zijn allemaal anekdotes…

Heb ik spijt van dingen? Ja, van één ding, Het scheelde geen haar maar ik heb mijn debuut in de Metropolitan gemist. Na mijn debuut in Covent Garden, met een opera van Cavalli, kreeg ik van hen een nieuwe uitnodiging voor een opera van Massenet, Manon, voor de rol van Guillot de Morfontaine [een edelman], een coproductie met de Scala van Milaan en de Met. in New York. We bevestigden dat maar de repetitieperiode viel grotendeels samen met een productie in Genève. Zo viel ik er uiteindelijk af, omdat ik niet kon. Zo is dat in dit vak!

[Guy grinnikt] Zo heb ik mijn debuut in de Met gemist, maar goed… Wat niet is, kan nog komen. Mijn impresario zei dat Hugues Cuénod [1902 – 2010], een heel gekende Zwitserse tenor die meer dan honderd jaar werd, zijn debuut in de Met maakte op 87 jaar. Ze vroegen hem voor een kleine karakterrol in Hoffmanns Vertellingen [Offenbach]. Ze wilden dat hij dat deed omwille van zijn unieke verschijning en zijn prestige. Dat stond in alle muziektijdschriften.

We praten nog even verder over de opera die er nooit kwam: Fin de Parti, een opera naar het toneelstuk van Samuel Beckett die de componist György Kurtág aan het schrijven was. Hij zou lopen in Salzburg en Milaan maar de toondichter werd ziek. De hele productie werd geannuleerd.

Bedankt voor de koffie, Guy, maar vooral bedankt voor het gesprek!

Achteraf

Guy De Mey’s optreden in het breigoedmuseum, een deel van het STEM waar alle concerten plaats vinden, bleek een groot succes. Vocale stukken van John Cage [Solos for Voice, 1970] en de Aria voor stem werden afgewisseld met een vocalise van Giacinto Scelsi. Het optreden, ook visueel zeer aantrekkelijk, werkte vaak op de lachspieren. Voor het slotconcert van Vox Luminis tracteerde Guy De Mey als tenor en dirigent samen met Robin Verheyen en het Goeyvaerts Trio op een mooi uitvoerring van Cages roemruchte compositie 4’33”. Hij koos voor een uitvoering in drie delen waarop een geweldig applaus volgde!


  • Wat: interview
  • Wie: Guy De Mey, tenor in gesprek met Philippe Grisar
  • Waar: Festival Passages, Sint-Niklaas
  • Wanneer: 19 februari 2017
  • Foto: © Creeping Mac Kroki