Het 'k Luister Klavierfestival bracht onder het neologisme “Infinizio” een meer dan geslaagde ode aan de toetsen. Van prelude tot coda: twee volle dagen was het AMUZ in de ban van de moderne piano en zijn welluidende voorgangers. Maar voor wie tijd en moeite nam, was er vorig weekend in Antwerpen nog meer te ontdekken. Veel meer.

Het 'k Luister Klavierfestival bracht onder het neologisme “Infinizio” een meer dan geslaagde ode aan de toetsen. Van prelude tot coda: twee volle dagen was het AMUZ in de ban van de moderne piano en zijn welluidende voorgangers. Maar voor wie tijd en moeite nam, was er vorig weekend in Antwerpen nog meer te ontdekken. Veel meer.

“Vanuit een diep engagement en het grote vertrouwen dat het er werkelijk toe doet”, zo omschrijft organisator Mathias Coppens in zijn voorwoord het ontstaan van het 'k Luister Klavierfestival. Uit het veelomvattende, bijwijlen experimentele programma sprak in ieder geval de overtuiging iets aan het Vlaamse (klassieke) muzieklandschap toe te voegen. En het dient gezegd: de goedgevulde affiche blonk uit door een weloverwogen mix van stijlperiodes, bezettingen, instrumenten en kunstdisciplines waarin menigeen zijn gading kon vinden.  

Leitmotiv

De kringloop van de tijd en de hiermee samenhangende verbondenheid tussen begin ('Inizio') en einde ('Fine') gold als rode draad doorheen “Infinizio”, het eerste grote project van de vzw 'k Luister. Het tijdsaspect werkte niet alleen door in de keuze van de stukken, het onderwerp van de lezing of de KASKA-tentoonstelling, maar ook in het Leitmotiv dat Wim Henderickx speciaal voor dit festival componeerde: vijf fragmenten die in willekeurige volgorde alsook simultaan gespeeld konden worden. “De laatste jaren is tijd voor mij een ruimer begrip geworden, het is meer dan een zuiver lineair gegeven”, zegt Henderickx daarover in het lijvige programmaboek. De initiële bedoeling was om diens open compositie in ieder concert te laten opduiken. En ook al lukte dit om uiteenlopende redenen niet altijd, toch gaven de verschillende motieven een passend startschot voor de tweedaagse.

Met een eerbetoon aan de grote Duitse klaviertraditie getiteld In wachsende Ringen verzorgde Jozef De Beenhouwer aansluitend het openingsconcert. De drie grote B's – Bach, Beethoven en Brahms – passeerden daarbij de revue, maar de Antwerpse éminence grise had uiteraard ook een flinke brok Schumann ingelast. Kreisleriana, Roberts autobiografische fresco van aforistische stemmingswisselingen, is zowel een hoeksteen van de Duitse romantiek als één van De Beenhouwers lijfstukken. Welnu, dat laatste was er ook aan te horen. De fascinerende opeenvolging van lyrische ontboezemingen en snedige ritmiek werd met veel bravoure en dito inlevingsvermogen gebracht. Ook de laatste prelude en fuga uit het tweede boek van Bachs wohltemperierte Klavier, hoewel halsstarrig, vloeide moeiteloos uit de vingers. De hoekdelen van Beethovens koortsachtige Grande SonatePathétique” vielen dan weer in de smaak door de stuwende drang waarmee ze werden neergezet. Na een uitstapje naar de vroege 20ste eeuw met Max Reger waren twee van Brahms’ Klavierstücke (opus 118) er weliswaar te veel aan,  met een opvallend hoekig klinkende ballade (Allegro energico) als moeizaam slotakkoord. Maar ondanks dit dipje was De Beenhouwers recital een stevige aanhef op hoog niveau.

Openbaring

Het volgende concert op deze eerste dag werd voorafgegaan door een workshop voor kinderen en een masterclass voor, en toonmoment door, studenten piano van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Van de Mephisto Walzer van Liszt tot een eigen compositie door Jago Moons: er is hoorbaar geen gebrek aan talent aan de Desguinlei, zoveel is zeker. En dat zo'n talent ook komt bovendrijven, bewees het daaropvolgende duo-concert van KCA-alumni Mathias Coppens en Korneel Bernolet. Met Circulatio J.S. Bach gaven beide twintigers een bloemlezing uit klavierpreludes gaande van de Franse barok tot de 20ste-eeuwse rythmicien Messiaen en met godfather Johann Sebastian als onvermijdelijke spilfiguur. Niets nieuws onder de zon, hoor ik u al denken, ware het niet dat de opzet naast een boeiende confrontatie aan stijlen ook een hoogst interessant treffen tussen klavecimbel en piano opleverde. Behalve een heerlijk palet aan klankkleuren bood de combinatie – soms zelfs een versmelting – van een 17de-eeuwse Ruckers-replica en een moderne Steinway-vleugel een onderhoudende kijk op hoe, dixit Bernolet, “een bepaald werk echt vanuit het instrument uitgevoerd wordt.” Het resultaat was niets minder dan een openbaring, zoals ook van Bernolets “weelderige” debuut-cd kan gezegd worden. Waarom wordt dit niet meer gedaan? Want hoewel er bij professionele musici een sterke tendens naar verregaande specialisatie merkbaar is, toch zijn er te lande voldoende toetsenisten (Jan Michiels, Piet Kuijken, Lucas Blondeel, …) die met evenveel kunde als plezier historische én moderne(re) instrumenten beroeren.  

Met een volledig rond de Weense muziekscene geïnspireerd programma luidde het festival de avond in. En ook het publiek had ondertussen talrijk de weg naar het AMUZ gevonden, voor wat opnieuw een contrastrijk dubbelconcert beloofde te worden. Klassiek en free jazz, de Eerste en de Tweede Weense School, één enkele Tröndlin-pianoforte en twee in elkaar grijpende, glanzende vleugels: broederlijk stonden ze naast, maar toch vooral na elkaar geprogrammeerd. En dat mag u gerust letterlijk nemen, met Jan en Erik Vermeulen die zich door hun ex-studenten Veerle Peeters en Seppe Gebruers lieten vergezellen, al spreekt men in het geval van Gebruers beter van uitdagen. Was de vierhandige Schubert van de tandem Peeters-Vermeulen een schot in de roos – de muzikale exponent van twee handen op één buik – dan had het jazzy luik van deze diptiek meer de allure van een vuurgevecht. Maar dan wel eentje waarin de losse flodders je om de oren vlogen. Mooi klonk het geïmproviseerde opbod aan noten bepaald niet. Intrigerend? Met moeite, of het moest de excentrieke lichaamstaal van Gebruers zijn. Al is het uiteindelijk nooit een goed teken wanneer die meer spreekt dan de muziek zelf. Neen, dan viel er met de Acht Variationen über ein eigenes Thema (D813) en het SpätwerkLebensstürme” (D947), veel meer te genieten. Verbluffend wat Schubert met een eenvoudige mars allemaal vermag. En zeker als het duo de verschillende stemmingen met vuur en verve vertolkt – eens opzwepend en uitbundig (variaties IV en VI), dan weer lyrisch en ingetogen (variaties V en VII) – of elkaar met gevoel en een voortreffelijke timing in de rede valt om de heerlijkste frasen af te ronden (variatie VIII). Deze haast instinctieve verwevenheid maakte van het experimentele Allegro in a een emotioneel geladen apotheose.

Sacrale sfeer

Van Wenen ging het met TetraGonist en Gospodi nog een stuk verder oostwaarts. Kamer- en koorensemble sloten de zaterdag samen af met hun zoektocht naar de Russische ziel. Het in meerdere opzichten unieke, tweedelige pianotrio van Tsjaikovski – een van de langste in het repertoire – werd daarbij afgewisseld met een bloemlezing van Slavisch-Byzantijnse, mariale gezangen: opnieuw een onalledaagse, ja zelfs hoogst aandoenlijke combinatie, maar voor de toehoorder van het eerste uur ook wat van het goede te veel. Het was al middernacht eens de laatste klanken wegebden. Wat voorafging, had nochtans een solide indruk gemaakt. Enkel de gemiddelde leeftijd van TetraGonist, bij deze gelegenheid zonder vaste klarinettist Sven Van De Voorde, deed vermoeden dat het hier om een piepjong, nieuw project gaat. Een pianopartij die, hoewel prominent aanwezig, alsnog ruimte liet voor tegenstemmen, smaakvol gedoseerd vibrato, pathos en een bij vlagen zeer uitgesproken dynamiek: hun Tsjaikovski bezat vele elementen die elk trio, en een sublieme elegie als deze in het bijzonder, hoort te hebben. De sacrale sfeer die het vierkoppige Gospodi daarop creëerde, gevat in overwegend homofone hymnen (Pod Tvoyu Milost, Dostoyno est, …) en gebeden (Bogoroditse Devo, Otshe nash,…), was dan ook uitermate toepasselijk. En een intieme totaalervaring, mede dankzij een door talloze kaarsjes verlicht altaar. Verstild, en ook een tikkeltje verzadigd, keerde ik huiswaarts.

Ging het festival van start met een hommage aan de Germaanse toonkunst, dan begon dag twee van deze muzikale tour d’horizon in Frankrijk. Jolente De Maeyer en Nikolaas Kende koppelden in A la manière de … de vioolsonates van Debussy en Poulenc aan de tweede van Prokofiev. Alle drie zijn het oorlogskinderen: ietwat moedeloos en schichtig in de knop, maar niettemin verrassend veerkrachtig te midden alle tragiek. Kortom, een vat vol tegenstellingen waaruit De Maeyer en Kende maar al te graag leken te putten. Zij was niet alleen technisch secuur, haar vioolspel was ook meeslepend en geanimeerd, met vingers die in de finales als een uitgelaten tarantula over de snaren bewogen. Hij toonde zich fijnzinnig, en kwam waar passend of nodig gevat en krachtig uit de hoek. Toch was het vooral de interactie tussen beide die de grootste pluim verdiende: de resultante van een hecht partnerschap dat al vele jaren meegaat. Het toemaatje ten slotte, het eerste van Dvořáks Romantische Stücke (opus 75), was in tegenstelling tot wat vooraf ging een lichter verteerbaar hapje, zowel voor de uitvoerders als het publiek. Maar o wat een verrukkelijke melodie …, een oorwurm die de soundtrack leverde bij het even zinvol als interessant filosofisch intermezzo waarin Els Janssens de westerse, Chinese en Indische tijdsbeleving vergeleek.

Onbekende pareltjes

Headliners op deze tweede dag waren Olivier Messiaen met zijn religieus geïnspireerde Quatuor pour la fin du temps en de Midden-Europese tijdgenoten Bartók, Janáček en Kodály, wiens weltschmerz door papa Kende werd geïnterpreteerd. Vier jonge componisten van eigen bodem – Maarten Van Ingelgem, Frederik Neyrinck, Diederik Glorieux en Mathias Coppens – lieten zich elk door een deel van Messiaens zonderlinge kwartet inspireren tot een eigen stuk, dat door het Odysseia ensemble in première met zijn bron werd verbonden. Daarbij werd er vrank en vrij geëxperimenteerd met de ruimte, andere media, de plaatsing van de muzikanten en natuurlijk de instrumenten zelf: origineel en fascinerend, dat zeker, maar soms ook niet meer dan hol effectbejag. Bovendien, en belangrijker nog, was de muziek lang niet altijd bij machte om te raken. En dus bleven toch vooral de Louanges bij, waarin de bedwelmende solopartijen van cello en viool waarlijk tijdloze schoonheid evoceerden. Onder de noemer Litost, een Tsjechisch woord voor kwelling, gooide Levente Kende het vervolgens over een pessimistischere boeg. Maar een gesel was zijn spel allerminst, ook al maakte de man er een marathon zonder pauzes van. Kende ademt deze taalgebonden Hongaars-Moravische muziek en maakte indruk door zijn niet aflatende ernst en gevoel voor nuance. “Bij de eerste noot moet je het al waarmaken”, zo zegt hij zelf, iets wat ook lukte tot het bittere einde.

En toch, en toch. Hét hoogtepunt van deze mooie zondagnamiddag, en wat mij betreft van het hele pianofestival, lag op dat moment reeds in het verleden: de cd-voorstelling Van Ouverture tot Vorspiel van het gloednieuwe projectensemble deCompagnie. Helaas, het schijfje zelf was  niet voorradig, want bleek nog in de mix te zitten. Meteen het enige betreurenswaardige feit, want verder haalde dit voorprogramma met openingsmuziek voor diverse bezettingen, tevens de vuurdoop van dit jeugdige zevental, enkele onbekende pareltjes vanonder het stof. Elise Sechter, Jean-François Seraphin, Johan von Brülh, …: ze doen allicht geen belletje rinkelen, maar schreven wel kamermuzikale preludes om van te snoepen. En wie het kleine niet eert, enzovoort. Maar daar bracht deCompagnie dus met veel panache verandering in, nota bene in ware surround stijl: een uitzonderlijke belevenis. Met een uittreksel van de Transkription von die Ouvertüre Atlas van von Brülh krijgt u alvast een voorsmaakje waaraan alle instrumenten participeren, maar het is dus vooral uitkijken naar de cd zelf die nog vele andere, onontdekte kleinoden in petto heeft.

(On)rust heerst

Zo zijn we bij de extra-time aanbeland. Het (voorlopige) einde waarin, in de frêle woorden van dichteres Maud Vanhauwaert, zowel de onrust heerst als de rust regeert. En dat verschilt ternauwernood van het begin. Afwisselend met Mathias Coppens and friends breide zij een persoonlijke coda aan deze meer dan geslaagde ode aan de toetsen. Aarzelend, mijmerend, feeëriek, zoals de muziek, kreeg die op een plechtige, ja zelfs transcendente wijze echt het allerlaatste woord: met een processie rond het eerbiedwaardige instrument waar het een weekend lang om te doen was.  

Op 21 en 22 september klopte het muzikale hart van Antwerpen op het 'k Luister Klavierfestival. Mede mogelijk gemaakt door een uitstekende organisatie. Er komt zeker een tweede editie volgend jaar, kondigde productieverantwoordelijke Ilse Stroobant na afloop aan, ook al is nog niet duidelijk onder welke vorm precies. Maar dat het opzet ook nu doordacht zal zijn, zoveel is wel zeker. Muziek mag dan al de tijdskunst bij uitstek zijn, wat “Infinizio” vooral duidelijk maakte was dat klassieke muziek paradoxaal genoeg tijdloos is. In al zijn facetten. Iets waar je, kortom, je ganse leven zoet mee bent. En dat is een bijzonder rustgevende gedachte.