“Een ganse groep leiden, zoiets geeft een kick”

Hij groeide op in de blazerswereld en was eigenlijk voorbestemd om trompettist te worden, maar zag meer kansen om een loopbaan uit te bouwen met de viool. Een goede keuze, zo blijkt, want Jo Vercruysse schopte het tot concertmeester bij het Symfonieorkest Vlaanderen. 

“Een ganse groep leiden, zoiets geeft een kick”

Hij groeide op in de blazerswereld en was eigenlijk voorbestemd om trompettist te worden, maar zag meer kansen om een loopbaan uit te bouwen met de viool. Een goede keuze, zo blijkt, want Jo Vercruysse schopte het tot concertmeester bij het Symfonieorkest Vlaanderen. “Je moet altijd paraat staan, binnen en buiten het orkest, en de eigen partij perfect kunnen spelen. Op die manier win je aanzien.”

Meimaand, lentemaand, ook in Gent. De Bijlokesite aan de oevers van de Leie baadt in een stralende zon. Uit een van de openstaande ramen van de Operastudio Vlaanderen klinkt een sopraanstem. Ik heb een afspraak iets verderop in de foyer van het Muziekcentrum. Over enkele uren zal het Symfonieorkest Vlaanderen hier zijn laatste concert van het seizoen 2011-2012 spelen, met op het programma Copland, Mozart en Schumann.

Jo Vercruysse (°1967) blijft er zichtbaar rustig onder. De minzame West-Vlaming kreeg de muziek met de paplepel binnen. Zijn vader was een muzikale duizendpoot: docent, dirigent en  beroepsmuzikant. Als trombonist speelde hij mee in wat toen nog de Koninklijke Opera van Gent noemde. “Ik was gefascineerd door al datgene wat mijn vader deed en ging al heel jong overal met hem mee. Hij heeft mij leren spelen. Op mijn vijf jaar stopte hij me een cornetje in handen en mocht ik eindelijk beginnen blazen. Vandaar dat ik aanvankelijk ook verder stond als trompettist dan als violist.”

Muzikaal bloed

Muziek zit de familie Vercruysse in het bloed. De broer van Jo is professioneel hoornist en ook zijn zussen kregen een muzikale opleiding, hoewel geen van beide vandaag beroepshalve met muziek bezig is. “Ik was een beetje jaloers op mijn zus die viool deed en heb dan aan mijn vader gevraagd of ik ook mocht. In het begin ging dit nogal moeizaam. Het duurt langer om resultaat te halen op een strijkinstrument dan op een blaasinstrument. Maar mijn vader heeft mij aangespoord om vol te houden, totdat op de leeftijd van twaalf, dertien jaar de klik kwam en ik de viool echt in de vingers begon te krijgen.”  

Wanneer Jo op achttienjarige leeftijd start aan het conservatorium van Brussel, kiest hij toch voor trompet. Maar omdat de professionele mogelijkheden als strijker groter waren én zijn vaste mentor Manu Mellaerts kort voor de technische proef onverwachts plaats moest ruimen voor een docent met totaal verschillende opvattingen, opteerde hij een jaar later alsnog voor de viool. “Spijtig, maar het is een keuze die ik mij niet beklaag, want achteraf is gebleken dat het de juiste weg was.” En inderdaad, ondertussen is Jo al meer dan 10 jaar concertmeester bij het  Symfonieorkest Vlaanderen en heeft hij al behoorlijk wat watertjes doorzwommen. “Ik behaalde in Brussel de eerste prijs in de klas van Kati Sebestyén en begon kort nadien te remplaceren bij verschillende orkesten, onder andere ook in de Vlaamse Opera. Daar merkte toenmalig chef-dirigent en artistiek directeur Rudolf Werthen mij op, en die heeft me gevraagd voor zijn ensemble I Fiamminghi.” Bij deze gereputeerde strijkersgroep groeide de jonge twintiger uit van tuttist tot concertmeester, totdat de subsidies opdroogden en hij noodgedwongen andere horizonten moest opzoeken.

Zo kwam Jo in september 2001 als concertmeester bij het Symfonieorkest terecht. Een rol die hij ondertussen ook vervult bij het kamerorkest Prima La Musica van Dirk Vermeulen (sinds 2002). “Het Symfonieorkest Vlaanderen is geen fulltime orkest. De muzikanten hebben geen maandsalaris zoals op andere plaatsen het geval is, maar worden daarentegen betaald per repetitie en per concert. Tot vorig jaar werden de programma's nog verdeeld over twee concertmeesters. Doordat ik maar de helft van de producties speelde, kon ik dit combineren met andere orkesten en kamermuziek (Jo speelt eerste viool bij het Amici Della Musica strijkkwartet, heeft samen met zijn vrouw, de klarinettiste Evy Van Dongen, en Jan Lust een pianotrio en is bovendien lid van Grupetto: een muziekensemble dat zich toelegt op de ontspanningsmuziek van begin 20ste eeuw, nvdr.) maar dit ligt nu een stuk moeilijker. Wel geef ik ook nog halftijds les aan de muziekacademie van Waregem. Zelf spelen en lesgeven, zorgt voor een leuke afwisseling.”

Tweede dirigent

Het is ook in Waregem dat Jo zijn eerste stappen als primarius zette. Al doende, want specifieke masterclasses die een violist daartoe opleiden, zijn er niet. “Er bestond aan de academie een kamerorkest waar jonge muzikanten het samenspel in de vingers kregen en de stiel van aanvoerder of concertmeester leerden. Dat orkest is geleidelijk uitgegroeid tot een semi-professioneel strijkersensemble dat tot 2002 heeft bestaan.” Jo leerde er wat het is om een orkest aan te voeren. “Als concertmeester geef je niet alleen leiding aan je eigen groep, de eerste violen, maar ben je ook de rechterhand van de dirigent. Er dient echt een goede wissel-werking te zijn tussen beide. Je moet zijn slag perfect kunnen volgen. Als daar een vertraging op zit, dan is dat nefast voor het samenspel. Het is ook de bedoeling de dirigent op zijn gemak te stellen en zijn verlengstuk te zijn in het orkest. Het is daarom een pluspunt als je dezelfde eigenschappen en opmerkingsgave hebt, want je moet in eerste instantie proberen om zijn motivatie, muzikale ideeën en vragen aan de muzikanten over te brengen. Om de dirigent bij te staan en meer inzicht te krijgen in het samenspel, kent een goede concertmeester ook de ganse partituur.”

Daarnaast zijn er ook praktische kanten aan het concertmeesterschap: samen met de dirigent een repetitieplanning opmaken en de muzikale vorderingen bewaken, mededelingen doen, audities bijwonen, enzovoort. “Een concertmeester is bij alle audities aanwezig, zowel van de strijkers, de blazers als het slagwerk. Hij moet dus op de hoogte zijn van verschillende instrumenten. Maar door mijn verleden als trompettist heb ik natuurlijk het voordeel te weten wat het is om een blaasinstrument te spelen.” Ook bij de programmatie is Jo betrokken. Samen met enkele collega-muzikanten en een aantal mensen van de Raad van Bestuur zetelt hij in de Artistieke Raad van het Symfonieorkest. Die komt verschillende keren op een seizoen samen om gezamenlijk toekomstige projecten te bespreken. “Iedereen kan werken voorstellen, maar er moet wel een beetje een lijn inzitten. Er wordt bekeken welke stukken bij elkaar passen, welke solisten we kunnen vragen en welke programma's voor de vaste chef-dirigent kunnen zijn en welke aan een gastdirigent zullen gegeven worden.”

Leidersfiguur

Wat hem het meest aanspreekt in de rol van concertmeester? “De verantwoordelijkheid is natuurlijk een uitdaging. Een ganse groep kunnen leiden, zoiets geeft een kick. Je moet van nature ook een beetje een leidersfiguur zijn, charisma hebben en een zekere autoriteit uitstralen”, zo benadrukt Jo. “Tegelijk dien je ook tactvol en diplomatisch te zijn, een luisterend oor als het ware. Je moet altijd paraat staan, binnen en buiten het orkest, en de eigen partij perfect kunnen spelen. Op die manier win je aanzien. Maar het is niet makkelijk om die verschillende rollen te combineren. Het ene moment moet je immers het ganse orkest meetrekken, het andere moment heb je een aartsmoeilijke solo. Dat vraagt veel inspanningen en brengt wel wat druk mee, maar die moet je zien om te buigen in positieve energie. Het is namelijk nog altijd het leukste als alle elementen goed zitten en je op een hoog niveau kan musiceren.” 

We zijn tweeënhalf uur voor aanvang van het concert. Het is tijd voor de raccord: een zitrepetitie bedoeld om de akoestiek van de zaal uit te testen en een goede balans te maken met alle musici. De sfeer is ontspannen, het belangrijkste werk reeds achter de rug. Voor elke productie van vier à vijf concerten repeteert het Symfonieorkest Vlaanderen een drietal dagen, van half tien tot half vier, steeds in blokken van anderhalf uur. Zo nodig worden enkele blokken ingeruimd om samen met de solist te werken. “Soms heeft de solist een vraag of een voorstel over de speelwijze. Als dat idee goed bevonden wordt, dan stap je daar als orkest in mee. Je moet de solist zijn vrijheid laten en niet je eigen wil opdringen door voor hem te gaan spelen. Net als een dirigent moet ook de solist op zijn gemak gesteld en ondersteund worden, bijvoorbeeld bij een ritmisch moeilijke passage. Als concertmeester heb je daar een zeer belangrijke rol in. En uit ervaring weet ik wat het is om solo te spelen.”

De voorbije week werd het programma van vanavond reeds ten gehore gebracht in Brussel en Brugge. Chef-dirigent Seikyo Kim laat het orkest verschillende passages uit de drie stukken doorspelen en geeft daarbij nog wat aanwijzingen. Plots staat hij op en doet een toertje in de zaal. De balans van het orkest tegenover de solisten blijkt toch nog niet helemaal goed te zitten. Jo is vol lof over de samenwerking met de joviale Japanner. “We vullen elkaar zeer goed aan. Seikyo houdt niet alles dwangmatig vast, maar respecteert enorm de muzikale lijnen en geeft de muzikanten de vrijheid om hun eigen interpretatie aan een muziekwerk te geven. Hij laat zeer duidelijk zien wat hij wil door zijn gebaren. Een goede dirigent moet niet altijd veel praten, maar het vooral tonen door een soepele gestiek. Te veel uitleggen of afspreken, kan belemmerend werken.”

Nog drie kwartier en de musici moeten het podium op. Tempo, dynamiek, samenspel, goed naar elkaar luisteren: meerdere factoren samen maken of het concert een succes zal worden. Maar nog belangrijker is volgens Jo om het technische aspect te overstijgen. Want muziek heeft volgens hem op de eerste plaats toch te maken met gevoel. “Een partituur is een abstract gegeven dat tot leven moet worden gewekt. Je moet op het moment van de uitvoering zelf een speciale sfeer creëren en een bepaalde emotie op de toehoorders overbrengen. Zelfs al speel je moeilijke muziek, toch moet deze fris en levendig klinken, alsof het publiek het stuk voor de eerste keer hoort.”