Op 14 augustus overleed Michael Scheck, voor velen verrassend onverwacht. Het was alsof zijn altijd jeugdig enthousiasme een eeuwig leven uitstraalde.

Hij was de jonge hoboïst die in de zestiger jaren de toon aangaf bij de Antwerpse Filharmonie, hij was de oprichter van het Antwerps Bachkoor in de jaren 70, en hij sloot in de jaren 90, als allerlaatste, te beginnen vanaf Peter Benoit, de rij af van de directeurs van het Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen. En nog zoveel meer. Want hij heeft allerhande initiatieven genomen, geleid of gestuurd, in een combinatie van rasecht muzikant zijn met een tactvol, diplomatisch inzicht: het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek, het Peter Benoitfonds, de werking van AMUZ en Laus Polyphoniae, het koorleven in Vlaanderen, enz. Michael had steeds respect voor de kunde van anderen en bleef mateloos geïnteresseerd in elk nieuw, jong talent.

Bevreemdend, tegendraads misschien, hoe hij, als buitenlander – Michael Scheck kwam op zijn 28ste als jonge Duitse hoboïst naar de Filharmonie van Antwerpen – hier, in ons land, steeds meer en meer een voortrekkersrol ging spelen in het promoten van de Vlaamse muziek. Nee, niet om één of andere canon na te jagen waarmee we onszelf een aureool kunnen verschaffen, maar gewoon uit nieuwsgierigheid naar zowel de muziek uit Rubens’ tijd als naar hetgeen hier de jongste generatie componisten presteert. En ook uit bezorgdheid én verantwoordelijkheidsgevoel voor het niet verloren laten gaan van een rijk muzikaal erfgoed. Vandaar de stichting van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek.

Michael Scheck werd geboren in Hamburg, in 1933, toen zijn vader, Gustav Scheck,  er fluitist was aan de Staatsoper. Het gezin verhuisde naar Berlijn waar Gustav Scheck professor dwarsfluit werd aan de Berliner Musikhochschule. Tekenend voor die tijd en de omstandigheden: omdat de katholieke kerk in Duitsland – in tegenstelling tot de Lutheraanse – weinig weerwerk bood aan het nazi-regime, ging het katholieke gezin Scheck over naar de Lutherse kerk. Vader Scheck: “Als de muziek van Bach goed genoeg was voor God, dan is de religie van Bach ook goed genoeg voor mijn kinderen!” Of nog: Paul Hindemith droeg in 1936 zijn fluitsonate op aan Gustav Scheck, maar de geplande première door Gustav Scheck en Walter Gieseking werd verboden door Goebbels.

Na de oorlog richtte Gustav Scheck mee de Musikhochschule in Freiburg op en werd er later ook rector. Hier kreeg Michael zijn opleiding. Maar vooral thuis, waar kamermuziek gemaakt werd, en oude muziek, met haar “Aufführungspraxis”, een ereplaats kreeg. Michael wisselde de viool voor hobo en na enkele aanvankelijke jobs, o.m. in het Siegerland-Orchester, belandde hij in 1961 als eerste hoboïst in de Filharmonie van Antwerpen. Omdat hij de kamermuziek niet kon laten, richtte hij samen met klaveciniste Christianne Wuyts en spitsbroeders van de Filhamonie, Jos Rademakers en Frans De Jongh, de “Camerata Belgica” op. Als hoboïst verleende hij toen ook zijn medewerking aan uitvoeringen van het Antwerpse Halewynkoor dat onder leiding van Hans Dirken stond en dat hij in dramatische omstandigheden overnam. Later, in 1973, richtte Michael Scheck zijn eigen Antwerps Bachkoor op dat tot 1991 bleef bestaan. Het was een koor van semi-professionele amateurs en professionele solisten, dat een zeer hoog niveau bereikte, een kweekvijver was voor toekomstige beroepsmuzikanten en… een broeihaard van oude-muziekadepten! Het Antwerps Bachkoor werd een begrip; ik herinner me prachtige prestaties in de feestconcerten van het Antwerpse Rubensjaar 1977. Internationale tournées volgden elkaar op en het werkterrein van Michael Scheck verplaatste zich volledig naar de koorwereld. Hij werd leraar koordirectie aan de Koninklijke Conservatoria van Antwerpen en Gent, docent op talrijke cursussen en jurylid in binnen- en buitenland. Hij werkte mee aan de herstructurering van de muziekscholen en het hoger kunstonderwijs in Vlaanderen.

En ja, zo gaat het in dergelijk verhaal: men wordt meegezogen in allerhande verantwoordelijkheden en uiteindelijk moet men adieu zeggen aan hetgeen men het liefste deed: zélf musiceren. Het overkwam Michael Scheck toen hij in 1991 de functie van directeur opnam van het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen; hij was de laatste in de rij directeurs vanaf Benoit tot in 1995, toen het Conservatorium opging in het “Departement Dramatische Kunst, Muziek en Dans van de Hogeschool Antwerpen”. Ondertussen wist Michael Scheck zijn invloed en diplomatie aan te wenden voor de oprichting van Studiecentrum voor Vlaamse Muziek, de Peter Benoitstichting een nieuw elan te geven (m.o.m. een grandioze Peter Benoit-dag in de Singel in 2001) en mee te werken aan de oprichting van AMUZ. En er is nog zo veel meer: de programmatie van de Europaliaconcerten, het Brussels Bachkoor, enz.

Michael kon behendig sturen, zonder autoritair zijn wil op te leggen; hij kon mensen bij elkaar brengen, soms met humor, soms met vasthoudendheid. Daarbij verloor hij nooit het vertrekpunt en einddoel uit het oog: muzikale kwaliteit. Een kwaliteit die hij zelf ten toon spreidde en oprecht bewonderde bij anderen.

Bovenaan de rouwbrief voor Michael Scheck staat een citaat uit een kort gedicht van Ringelnatz: “Am Himmel hoch erlosch im Licht ein Stern”
Het citaat werd gekozen door de familie. Aan hen, en in het bijzonder aan zijn echtgenote Kris, bieden wij onze innige deelneming aan.

Een ster is gedoofd, maar het licht dat hij uitstraalde blijft, zoals in het heelal, nog heel lang nazinderen.

Misschien nog iets persoonlijks:

Dierbare Michael,
Je was een geboren musicus met liefde voor het vak,
je was een leraar met oneindig veel doorzicht en geduld,
je was een directeur met gedrevenheid, plichtsbesef en diplomatie,
je was een mens met aandacht voor anderen,
je kon hen charmeren met schalksheid en voeden met wijsheid,
je was een vriend voor velen, en een vriend voor mij,
maar… je was niet onsterfelijk. Jammer.
Guido


  • WAT: In Memoriam Michael Scheck
  • FOTO’S: © Guy Tops (kleurenfoto) en AMUZ (zwart-wit foto)