In tijden waarin de 24 uurseconomie op volle toeren draait en we onszelf in de dagelijkse ratrace weer eens voorbij hollen, is het een bijzonder schaars goed geworden: traagheid. Genoeg reden voor het Concertgebouw Brugge om rond dit thema een tweedaags kunstenfestival op poten te zetten. In een reeks korte gesprekken stond SLOW (36h) onder meer stil bij de favoriete muziekwerken van zes musicologen. “Over elke noot kunnen we nog een kwartier doorpraten.” 

In tijden waarin de 24 uurseconomie op volle toeren draait en we onszelf in de dagelijkse ratrace weer eens voorbij hollen, is het een bijzonder schaars goed geworden: traagheid. Genoeg reden voor het Concertgebouw Brugge om rond dit thema een tweedaags kunstenfestival op poten te zetten. In een reeks korte gesprekken stond SLOW (36h) onder meer stil bij de favoriete muziekwerken van zes musicologen. “Over elke noot kunnen we nog een kwartier doorpraten.” 

We hebben er allemaal wel één en sommigen melomanen wellicht zelfs meerdere. Ik heb het over een lievelingscomponist. Mannen, hoogst uitzonderlijk eens een vrouw, zonder wiens muziek het leven gegarandeerd aan schoonheid zou inboeten. Ik reken mezelf tot de tweede, gulzige categorie. Want kiezen tussen Bach, Brahms of Beethoven is eigenlijk onzinnig: ze hebben allemaal werken geschreven die tot op vandaag menig hart beroeren en het is dan ook ontzettend moeilijk om te midden van al dat moois een absolute voorkeur uit te spreken.

Kill your darlings

Toch is het net deze hartverscheurende keuze die het Concertgebouw Brugge onder de noemer slow talks – een reeks gesprekken in het kader van het tweedaagse kunstenfestival SLOW (36h) – aan een aantal musicologen voorlegde. Wat is uw favoriete werk? Welk deel daarvan hoort u het liefst? En welke maat is u het meest dierbaar? Een hoogst uitdagende, maar tegelijk ook leerzame variant op het meedogenloze schrijversmotto “kill your darlings” dus. Want als er één soort is die op een onderbouwde manier de vinger kan leggen op precies datgene wat een muziekstuk zo speciaal maakt, dan is het wel de muziekwetenschapper. In totaal gingen zes van hen de uitdaging aan: Maarten Beirens, Ignace Bossuyt, Mark Delaere, Piet De Volder, Elise Simoens en Sofie Taes.

Het Concertgebouw maakte hun keuze op voorhand via zijn website bekend, en dat had echt niet gehoeven. Integendeel: nu was een groot stuk van de verrassing op voorhand reeds tenietgedaan. Jammer. Toch was de keuze om een heel andere reden toch opmerkelijk te noemen. Bij maar liefst vier sprekers viel de keuze immers op een werk uit de 20ste eeuw. Toehoorders die usual suspects als Mozart of Mendelssohn verwacht hadden, kwamen dus bedrogen uit. Liefhebbers van vocale muziek konden daarentegen hun hart ophalen aan een cantate van Bach en een lied van Schönberg.

Medisch onderzoek

Plaats van gebeuren waren de artiestenloges met uitkijk op de spitse toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Daar wachtte elk van de musicologen zijn of haar publiek, niet meer dan een handvol mensen, met een geluidsinstallatie en enkele kopieën van de partituur op. In processie ging het van loge naar loge. Het opzet had verdomd veel weg van een opeenvolging van doktersbezoekjes en deed zelfs even terugdenken aan het verfoeide medisch onderzoek in de lagere schoolperiode. Gelukkig werd deze voormiddag alleen maar de heilzame kracht van muziek voorgeschreven.  

De spits werd door Maarten Beirens afgebeten. Diens keuze viel op Heavy Smoke: de finale uit het vijfdelige City Life van Steve Reich (°1936) en meteen het meest recente werk op het programma. Daarin ging de Amerikaanse minimalist in 1995 aan het knutselen met stadsgeluiden, meer bepaald van zijn geboortestad New York. Voor het slotdeel werd gebruikgemaakt van tapes van conversaties tussen brandweerwagens en de centrale dispatching tijdens een bomaanslag op het World Trade Center in 1993. Het resultaat is een intens zenuwachtige en uitgepuurde compositie die baadt in een donkere, apocalyptische gloed. Weg is de onschuldige, speelse sfeer waarmee dit werk opent. Heavy Smoke is sinds zijn genese natuurlijk ook nog met andere, nog pijnlijkere herinneringen verbonden geraakt. De gebeurtenissen van 2001 verlenen het stuk tot op vandaag een grote actualiteitswaarde.

Maar waarom is dit nu Beirens’ lievelingswerk? De vraag werd in de korte uiteenzetting eigenlijk niet echt beantwoord en dus stelde ik ze maar zelf. “Omdat ik er één moest kiezen”, luidde het eerlijke antwoord. En ook wel een beetje omdat Beirens onderzoek had gedaan naar het oeuvre van Reich. Het was bovendien een pragmatische keuze, zo gaf hij toe. Dit stuk leende zich immers beter tot een presentatie van een kwartiertje dan pakweg het één uur durende Drumming. Elk van de sprekers had inderdaad maar een luttele vijftien minuten gekregen om zijn liefde voor zijn of haar muziekstuk uit te leggen: een tijdsbestek dat volledig haaks stond op het opzet van dit festival. Much better to do fewer things and have time to make the most of them, zo luidde – o ironie – de boodschap die uit het mij bij aankomst geoffreerde gelukskoekje tevoorschijn kwam. Ware het inderdaad niet veel beter geweest om het aantal musicologen te halveren en hen minstens dubbel zoveel tijd te gunnen?   

Allesbehalve vrijblijvend

“Over elke noot kunnen we nog een kwartier doorpraten”, zo gaf Ignace Bossuyt zelf het antwoord nadat de laatste klanken van het koraal Es ist genung uitgestorven waren. Dat de keuze van Bossuyt op Johann Sebastian Bach viel, hoeft niet te verwonderen. De emeritus is op de eerste plaats een specialist van de renaissancepolyfonie, maar heeft ook verschillende publicaties over Bach op zijn actief. Nog dit najaar verschijnt in de aanloop naar de Bach Academie Brugge (28 januari tot en met 1 februari 2015) een nieuw boek over de dood in Bachs cantates. Van bij aanvang van de anderhalve minuut durende afsluiter van de vijfdelige cantate O Ewigkeit, du Donnerwort (1723, BWV60) klinkt er iets vreemds in de oren: het is de tritonus oftewel de diabolus in musica die Bach op het woord genung componeert. Het resultaat is een dissonante, ietwat dreigende klank. Uit de enthousiaste toelichting die daarop volgt, blijkt dat Bach geen enkele noot geheel vrijblijvend op papier heeft gezet. Immer en altijd interpreteerde hij de tekst en worden contrasten ingebouwd, hetgeen op briljante wijze in de vierstemmige harmonisatie wordt vertaald.      

Ook Mark Delaere wees in zijn musicologische kamer op het grote belang van tekstinterpretatie, iets wat ook duidelijk mocht blijken uit Arnold Schönbergs lied Da meine Lippen reglos sind und brennen. Want een partituur functioneert in wezen op dezelfde manier als een geschreven, literaire tekst. In het geval van de liedcyclus Das Buch der hängenden Gärten (1908-1909) waaruit dit lied was geplukt, waren dat de gedichten van de Duitser Stefan George (1868-1933). Die worden in dit geval met zeer veel aandacht voor de tekststructuur getoonzet, waarbij de pianopartij de stem van nabij volgt. “Een heel mooi lied”, besluit Delaere, maar echt passioneel klinkt hij niet. Alweer een pragmatische keuze waarbij vooral de lengte van het stuk een doorslaggevende rol speelde?

Helaas geen tijd om bij deze vraag stil te staan, want in de volgende loge wachtte Piet De Volder ons al op. Die had voor de Aria II uit Igor Stravinsky’s eclectische vioolconcerto gekozen (W61), en ging wel meteen in op zijn fascinatie voor dit werk uit 1931. De Volder vertelde gefrappeerd te zijn door het snijdende geluid van het beginakkoord in combinatie met een herkenbare melodievoering die aan Bach refereert. Nochtans was Stravinsky het idee om een vioolconcerto te componeren aanvankelijk allesbehalve genegen, maar hij liet zich door de uitgever Willy Strecker en vioolvirtuoos Samuel Dushkin (1891-1976) overtuigen. Die laatste zou hem, net als Paul Hindemith overigens, met raad en daad bijstaan. Nog een leuk wist-je-datje: door de dansante kwaliteiten is het vioolconcerto door George Balanchine (1904-1983) gebruikt in diens choreografie getiteld Balustrade (1941).      

Philippus wie?

Met Elise Simoens verscheen vervolgens de eerste vrouwelijke musicologe in de rij. Oorspronkelijk was haar keuze op één van de 7 Frühe Lieder van Alban Berg gevallen, maar die werd te elfder ure nog gedeeltelijk aangepast. Berg mocht weliswaar blijven, maar uiteindelijk kregen de toehoorders een korte initiatie in diens opus 1, een pianosonate die in de jaren 1907-1908 werd gecomponeerd. Een extreem fascinerende periode, zo verdedigde Simoens haar keuze, toen het in Wenen volliep met geniale kunstenaars, wetenschappers en filosofen, door Arnout Weeda mooi beschreven in Het mysterie van Wenen. Daarnaast bestond rond de eeuwwisseling ook een opmerkelijke contradictie tussen de schoonheidscultus van de bourgeoisie en de harde, miserabele werkelijkheid van het dagelijkse leven. Maar ook Berg was ervan overtuigd dat alles wat puur esthetisch is geen enkele culturele waarde had. En zijn antwoord was heel rijke, compacte, tegelijk ronduit emotionele en bijzonder spitsvondige muziek waarin hij de extremen opzocht zonder evenwel van de traditionele middelen afstand te nemen.    

Als laatste “slowtalk mochten we bij Sofie Taes op visite, meteen de enige van wie we het muziekstuk niet op voorhand kenden. En toegegeven: haar keuze was ook meteen de meest verrassende. Want van ene Philippus de Caserta had ik tot voor vandaag nog nooit gehoord. U wel? Deze Italiaans componist, die naar men vermoed een tijdje actief is geweest aan het hof van antipaus Clemens VII, toonde zich in de late 14de eeuw zeer bedreven in het componeren van ballades in het genre van de ars subtilior. En attendant is zo’n ballade die traditioneel uit drie langere en een laatste, kortere stanza bestond. Volgens Taes symboliseren deze werken hoe het Middeleeuwse repertoire een complex netwerk is van zowel muzikale als talige referenties, verwijzingen, inspiraties, kleine hints en clous die de componisten in hun werk voor elkaar en de luisteraar hadden verborgen. Originaliteit kreeg toen immers een heel andere invulling dan vandaag en de spreekster illustreerde dit aan de hand van enkele sprekende voorbeelden.

Ondanks enkele spijtige mankementen was dit toch een zeer vermakelijke voormiddag.