Hoogste adellijke voorgeschiedenis

Grootvorst Vladimir Aleksandrovitsj Romanov van Rusland (1847-1909) was de derde zoon van Tsaar Alexander II (1818-1882). Vladimir was voorzitter van de Academie van de Schone Kunsten, en een liefhebber van kunst en literatuur en omringde zich met acteurs, zangers en schilders.

Hoogste adellijke voorgeschiedenis

Grootvorst Vladimir Aleksandrovitsj Romanov van Rusland (1847-1909) was de derde zoon van Tsaar Alexander II (1818-1882). Vladimir was voorzitter van de Academie van de Schone Kunsten, en een liefhebber van kunst en literatuur en omringde zich met acteurs, zangers en schilders.

Hij was acht jaar oud, toen zijn vader in 1855 de troon besteeg. Alexander II regeerde Rusland zesentwintig jaar. Op 13 maart 1881 kwam Tsaar Alexander II na  een bomaanslag om het leven. De tsaar werd opgevolgd door Vladimirs oudere broer Alexander III (1845-1894). Grootvorst Vladimir was gehuwd met Marie Alexandrine Elisabeth Eleonore van Mecklenburg-Schwerin (Maria Paulowna, 1854–1920). Maria Paulowna stond aan het hoofd van de Russische society. Alle bekende kunstenaars kwamen  op het paleis van de voorzitter van de Academie van Schone Kunsten, een functie die Maria na de dood van haar echtgenoot had overgenomen.

Grootvorst Sergei, een jongere broer van Grootvorst Vladimir, werd in 1905 door  Iwan Platonowitsch Kaljajew (1877-1905) vermoord. Albert Camus nam deze gebeurtenis als onderwerp voor zijn toneelstuk “Les justes”. Camus schreef het toneelstuk in 1949 als reactie op het toneelstuk “Les Mains sales” uit 1948 van Jean Paul Sartre. Enkele dagen na de moordaanslag bezocht  Elizabeth Feodorovna, de weduwe van  Grootvorst Sergej,  Kaljajew in de gevangenis met het verzoek om boetedoening. Hij weigerde en werd opgehangen. Grootvorstin Elizabeth Feodorovna (1864-1918) die  overigens de oudere zus was van prinses Alice, (Tsarina Alexandra Fjodorovna) gemalin van  tsaar Nicolaas II, trad als weduwe vervolgens in het door haar gestichte Martha en Mariaklooster (Marfo-Mariinsky) en werd er abdis. In 1918 werd zij door de Bolsjewieken vermoord. Het klooster werd ontworpen in Novgorod-stijl door Alexey Viktorovich Shchusev (1873-1949). In 1924 ontwierp Shchusev, in drie dagen tijd, een gebouw  in donkerrood graniet en zwart labradoriet, geïnspireerd door de trappenpyramide van Djoser en het mausoleum van de Achaemenidische stichter van het Perzische Rijk, Cyrus II. (de Grote) in  Pasargadae in Iran. Het betrof… het mausoleum op het Rode Plein in Moskou voor Lenin. De kleuren symboliseerden het verdriet van het volk en de kracht van Lenins eeuwige wijsheid…

Elisabeth is door de Russisch-orthodoxe Kerk gecanoniseerd in 2002. Elisabeth had haar zus, Tsarina Alexandra Fjodorovna ervan proberen te overtuigen de invloed van Raspoetin terug te dringen, maar Alexandra weigerde. Elisabeth vroeg hierna aan haar vriendin Zinaïda  Joesoepova (1861–1939) om de invloed van Raspoetin in te perken, maar ook dat lukte niet. Zinaïda's zoon, prins Felix Joesoepov, gehuwd met Irina Aleksandrovna Romanova, een nicht van tsaar Nikolaas II., vermoorde daarop samen met Dimitri Pavlovitsj Romanov (1891–1942), grootvorst van Rusland, de enige zoon van grootvorst Paul Aleksandrovitsj, Raspoetin. De gruwel kon beginnen.

Elisabeth, die zich tien jaar na haar huwelijk met de hulp van haar vriendin Zinaïda Joesoepova tot de Russisch-orthodoxe Kerk had bekeerd, gaf na de moord op haar echtgenoot, al haar juwelen aan de stichting van een klooster dat in de zorg voor arme en behoeftige zieken voorzag. Ze verkocht haar meest kostbare bezittingen en kocht een klein stuk grond in het zuiden van Moskou om een klooster te bouwen. Op het stuk grond liet Elisabeth onder andere een ziekenhuis, een meisjesweeshuis en kamers voor de 97 zusters bouwen. Het interieur werd geschilderd door de  Russische schilders Pavel Korin en Michail Nesterov, die ook de parelgrijze en witte habijten van het klooster ontwierpen. Nesterov behoorde als schilder tot de groep “De Zwervers” (Peredvizjniki). Later werd hun sociaal-kritisch realisme het voorbeeld van de Sovjet kunst, het socialistisch realisme.

Le Sacre en de Slavische literatuur

Stravinsky haalde in 1916 het verhaal over de vos voor zijn pantomime “Renard”,  bij Afanasiev, en ook Charles Ferdinand Ramuz (1878-1947) haalde in 1917 het verhaal over de soldaat  („L'Histoire du soldat“) bij Afanasiev. Le Sacre du Printemps verklankte de rituele dansen van het oud-Slavische Semik- en Koepala-feest bij de Skythen die de Russen beschouwden als hun slavisch-mythische voorouders. In 1915 zou ook Prokofjev een ballet/suite wijden aan dit gegeven, nl. in zijn Scytische  “Ala i Lolli” (Ala was de dochter van de god van de aarde  Veles). Daarnaast putten Stravinsky en Roerich inspiratie uit de gedichtenbundel “Yar” (1907) van Sergej Gorodetsky (1884-1967).

Tot deze bundel behoren een aantal gedichten rond de zonnegod “Jarilo”  waarin een meisje geofferd wordt aan de zonnegod. Stravinsky kende de gedichten goed omdat hij in 1907-1908 twee “Mélodies”  (op. 6) had gecomponeerd op twee gedichten  uit die bundel. Ook de historische opera “Rogneda” uit 1865, van de muziekcriticus Alexander Serov (1820-1871), die zich afspeelt in het Kiev van het eind van de Gouden Eeuw (10de eeuw), bevatte elementen die in Le Sacre terugkomen. De opera van Serov was gebaseerd op de novelle “Askolds Graf” 1833) van Mikhail Zagoskin (1789-1852) en op het gedicht “Rogneda” (ca. 1825) van  Kondrati Fjodorowitsch Rylejew (1795-1826).

In de opera over Vladimir (de Heilige) en zijn vrouw Rogneda, voert Serov  een priester en offeraars van Perun, een Varjaagse heks (Skul’da), een skomorokh (harlekijn),  gevangen Petsjenegen (Turkse huurlingen die in het Byzantijnse leger dienden) en Varjagen (vikings) die Kiev-Roes stichtten, ten tonele. Perunu was de Slavische  dondergod. Tot de Gouden  Eeuw stond  er in Kiev een beeld van deze god  met een zilveren hoofd, koperen baard  en een gouden snor. Perunu was van oorsprong een akkerbouwgod. Hij werd in tijden van droogte aangeroepen teneinde regen te verkrijgen. Daartoe zouden naakte, met bloemen versierde maagden in een magische kring in het rond dansen, terwijl ze door middel van alcoholische dranken of andere geestverruimende middelen, in trance werden gebracht. In de 10e eeuw werd zijn verering afgeschaft door Vladimir van Kiev en vervangen door de christelijk-Byzantijnse ritus, waardoor Vladimir Heilig werd verklaard.

Sergej Gorodetsky leidde samen met Nikolay Gumilyov (1886-1921) de dichtersgroep “Acme”of  “Dichtersgilde”. Tot die groep behoorden Anna Akhmatova (de vrouw van Gumilyov), Kuzmin, Mandelstam en Georgiy Ivanov. Ze kwamen samen in het café Podval Brodyachy Sobaki (De verdwaalde hond) aan de  Ploshchad Isskustv in Sint-Petersburg en ontmoetten er Velimir Khlebnikov, Vladimir Mayakovsky, Marina Tsvetaeva, Boris Pasternak,  Sergei Esenin  en  Alexander Blok. Met de term “stikhiya” bedoelde Alexander Blok “volkse spontaneïteit”. “De tragedie van de moderne mens is zijn vervreemding van de aarde”, aldus Blok. Mede deze gedachte leidde tot de cultus van de aarde en tot  “Le Sacre du Printemps”.