In 2011 wordt de tweehonderdste geboortedag van de Hongaarse pianovirtuoos en componist Franz Liszt uitgebreid gevierd. Daar konden zelfs de organisatoren van de Haydn-Biënnale niet omheen. 

In 2011 wordt de tweehonderdste geboortedag van de Hongaarse pianovirtuoos en componist Franz Liszt uitgebreid gevierd. Daar konden zelfs de organisatoren van de Haydn-Biënnale niet omheen. De Belgische pianist Lucas Blondeel bracht in het Augustinus muziekcentrum (AMUZ) in Antwerpen een passend eerbetoon aan beide grootheden van de klassieke muziek. 'Noot per noot kan je proberen zingeving te vinden in de muziek.'

Ik ontmoet hem in het ouderlijke huis in hartje Antwerpen. De woonkamer straalt een uitzonderlijke sereniteit uit. Kunstwerken, metershoge boekenkasten en een imposante muziekinstallatie domineren de ruimte. Na afloop van het interview neemt Lucas Blondeel graag nog even plaats aan de piano. Een Bösendorfer. De jonge musicus leeft zichtbaar op. Klanken vullen de ruimte. Hij lacht ietwat verlegen wanneer Chopins ballade in f mineur niet meteen wil vlotten en excuseert zich tot tweemaal toe. De schizo-frenie van de pianist waarover eerder sprake was, lijkt dan toch weer niet zo groot.

Alhoewel. In het verjaardagsconcert dat Lucas op 22 oktober 2011 speelde, had de Belg wel een goed oor. Precies de dag waarop de Hongaarse klaviermeester Franz Liszt tweehonderd jaar geleden het levenslicht zag, was deze kleurrijke superster de eregast op een concert in het kader van de Internationale Haydn-Biënnale Vlaanderen (7 oktober – 20 november 2011). Dit authentiek “Wiener Klassik-festival”, georganiseerd door het Mechelse Haydn-Genootschap, wil tijdens acht concerten in evenveel prachtige, historische locaties anderhalve maand lang het universele karakter van de klassieke muziek benadrukken.

Allegro vivace: inleiding

Hoe bereidt u zich voor op een concert zoals dat in het kader van de Haydn-Biënnale?

Lucas Blondeel: Twee elementen zijn daarbij bepalend.

De voorbereiding op lange termijn is afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de stukken en of ik deze al eens voor een publiek heb gespeeld. Voor nieuwe stukken moet ik zeker een aantal maanden uit-trekken om deze in de vingers te krijgen. Het stuk dat ik zaterdag heb gespeeld, Malédiction van Franz Liszt, is zo een onbekend werk. Dan koop ik de partituur een half jaar op voorhand en schat in hoeveel tijd ik nodig heb om het stuk in te studeren. Met Malédiction ben ik uitein-delijke tweeënhalve maand intensief bezig geweest om de technische moeilijkheden te over-winnen.

De laatste dagen voor een concert is afhankelijk van de situatie. Voor dit verjaardagsconcert ben ik naar Tsjechië getrokken om met het orkest (de Sudböhmische Kammerphilharmonie Budweis o.l.v. Jaroslav Krček, nvdr.) te repeteren. De dag van het concert zelf probeer ik vooral goed uit te slapen en mij te concentreren. Ik las ook altijd minstens tien minuten een meditatie in om tot mezelf te komen en de stress wat af te schudden, want die is er zeker bij het spelen van nieuwe stukken nog altijd.

Vanwaar de keuze voor Malédiction uit de enorme productie van Liszt?

Blondeel: Malédiction is een stuk voor piano en kamerorkest. Het repertoire van Liszt voor deze bezetting is beperkt en de keuze gebeurde daarom op vraag van het orkest. Ik ben er wel heel blij om, want het is een spannend werk. Voor dit specifieke concert wou de privé-organisator, het Haydn-genootschap, omwille van diens tweehonderdste verjaardag naast Joseph Haydn ook Liszt op het programma van haar biënnale. Die combinatie is niet totaal onlogisch. Liszt heeft als knaap waarschijnlijk nog meegespeeld in het orkest van Haydn en ook een aantal jaren les gevolgd bij diens leerling, Carl Czerny. Er zijn dus best wel banden tussen beide componisten, ondanks het zeer grote verschil in temperament.

Op basis van welke maatstaven beoordeelt u uw prestatie tijdens een recital?

Blondeel: Dat is een moeilijke vraag, een strikvraag zelfs. Als muzikanten worden we namelijk een beetje gedwongen tot een bepaalde schizofrenie. Tijdens het studieproces moeten we altijd extreem kritisch zijn, soms tot in het deprimerende af. Als je echt beter wil worden,  moet je steeds opnieuw werken aan de details om de ziel van het stuk nog beter tot leven te brengen. Op het podium moet je dat uiteraard allemaal vergeten, genieten en er het beste van maken.

Na elk concert verplicht ik mezelf om altijd tevreden te zijn, laaiend enthousiast zelfs, alvast naar de buitenwereld. Organisatoren en publiek hebben er immers geen boodschap aan dat één en ander misschien beter had gekund, dat het tempo misschien niet stabiel genoeg was of bepaalde passages niet helemaal duidelijk klonken. Voor mezelf maak ik uiteraard wel een lijstje op met elementen die de volgende keer beter kunnen. Om telkens weer dat zelfvertrouwen uit te stralen moet ik wel tevreden genoeg zijn over mijn spel. Het heeft toch een aantal jaren geduurd alvorens mij dit lukte.

Zijn er pianisten uit de huidige en voorbije generatie die als performer door u als voorbeeld worden beschouwd?

Blondeel: Een concert is sowieso een performance, maar wordt weliswaar vaak veel te weinig als een geheel betracht waarbij ook locatie en belichting belangrijk zijn. Zeker in kleine zalen probeer ik altijd een korte inleiding te geven. Je moet er uiteindelijk een beetje een totaal-spektakel van maken. Het moment dat je de backstage verlaat, zet je een masker op en begint het toneel. Dat zou Liszt ook gezegd hebben. Zonder te faken natuurlijk. De voorstelling, het in de muziek zijn, begint op het moment dat je het podium betreedt.

Er zijn pianisten die dit gegeven op heel uiteenlopende manieren invullen en die ik daarom om verschillende redenen bewonder. Je hebt bijvoorbeeld het 'berentype': hedendaagse pianisten zoals Radu Lupu of Grigory Sokolov, maar vroeger ook Svjatoslav Richter en Clara Haskil, die het absoluut niet nodig vinden of hebben om op een andere manier met het publiek te communiceren dan door de muziek. Het zijn mensen met een enorme uitstraling die alle aandacht van de zaal naar zich toe trekken door de kracht van hun persoonlijkheid.

Dan heb je pianisten die het op het podium veel meer van hun spontaneïteit en enthousiasme moeten hebben. Zo heb ik een enorme bewondering voor de Noorse pianist Leif Ove Andsnes. Die heeft een heel sympathiek imago en komt communicatief over, maar benadert de muziek ook met ontzettend veel eerlijkheid. In ieder geval bewonder ik altijd meer de muzikanten die spelen met respect voor de partituur en vanuit de kracht van de muziek proberen een publiek te ontroeren.

Ten slotte heb je ook pianisten zoals een Lang Lang, het typische voorbeeld dat iedereen kent, die op het podium komen gestormd met een grote glimlach. En voor sommige stukken, zoals het pianoconcerto van Mendelssohn of de Hongaarse rapsodieën van Liszt, werkt dit wel enorm aanstekelijk. Jammer genoeg mondt dit echter snel uit in een show met minder respect voor de stukken. Belangrijk voor mezelf vind ik in ieder geval om innig en authentiek te blij-ven met de muziek en toch een sympathieke uitstraling te hebben. Ook omdat ik van mezelf weet dat ik nooit dezelfde uitstraling als een Richter zal hebben.  

Largo appassionato: midden

U bent een leerling van de Hongaars-Vlaamse pianodocent Levente Kende. Affiniteit met de in Hongarije geboren pianovirtuoos Liszt lijkt mij daarom vanzelfsprekend.

Blondeel: In mijn jaren aan het Antwerpse conservatorium ben ik effectief veel geconfronteerd geweest met de muziek van Liszt. Maar Liszt als Hongaar is voor een deel ook een Hongaarse mythe. Waar hij geboren is, was toen een deel van Hongarije, maar ligt nu in Oostenrijk. De grenzen in midden-Europa zijn sowieso heel vaak verschoven. Hij heeft een opleiding gehad in Wenen en nadien lang in Parijs, Rome en Weimar gewoond. Een echte Europeaan dus.

Maar zowel bij Liszt als Haydn liggen hun roots natuurlijk in de Oost-Europese volksmuziek, die beide veel hebben gehoord in hun jeugd. Ik kan van mezelf op geen enkele manier zeggen dat er zigeunerbloed door mijn aderen stroomt. Maar met het gevoel voor wrange ritmes en het swingende heb ik wel altijd veel affiniteit gehad. Ik moet eerlijk zeggen dat Liszt niet de componist is die ik tot hiertoe het meest heb gespeeld. Dat is bij mij veel meer Schubert en Schumann, hoewel ik veel van Liszts stukken enorm waardeer.

Tot uw repertoire behoren ook 20ste-eeuwse componisten, maar de nadruk ligt toch op de 'Weense klassieken' en de romantiek. Is dit een bewuste keuze of eerder een gevolg van uw opleiding?

Blondeel: Beide eigenlijk. In de opleidingen zoals wij ze kennen, tijdens examens en op piano-wedstrijden, wordt van pianisten verlangd dat ze alles kunnen spelen: van een prelude en een fuga van Bach tot een etude van Chopin, een Beethoven sonate en liefst ook nog een klassiek-modern stuk van Bartok of Prokofiev. Het is ook belangrijk om van alles geproefd te hebben, maar dat maakt het later ook moeilijk om je te lanceren als pianist en te tonen waar je het best in bent. Bij mij is dat inderdaad langzaam maar zeker gegroeid naar de Weense klassiek en de vroegromantiek. Maar ik heb ook veel Brahms en latere componisten gespeeld. Ik speel dus heel uiteenlopende stukken, wat mij slecht positioneert op de hedendaagse muziekmarkt die specialisten verlangt. Ik zou graag specialist in veel dingen willen zijn en probeer mij daarom enorm te verdiepen in het instrumentarium en de muziektheorie van de periode en de wereld van de componist die ik uitvoer.

Hoe belangrijk is het winnen van prijzen in de carrière van een recitalpianist?

Blondeel: Wedstrijden zijn geen genot, maar kunnen aan het begin van je studie fantastisch zijn omdat je heel veel repertoire op korte tijd moet instuderen. Zoiets is gewoon een zeer goeie oefening, ongeacht het resultaat. Soms zijn wedstrijden ook op een manier georganiseerd die heel leuk is. Zo maakte ik een wedstrijd in Spanje mee waar maar twintig kandidaten waren uitgenodigd en een enorme collegialiteit heerste. Zoiets kan heel positief zijn, los van het eindresultaat. Sommige ervaringen in pianowedstrijden kunnen daarentegen een terugslag veroorzaken. Uiteindelijk wordt je bij een tegenvallend resultaat door een vakjury afgewezen. Door diezelfde juryleden opgemerkt worden tijdens wedstrijden kan dan weer een kleine stap in de goede richting zijn en mensen overtuigen dat je serieus bezig bent. Maar wedstrijden brengen een type pianist naar voor die, zoals daarnet besproken, alles moet kunnen. Dat zijn misschien niet altijd de meest interessante persoonlijkheden. Het is vaak ook een consensus-figuur omwille van de verschillende smaken in de jury. Later in je carrière, wanneer je al een beetje gelanceerd bent, moet je goed nadenken of de tijd en investering in een pianowedstrijd zich loont. Het kan op dat moment een belangrijkere duw in de rug betekenen om een cd-project te realiseren, sponsors te vinden of kamermuziek te spelen met mensen die al verder staan dan jezelf. De pianowereld krioelt immers van de prijswinnaars die geen werk hebben. In dat opzicht is het winnen van een wedstrijd absoluut geen garantie op succes. Dit beseffen, is essentieel voor jonge musici. Bij de allergrootste wedstrijden ligt dat natuurlijk anders. Dit is zeker zo voor de Koningin Elisabethwedstrijd (KEW), ook al krijgt die vooral veel weerklank in België en Nederland. Sommige winnaars hebben wereldfaam, maar anderen hebben achter-af beschouwd een beperkte carrière gehad en zijn vooral bekend in de Lage Landen. De druk die de KEW legt op de schouders van een Belgische kandidaat is ook enorm. Maar voor de naambekendheid is het concours een onmiskenbare troef.

U hebt zich de voorbije jaren bijgeschoold in Berlijn bij professor Klaus Hellwig. Welke aspecten van uw spel heeft u op deze manier kunnen verbeteren?

Blondeel: De professor waarbij ik in Berlijn studeer, heeft een manier van lesgeven die het intel-lectueel-muzikale – het analytische aspect – combineert met een heel fysische benadering van pianospelen. Uiteindelijk kan er alleen maar muziek worden gemaakt door de toetsen op een bepaalde manier naar beneden te drukken. Er wordt soms te weinig de nadruk gelegd op de puur fysische manier waarop de beweging voor een optijd, een accent of een crescendo wordt voorbereid en georganiseerd.

Ik ben in Duitsland veel bezig geweest met deze combinatie. Enerzijds heel grondig de stukken proberen te begrijpen: wat wil ik in de muziek absoluut uitdrukken, wat heeft de componist willen bereiken met bepaalde structuren, ritmes en melodielijnen. Daarin kan je heel ver gaan. Noot per noot kan je proberen zingeving te vinden in de muziek. Soms op een heel analytische, koele manier, maar die geeft later de extra touche die de passie mogelijk maakt. Anderzijds heb ik veel aandacht besteed aan het fysische aspect, het gebruik van mijn vingers en armen, om meer diepgang en variëteit in mijn pianospel te brengen. Ik voel mij de laatste jaren veel vrijer musiceren, doordat ik dieper in de toetsen en de muziek kan gaan en  op die manier meer kan uitdrukken.

Berlijn is natuurlijk ook een ongelooflijke muziekstad. Je kan naar de beste orkesten en solisten gaan luisteren en je medestudenten zijn allemaal toppianisten waarvan je heel veel kan leren. Een klasconcert trekt een talrijk publiek. De eerste keer dat ik naar zo een concert ging luisteren, stond ik versteld van het niveau. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het niveau in België niet goed was, maar er is toch een wezenlijk verschil.

Hoe belangrijk is voor u een historisch correcte uitvoeringspraktijk?

Blondeel: Ik ben piano beginnen spelen op een pianoforte uit de antiekzaak van mijn ouders. Mijn interesse voor de historische uitvoeringspraktijk was dus op jonge leeftijd reeds aan-wezig. Die is verder gegroeid aan het conservatorium in Antwerpen, waar we cursussen konden volgen bij Jos van Immerseel. Ik heb daarnaast ook nog een hele tijd les gehad van

de Nederlandse pianofortespeler Bart Van Oort, die ik enorm bewonder. In Berlijn is mijn aandacht weggeëbd, maar nu heb ik opnieuw de intentie om intensiever pianoforte te gaan spelen.

Er is in Vlaanderen terecht een groot respect voor mensen die met de historische uitvoerings-praktijk bezig zijn. Maar dat gaat ook een beetje gepaard met een bepaald snobisme tegenover mensen die daar niet mee bezig zijn. Het is niet omdat je op een moderne piano speelt, die fysisch vaak aangenamer te bespelen zijn en in grote concertzalen voller klinken, dat je geen aandacht hebt voor een historisch correcte vertolking. Je kan én op een Steinway spelen, én intelligent met de muziek omgaan. Ik geloof dat ik wel een voorbeeld van iemand die graag bruggen wil slaan tussen die twee werelden. Heel veel dirigenten hebben dat al gedaan: Harnoncourt, Herreweghe met deFilharmonie, enzovoort. Ik ondervind ook dat het spelen op moderne en historische instrumenten tot een kruisbestuiving leidt die je spel ten goede komt.

U treedt op als recitalpianist en liedbegeleider. Vraagt deze verschillende rol een ander soort pianist?

Blondeel: Interessant genoeg kunnen we daarvoor terugkomen op de vorige vraag en het belang van specialisatie. Net als in de historische uitvoeringspraktijk heb je dat in de lied-begeleiding ook enorm. Een handvol bekende liedbegeleiders beheersen de markt wereldwijd en beschouwen een exclusieve focus op het lied als voorwaarde om goed te zijn in hun vak.

Ik geloof sterk dat je eerst en vooral als complete muzikant je kwaliteiten moet opbouwen: begrip voor repertoire, technisch kunnen, verfijnde klankvoorstelling, enzovoort. Nadien kan je die kwali-teiten verdelen over verschillende activiteiten, waarin je je uiteraard dient te verdiepen. Liedbegeleiding is natuurlijk heel anders omdat er een tekstcomponent bij komt. Je moet luisteren naar de tekst en deze begrijpen. Dat is enorm belangrijk. Ik heb het voordeel dat ik heel veel talen spreek, hetgeen als liedbegeleider een pluspunt is. Liederen gaan bijna altijd uit van het gedicht. Je moet dus op de eerste plaats het ritme van het gedicht begrijpen en ook proberen met de zanger mee te voelen waar de ademhalingen liggen. Liederen begeleiden heeft in die zin een enorm positieve invloed gehad op mijn pianospel, alleen maar door mee te leren ademen en de muziek meer in zinnen te betrachten. Het vergt sowieso een aanpassing. Je gaat een beetje anders spelen, past het klankvolume aan. Maar ik voel mij geen andere pianist tijdens een liedrecital, ook al leg ik wel de nadruk op andere aspecten.

Rondo grazioso: slot

Hebt u ooit een carrière als kamermuzikant overwogen?

Blondeel: Ik speel ontzettend graag kamermuziek, maar kan moeilijk keuzes maken en laat mij een beetje leiden door omstandigheden. Een carrièreplanning heb ik niet, maar zolang het kan, wil ik vele dingen blijven combineren. Moest de keuze zich vanzelf opdringen, zou ik er natuurlijk niet droevig om zijn om me exclusief te focussen op het oprichten van een kamer-muziekensemble, of om voltijds liedbegeleider te worden. Er zijn ontzettend veel mogelijk-heden, maar dit zijn keuzes die ik op dit moment nog niet wil maken. Zeker zolang ik daar-naast gevraagd wordt om solorecitals en concerti met orkest te spelen, geniet ik daar ook enorm van. Het plezier om op een podium volledig zelf de muziek vorm te geven en alles in eigen hand te hebben, geeft een bepaalde spanning die ik niet graag zou opgeven. Er zijn trouwens voldoende voorbeelden van pianisten die verschillende activiteiten combineren.  Ik zou dus graag nog even op deze manier verder doen. 

Is het professioneel leven als recitalpianist eenzaam?

Blondeel: Ja, zeker. Vooral in de voorbereidingsperiode oefen je vaak helemaal alleen thuis nieuwe stukken in. Anderzijds zijn concerten steeds opnieuw een sociaal gebeuren, waarbij je heel wat mensen ontmoet. Ik ben ook niet voortdurend in het buitenland. Elke tournee blijft daarom een groot avontuur. Maar het grote solistenleven zoals sommige musici het leiden en die dus vele maanden per jaar weg zijn van huis, dat zou ik niet zien zitten. Het is ook niet aan de orde.

Bestaan er op dit moment plannen om een nieuwe cd te maken en hoe belangrijk is het opnemen van muziek in een carrière?

Blondeel: Opnames hebben in het verleden een heel belangrijke rol gehad. Zo heeft Herbert Von Karajan meer platen verkocht dan de Beatles. Maar rijk worden van opnames is iets van het verleden. Vandaag is de markt totaal ingestort en oververzadigd. Dus ergens moet je een niche vinden om toch iets interessant op de markt te brengen, of je beschouwt een cd als promotie-materiaal: een manier om in de media te komen.

Het is een beetje een vicieuze cirkel. Je wordt niet uitgenodigd voor belangrijke concerten als je geen opnames hebt, maar je kan ook geen opnames maken als je geen carrière hebt. Je moet dus aan zoveel mogelijk touwtjes trekken totdat je mensen zover krijgt om een cd-opname te sponsoren, vermits winst maken op een opname zo goed als onmogelijk is geworden. Wat wel goed lukt, is het verkopen van cd's vlak na concerten. In platenwinkels en op internet worden nog heel weinig cd's verkocht. Zelfs bij grote orkesten zoals de Berliner Philharmoniker is de verkoop beperkt. Cd's zijn ook voor hen voornamelijk een manier om in de media te komen, meer dan om veel geld te verdienen.

Op dit moment heb ik geen plannen voor een nieuwe opname. Of ik al een idee heb van welke werken ik dan wil opnemen? Zelfs zover ben ik nog niet. Er komt binnenkort bij het Belgische label Cypres wel een nieuwe cd uit waarop ik samen met het blaaskwintet van de Munt muziek van de Belgische componist Albert Huybrechts (1899-1939) heb opgenomen. Misschien wordt mijn volgende opname wel iets op de pianoforte.

Welk pleidooi zou u houden om jongeren warm te maken voor klassieke muziek?

Blondeel: Ik begrijp de desinteresse van jongeren voor klassieke muziek. De concertzalen doen nog te weinig om een jong publiek aan te trekken. Een recital is nog te vaak een stijve bedoening. Ik denk dat je jongeren veel meer kan motiveren door een kleinschaliger opzet, door een beetje uitleg te geven over de stukken die je speelt en meer aandacht te hebben voor de omkadering.

De klassieke muziek op zichzelf is nochtans een heel rijke, fascinerende wereld. Je kan er ont-zettend veel in ontdekken eens je toelaat om je te laten ontroeren. Dat gevoel is al genoeg om gebeten te zijn voor het leven. Uiteindelijk komt alles neer op het overbrengen van emoties. Een concert dwingt je om een uur of anderhalf uur lang van het leven los te koppelen. Je benut één van je zintuigen op een ongekend intense manier. Dit is niet gemakkelijk, maar kan je tot rust of nieuwe inzichten brengen. Een concert kan zo iets bijzonder zijn, omdat het je de kans geeft om met niets anders bezig te zijn dan met muziek.

Lucas Blondeel is de komende maanden op diverse locaties in belgië te horen samen met zijn collega-pianist Nicolas Callot. Een volledige concertkalender is terug te vinden op zijn website.