De allereerste editie van de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam stond in het teken van ontmoeting. Klassiek Centraal voegde de daad bij het woord en zocht het kwartet op dat tijdens dit festival een thuismatch speelde. Ten huize Faber-Van Driel, de buitenstemmen van het Dudok Kwartet, volgde een geanimeerd vraaggesprek over toewijding, het streven naar perfectie, de psychologie van een nieuw instrument én artificiële intelligentie. “Een koraal van Bach schrijven lukt nu al, maar wat met een menuet van Haydn dat vol muzikale grapjes zit?”

And the Award goes toDudok Quartet Amsterdam! Het is dezer dagen ongetwijfeld feest in Badhoevedorp, een plek geprangd tussen Schiphol en het water van het Nieuwe Meer. Want samen met violiste Marleen Wester en altiste Marie-Louise de Jong sleepten Judith van Driel en David Faber eerder deze week een Borletti-Buitoni Trust Award in de wacht. De organisatie haalde de loftrompet boven: “Everybody was impressed not only by their talent and virtuosity, but also their creativity and imaginative approach to music-making.” Met deze erkenning treedt het Dudok Kwartet Amsterdam in de voetsporen van gevestigde waarden als het Cuarteto Casals (2008) en het Pavel Haas Quartet (2010). De toekomst lacht het viertal meer dan ooit toe.

Flashback naar zondag 28 januari 2018. In Amsterdam is de Strijkkwartet Biënnale aan zijn eerste volledige dag toe. Ook het Dudok Kwartet zal er zijn opwachting maken, maar vandaag wordt het ensemble bij het VPRO-programma Vrije Geluiden verwacht voor een opname in de reeks Buiten Spelen: een nieuw format waarin naast de muziek ook de temperaturen een bijzondere uitdaging vormen. “Er zijn relatief weinig klassieke musici die het aandurven om in openlucht te spelen, dus daarom waren ze wel blij dat we hadden toegezegd”, klink het bij van Driel. De primaria van het kwartet heeft zonet één van haar leerlingen buitengelaten. Haar dagtaak zit erop. “En omdat de artiesten dus nog fragieler zijn dan normaal, levert het wel heel mooie plaatjes op”, vult Faber aan. Op het programma stonden Mendelssohns laatste en György Ligeti’s eerste kwartet. Dat laatste werk heeft Dudok ook voor het festivalpubliek in petto.

We spreken elkaar naar aanleiding van de allereerste editie van de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam, een groots opgezet festival helemaal gewijd aan het strijkkwartet. Wat is er in jullie woorden zo bijzonder aan het strijkkwartet dat het zoveel aandacht verdient?

DAVID FABER: Allereerst heeft het strijkkwartet zo veel zulk een mooi repertoire dat eigenlijk nooit door genoeg mensen wordt gehoord. Er zit eigenlijk geen plafond aan hoeveel mensen je daarmee zou willen bereiken. Omdat het zoiets feestelijk heeft, kan een Biënnale zowel heel toegankelijk zijn als voor veel verdieping zorgen bij de mensen die het strijkkwartet reeds in hun hart gesloten hebben. Daarom vind ik zo’n festival ook een goede toevoeging aan het gewone concertleven.

JUDITH VAN DRIEL: Bijzonder aan het strijkkwartet is dat het tezelfdertijd heel intiem is en ook grote zalen kan vullen. Je kan er eigenlijk alles mee, ook al heb je maar vier instrumenten. Het zijn net die eindeloze mogelijkheden en ook de perfectie die in het kwartet zit die vele componisten heeft gefascineerd en geïnspireerd. Maar dat vereist ook dat je er bijzonder veel tijd insteekt. Daarom zijn er ook weinig ad hoc kwartetten die enkel af en toe iets doen. Het merendeel van de kwartetten duikt er met volle toewijding in, ook al omdat de muziek dat heel erg verdient.

Het hoge woord is eruit: perfectie. In welke mate is dit voor jullie een streefdoel? Is het überhaupt nodig om daarnaar te streven?

FABER: Het is een moeilijk vraagstuk waar je als kwartetspeler veel mee bezig bent, veel meer nog dan in een orkest. Als je een groot orkest dirigeert, heb je ook een perfect beeld van hoe het moet klinken. Maar bij een kwartet luistert het allemaal zo nauw, dat het streven naar perfectie haast iets pervers wordt.

VAN DRIEL: Aan het conservatorium is het bijna een soort sport: hoe perfect kan je worden. Maar als je niet uitkijkt, krijg je allemaal dezelfde perfecte groepjes. En dat is net wat je juist niet wil. Al die kwartetten op de Biënnale hebben hun eigen identiteit en misschien ook wel imperfecties, wat het net heel erg interessant maakt. We streven naar een zo mooi mogelijke weergave van de muziek, maar het is niet ons doel om het perfect te doen.

FABER: Doordat we al bijna tien jaar een groep vormen, is perfectie een soort van uitgangspunt. Maar het is niet iets waar we naar op zoek zijn. Enkel in de marge zijn we bezig met gelijk en zuiver te spelen. De eerste twee jaar studeerden we bij het Alban Berg Quartett en waren we veel meer met die aspecten bezig.

Voor een Belgisch publiek dat jullie nog niet zo goed kent: wat voor een ensemble is het Dudok Kwartet Amsterdam? En wat bedoelen jullie precies met het zich kwetsbaar durven opstellen, zoals vermeld in de biografie van het kwartet?

FABER: Het zich kwetsbaar opstellen, werkt eigenlijk twee richtingen op. Bij het instuderen van repertoire denken we ons ego eerst weg en gaan we, voor we bepalen hoe iets uitgevoerd moet worden, kijken naar wat de muziek ons echt zegt. Aan de andere kant nemen we het publiek tijdens een optreden in vertrouwen om te proberen iets zo mooi en echt mogelijk te creëren. Die dialoog met het publiek vinden we heel belangrijk. Zo leggen we de toehoorders ook altijd uit waarom we bepaalde werken spelen.

VAN DRIEL: Je bent als strijkkwartet sowieso heel kwetsbaar omdat je vol in de aandacht staat. Iedereen hoort alles. Het is ook ontzettend duale muziek, die zowel kan uitpakken als heel intiem zijn. Zo hebben we bijvoorbeeld vaak het vijfde strijkkwartet van Shostakovich gespeeld en daar zit een tweede deel in (Andante) dat letterlijk adembenemend is. Als je niet uitkijkt, stop je bij het spelen zelf met ademhalen. We zijn kwetsbaar in die zin dat we zo’n situaties durven opzoeken. Enkel zo bestaat de kans dat een concert iets bijzonder wordt.

Op basis van jullie naam (het Dudok Kwartet is genoemd naar de in Amsterdam geboren, melomane Nederlandse architect Willem Marinus Dudok (1884-1974), nvdr.) zou het publiek kunnen denken dat het ensemble vooral aandacht heeft voor de overkoepelende structuur van een muziekstuk en minder oog voor wat daarbinnen speelt. Hoe verhouden beide, grote structuur en kleine(re) details, zich in belangrijkheid?  

VAN DRIEL: Het is eigenlijk toeval dat we bij de naam van Dudok terechtkwamen. We waren wel op zoek naar een goed klinkende, Nederlandse naam die ook makkelijk uit te spreken is. Toen kwamen we erachter dat Dudok liever componist dan architect was geworden. Dat hij dus letterlijk inspiratie haalde uit partituren en waarschijnlijk op dezelfde manier te werk ging. Zo bouwde hij graag vanuit een grotere structuur naar de kleinere dingen toe. Ook wij maken telkens opnieuw een bouwwerkje waarbij het verschil in de details zit.

FABER: Je moet een toonspraak hebben om het muzikale verhaal te vertellen. En net dat zit hem in de details. Maar muziek maken is ons vak, dus zijn we natuurlijk ook met de structuur bezig. We hangen daar veel aan op. Zo bedenken we met z’n vieren een bepaald concept van een werk, maar dat is niet gefixeerd. Toch is het juist omdat we dat concept hebben, dat we op een concert ook intuïtief kunnen spelen.

In jullie portrettekst op de website van de Biënnale viel mij één zinnetje bijzonder op: “Je moet elkaar (dus) volledig vertrouwen.” Vertrouwen, wordt gezegd, komt te voet en gaat te paard. Daarom: hoe bouwen jullie dit vertrouwen op; welke elementen zijn daarin doorslaggevend?

FABER: Veel situaties creëren die niet werken als het vertrouwen er niet is, is voor ons een vereiste om het vertrouwen te kunnen hebben. Door in grote zalen spannende optredens te geven met moeilijk repertoire zet je het vertrouwen dus onder druk om te zien wat er gebeurt.

VAN DRIEL: Tegelijkertijd is vertrouwen de basis om überhaupt verder te kunnen. Je moet ervan uitgaan dat je op elkaar kan steunen en zeker zijn van elkaars kwaliteiten. Dan is het ook niet zo moeilijk om kritiek op elkaar te geven, al kan die soms wel hard zijn. Je moet dingen van elkaar kunnen hebben en ook accepteren dat we niet meer kunnen dan we doen.

FABER: Want we zijn alle vier ook gewoon bijzonder veeleisend voor onszelf, en we vinden ook dat we dat van elkaar mogen vragen. Maar je moet wel goed weten dat die andere drie evenveel toewijding hebben als jezelf. Besef je dat niet, dan kun je in je kritiek weleens te ver gaan en het vertrouwen schaden. Eigenlijk geven we elkaar nauwelijks complimenten. Dat hoeft ook niet. Maar naar elkaar toe hebben we wel de verantwoordelijkheid om te relativeren als iets eens minder goed was.

Uit datzelfde portret: “Vaak zeggen mensen na afloop van een concert dat ze voelden hoe intens wij de muziek beleefden, en dat zij daar persoonlijk door geraakt werden. Een groter compliment kunnen we niet krijgen.” Hoe slagen jullie er tijdens een concert in om deze muzikale intensiteit bij elk werk steeds opnieuw op te roepen?  

FABER: Het helpt om een goed concept uit te werken waarbinnen je instinctief te werk kan gaan. Zo gauw je iets vastgezet hebt en dát telkens opnieuw probeert te doen, wordt het een soort routine. Terwijl als je de muziek iedere keer opnieuw probeert te boetseren, het de ene keer allicht intenser zal zijn dan de andere, maar zo’n aanpak wel degelijk een cruciaal verschil maakt.

VAN DRIEL: Met stukken die je al meer dan honderd keer hebt uitgevoerd, bestaat wel het gevaar dat je de dingen op automatische piloot doet. En dan helpt het wel dat we elke keer op een andere plek spelen. We staan heus niet elke week in het Concertgebouw. Elke keer kom je in een nieuwe setting terecht, met een ander publiek, en dat is enorm stimulerend.

Ik citeer graag even tweemaal Yasmin Hilberdink, de oprichtster van de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam, die in haar portret op de festivalwebsite het volgende stelt: “Internationaal gezien gaat het goed met het strijkkwartet. Er zijn heel veel jonge zeer goede strijkkwartetten.” Het Dudok Kwartet is er daar ongetwijfeld één van, maar hoe kijken jullie naar deze toch wel scherpe competitie, en de kamermuziekconcoursen die hiermee verband houden?

FABER: Het is een lastig ding. We hebben zelf best veel concoursen gedaan, ook al dateert de laatste ondertussen van 2013. Toen waren we nog heel veel met die concurrentie bezig. Want je zit echt te kijken welke kwartetten meedoen, wie er in de jury zit, enzovoort. Het helpt natuurlijk wel om op wedstrijden te spelen omdat je jezelf doelen stelt, heel kritisch bent en op het moment zelf drie of vier volledige concertprogramma’s in de vingers moet hebben, die je ook nog eens onder extreme spanning uitvoert. Het is gewoon een goede voorbereiding op de beroepspraktijk. Maar nu zijn we eigenlijk niet zo heel veel meer met de concurrentie bezig. We weten dat die er is, maar kijken toch vooral naar hoe andere kwartetten ons kunnen inspireren. Ik zie het niet als iets bedreigends of zo. Concoursen doen we nu eigenlijk niet meer, enkel nog wat coaching van tijd tot tijd.

“Ik nodig anderen uit met ons mee te denken over nieuwe vormen om het strijkkwartet naar de toekomst te dragen en de vonk te laten overslaan naar nieuwe generaties.” Hebben jullie voor Yasmin een suggestie voor zo’n nieuwe vorm(en)?    

FABER: Het muzikale aanbod en het publiek is nu groter dan het ooit was. Er zijn ook veel meer concertzalen dan vroeger. Ik denk dus dat er voor iedere generatie opnieuw telkens iets anders uit de klassieke muziek spreekt, waardoor deze relevant is en blijft. Maar daarnaast is het heel belangrijk om hedendaagse muziek te spelen en te schrijven. Doordat deze muziek over de eigentijdse cultuur reflecteert, leert deze ons ook iets over pakweg Beethoven.

Judith van Driel

VAN DRIEL: De hedendaagse muziek verandert ook wel, in die zin dat de grens tussen pop en klassiek vager is dan vroeger. De regels zijn wat minder streng en dat vinden we best wel leuk. Een concreet project dat we nu aan het opstarten zijn, is er eentje met de blokfluitist Erik Bosgraaf. Dat project is geïnspireerd op de werken van de Italiaanse barokschilderes Artemisia Gentileschi (1593-1653), die in de 17de eeuw veroordeeld werd nadat ze het slachtoffer was geworden van een verkrachting. Ze nam wraak in haar schilderijen door allerhande gruwelijke dingen af te beelden. We hebben een Finse en een Engelse componist gevraagd om op teksten van dat proces een liedcyclus te schrijven die we dan waarschijnlijk met oude, 17de-eeuwse muziek zullen combineren. Met de hele #MeToo-beweging is dat een actueel onderwerp dat je over de eeuwen heen kan spreiden.

FABER: Daarnaast denken we op dit moment ook na over de rol die technologie tijdens een live-concert kan spelen. In welke mate gaat artificiële intelligentie (AI) het leven van zowel musici als publiek veranderen? Dat gaat namelijk heel ingrijpende gevolgen hebben op ons hele leven, ook al is het nog onduidelijk welke kant het precies opgaat. Maar zij die daar dicht bij betrokken zijn, zeggen dat het wel heel hard evolueert. Daarom organiseren we binnenkort een forumdiscussie met mensen die in deze scene zitten en met componisten die rond AI werken. We gaan kijken in welke mate artificiële intelligent zowel componisten als musici kan vervangen. Een koraal van Bach schrijven lukt nu al, maar wat met een menuet van Haydn dat vol muzikale grapjes zit? We weten nog niet welk soort uitingsvorm dit project zal hebben. Wordt het een concert? Of gaan wij een stuk spelen dat door AI gecreëerd is, terwijl het publiek dit niet weet? We zijn er nog niet uit.

Ik lees op jullie website, Judith, dat jij ook nog lesgeeft “aan kinderen van 6 tot 19 jaar, waarbij ik minstens zoveel leer van hen als zij van mij.” David, jij vertelde me daarnet dat ook jij één student onder je hoede hebt. Welke wisselwerking bestaat er tussen dit lesgeven en het spelen in het ensemble?

FABER: De band tussen de beide is wel heel sterk aanwezig. We hebben dat goed gemerkt toen we zelf bij het Alban Berg Quartett les volgden. We kenden hen als kwartet op het podium en hadden tegelijk ook individueel les. Tijdens die lessen kwam het individu veel sterker naar voren dan tijdens een concert. Het was door dingen met hun leerlingen uit te proberen, dat de muzikanten gesterkt werden in het feit dat hun mening er toe deed. De klas was voor hen dus een soort laboratorium.

VAN DRIEL: Lesgeven aan leerlingen leert je ook om te verwoorden wat je precies beter wil hebben. Hoe leg ik iets uit dat het ook overkomt? En net dat hebben wij natuurlijk ook met elkaar nodig, zij het dan op een ander niveau.

FABER: Daarom hebben we ook een cursus voor amateurensembles opgezet. Hen vier dagen lang coachen, is ook voor ons heel leerzaam. Je merkt bijvoorbeeld welke basale problemen er bij het samenspelen ontstaan, en zoekt naar een manier om dit onder woorden te brengen. De Junior Kwartetdag die we op de Biënnale doen, lijkt hier een beetje op, maar dat is natuurlijk maar één dag. Bovendien zijn de problemen bij kinderen heel anders. Zij doen alles voor het eerst, dus is het resultaat vaak nog veel vruchtbaarder.

VAN DRIEL: Met de kinderen is het leukste dat ze merken hoe fijn het is om samen te spelen. En dat ze leren dat als je bijvoorbeeld samen ademhaalt, dat je dan ook tegelijk begint. Dat klinkt simpel, maar is het zeker niet.

Sinds vorig najaar bespelen jullie drie nieuwe instrumenten, door de Stichting Nationaal Muziekinstrumenten Fonds in bruikleen gegeven: een ingrijpende verandering voor elk van de musici én het ensemble natuurlijk. Welke impact heeft dit nieuwe speelgoed precies op het kwartet?

FABER: Onze altiste had al als enige een instrument van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds. We zijn daar ook eens een kijkje gaan nemen en dat beviel ons enorm goed. De kwaliteit was echt veel beter dan onze eigen nieuwbouwinstrumenten. En ook dat is topkwaliteit, het beste dat je op dat gebied kan hebben.

VAN DRIEL: De oude instrumenten zijn vooral anders. Ze zijn alle drie ook zeer verschillend van elkaar (het gaat met name over een Goffriller, een Panormo en een Bernardel, nvdr.). Je moet ze dus eerst goed leren kennen en meer zoeken, want op mijn viool werkt de ene noot al beter dan de andere. Marleen en ik speelden daarvoor op nagenoeg precies dezelfde instrumenten. Qua karakter waren ze hetzelfde, alleen klonk de mijne iets briljanter en had haar viool wat meer power. Dus toen zij nog als enige op haar oude instrument speelde, hoorden we het verschil heel duidelijk. Ze viel toen als het ware een beetje uit de toon.

David Faber

FABER: Zelfs met een moderne setup kunnen de snaren van de oude instrumenten helemaal anders klinken, en dat is ook oké. Het is die diepgang waar je naar zoekt als je oude muziek speelt, pakweg tot Debussy. Bij Ligeti is het wat lastiger. Want de kwaliteit van de toon is nog steeds hoger dan van de nieuwbouwinstrumenten, maar het is moeilijk om er iets direct en onaangenaams van te maken. Dat gaat minder vanzelf, ook al vraagt moderne muziek soms een hardere attaque.

VAN DRIEL: Het heeft ook wel iets psychisch: het besef dat je speelt op een instrument uit 1725 dat al door veel topmuzikanten is bespeeld. Door die historie ga je als vanzelf al anders spelen. Ik zou ook wel willen experimenteren met verschillende stukken op verschillende instrumenten en kijken hoe dat uitpakt.

Jullie zijn grote pleitbezorgers van de strijkkwartetten van Ligeti, zowel in de concertzaal als op cd. Wat maakt de muziek van Ligeti zo bijzonder; waarom moeten mensen die haar niet kennen op ontdekkingstocht gaan?

FABER: Ligeti schreef twee strijkkwartetten en ze vertellen allebei een ander verhaal. Het eerste kwartet is een soort achtbaan van extremen die je als het ware de muziek van de 21ste eeuw inleidt. Het bevat namelijk alle soorten taal die je in 20ste-eeuwse muziek kan tegenkomen. We moeten daarbij goed beseffen dat dit onze muziek is. En mensen gaan   wel naar musea voor moderne kunst, maar een concert met eigentijdse muziek schrikt hen af. Ik zou zeggen: ga er gewoon voor, want het is razend spannend. Het tweede kwartet is veel meer een soort alchemistische klankopstelling, en gaat op zoek naar wat er met klank allemaal mogelijk is. Het vertelt het verhaal van een andere wereld die nog maar weinig met het klassieke strijkkwartet vandoen heeft.

VAN DRIEL: Het tweede kwartet was voor Ligeti het eerste stuk waarin zijn nieuwe stijl lukte. En die nieuwe stijl had te maken met micropolyfonie. Dat zijn nootjes en patroontjes die heel dicht bij elkaar liggen en een fijnmazige structuur creëren. Het gaat hem daarbij veel meer om kleuren en sferen. Je ontwaart geen lossen stemmen meer, maar het is wel degelijk polyfonie.

FABER: Ligeti gebruikte dus heel veel moderne compositietechnieken. Maar de gevoelens die hij daarmee oproept, zijn net heel erg toegankelijk. Stel je je daarvoor open, dan ga je bij hem niet iets abstracts of onaangenaams horen, maar wel iets moois dat je meteen raakt.

VAN DRIEL: Het is geen makkelijk uit te voeren muziek. Het duurde drie maanden voor we een eerste keer door het tweede kwartet heen kwamen. Sommige ensembles nemen dan een dirigent onder de arm, maar wij hebben er samen met pianist Reinbert de Leeuw aan gesleuteld. De Leeuw heeft heel veel met Ligeti samengewerkt en hij vroeg ons om gewoon op gevoel en ritme te spelen.

Waarom de koppeling op plaat met de Weense Klassieken Haydn en Mozart – is daar een bepaalde reden voor?

FABER: We wilden graag laten horen dat al deze muziek eigenlijk heel erg op één lijn zit. Waar Ligeti soms complex klinkt, is het niet zo dat hij iets academisch of ingewikkelds doet. Hij wil de luisteraar het gevoel geven dat je overkomt als je bijvoorbeeld in een situatie terechtkomt die je niet begrijpt. En net dat is bij Haydn en Mozart ook heel vaak het geval. Met name in de Mozart die we met de tweede Ligeti hebben gecombineerd (het gaat meer bepaald over het kwartet in sol-groot, KV 387, nvdr.), schrijft hij een reeks fuga’s en een doorwerking die tonaal bijzonder vreemd klinkt. Ook dit is muziek die je gevoelsmatig desoriënteert, ook al zijn onze oren eraan gewend geraakt. Maar als je betrokken luistert, dan kan het je echt meeslepen.

VAN DRIEL: We wilden daarnaast ook graag iets eigens maken, iets dat er nog niet is. Vandaar de arrangementen die op beide cd’s staan. Componeren kunnen we niet, maar we kennen het kwartet wel van binnenuit en zijn ook zeer goed vertrouwd met Brahms’ kamermuziek. Zijn late pianowerken vinden we heel mooi en wilden we ook graag spelen (het gaat met name over de intermezzi uit het opus 116 en 119 en een ballade uit het opus 118, nvdr.). Voor onze volgende cd gaan we opnieuw oud en nieuw combineren. Naast Mendelssohns opus 80 en het derde kwartet van Weinberg nemen we ook muziek van Carlo Gesualdo, Josquin des Prez en Shostakovich op.

Het seizoen 2018-2019 staat voor het Dudok Kwartet in het teken van Beethoven, en dan nog wel één van diens late strijkkwartetten: het opus 130 met de hartverscheurende Cavatina en de baanbrekende Grande Fugue als slot. Het kwartet stelde een reeks programma’s rond deze compositie samen, en dompelt zich een jaar lang onder in dit meesterwerk … Hoe ziet dit onderdompelen er precies uit; hoe gaan jullie dit “monsterverhaal in zes afleveringen”, dixit Jan Caeyers, precies aanpakken?  

VAN DRIEL: We beginnen deze maand met het instuderen. En in maart zullen we er in Berlijn ook les over krijgen van de bekende muziekpedagoog en kwartetgoeroe Eberhard Feltz. Dat vonden we de ideale persoon om eens diep mee in het werk te duiken. Tot aan de zomer gaan we dan in periodes heel hard aan het stuk werken. Door het volgend seizoen veel uit te voeren, verdiep je natuurlijk ook. Dat is de reden waarom we er één enkel kwartet uitkiezen, en niet drie of vier. Voor zo’n grote meesterwerken is dat gewoon te veel.

FABER: Als we alle late Beethovens zouden doen, of zelfs het hele oeuvre, dan zouden deze allemaal te weinig aandacht krijgen. We kunnen daar dan wel een goede uitvoering van maken, maar we willen graag dat het beluisteren van zo’n stuk je leven kan veranderen. Dat is natuurlijk een heel hoog streven, en ik weet ook niet of het haalbaar is, maar als je er niet naar streeft dan kunnen mensen net zo goed niet naar het concert komen.

VAN DRIEL: Dit is één van dé pijlers uit de kamermuziek. Het is dus ook gewoon een mooie kapstok om de rest van een programma aan op te hangen. We hebben reeds het opus 127 en 132 gedaan en dit is het volgende kwartet in de reeks. Het wordt voor ons dus ook echt een ontdekkingstocht. En de Grosse Fuge, die verdient sowieso aandacht, want het is zo’n raar stuk. Volgens mij kan je nooit echt van dat werk gaan houden. Het is geen mooie muziek, maar wel ontzettend fascinerend. Muziek zonder conflict is sowieso altijd minder interessant.

Graag leg ik jullie een gezegde en een quote over het strijkkwartet voor. Het gezegde haalde ik bij Rosaland Ventris, altiste in het Albion Quartet, en vergelijkt een strijkkwartet met wijn. De eerste viool is daarbij het etiket, de cello de fles, en de middenstemmen zijn de wijn zelf. Wat maken jullie hiervan; wat zegt dit over het belang van jullie medespeelsters?

VAN DRIEL: De middenstemmen moeten het meest in staat zijn om verschillende dingen te doen, door van de ene functie naar de andere te springen. Het ene moment heeft de tweede viool een solo waarbij ze voor mij niet mag onderdoen, en het andere moment moet ze mij de juiste richting insturen. En dat geldt evengoed voor de altviool.

FABER: In die zin vind ik de vergelijking een beetje te cliché. Ook de tweede viool en de altviool moeten soms het etiket zijn. Ik hou ook gewoon veel meer van kwartetten die zichzelf zien als vier even sterke individuen, die ook alle vier de wijn kunnen zijn.

De quote komt uit het boek van Arnold Steinhardt Indivisible by four. A String Quartet in Pursuit of Harmony (p. 107, 1998): “The ego. Does one have to give it up to play quartets? The definition of a professional string quartet might be “a never-ending succession of unsuccessful attacks on the individual’s ego by an ever-stronger and more cohesive ensemble.” Hoe groot zijn de ego’s nog in het Dudok Kwartet?

FABER: We bewaken onze individualiteit. Want een goed kwartet gedijt bij vier sterke individuen, en we hebben nu een goede mix van persoonlijkheden. Eenieder komt dus wel voor zichzelf op als zijn of haar ego helemaal dreigt te verdwijnen. En we pushen elkaar ook om het ego nog wel te voeden. Tegelijk is er na tien jaar ook wel een soort Dudok-ego: een sound die ons alle vier wel bevredigd.

VAN DRIEL: Het is heel dubbel. Je hebt aan de ene kant een heel sterke persoonlijkheid nodig – je staat op het podium immers vol in de schijnwerpers. Maar je moet je ego ook makkelijk aan de kant kunnen zetten, voor de ander en ook voor de muziek.

Slotvraag. In jullie portrettekst op de website van de Strijkkwartet Biënnale klinkt het enthousiast als volgt: “We maken met het kwartet zoveel bijzondere en onvergetelijke dingen mee! Dat maakt het zeker de moeite waard om door te gaan.” Kunnen jullie er elk zo’n bijzonder en onvergetelijk moment uitpikken?

VAN DRIEL: Daar moet ik wel heel even over nadenken (stilte). We speelden ooit een intermezzo van Brahms in Duitsland en daar stapte een man op ons af die zei dat als hij er straks niet meer was, hij in de hemel deze muziek zou horen. Hij was ook in tranen toen hij naar ons toekwam. Dat was heel erg mooi. Als je op zo’n kwetsbare momenten heel erg eerlijk en open bent, dan raak je mensen persoonlijk.

FABER: Ik heb wel een handjevol van dat soort herinneringen, verspreid over tien jaar. Het feit dat je überhaupt zo’n gevoelens kán oproepen, is best wel bijzonder. Het is door hard werken en heel veel toewijding zo gekomen dat we dit soort van diepmenselijke ervaring kunnen bieden.

VAN DRIEL: We hebben vorige week nog op een middelbare school gespeeld voor een publiek van veertienjarigen. Die laten natuurlijk niet zo snel merken dat ze iets knap vinden. Op het programma stond het derde kwartet van Schumann. Na afloop was er een meisje dat heel eerlijk en enthousiast liet weten dat ze het tweede liedje toch wel het mooiste vond …


  • WAT: interview met Judith van Driel en David Faber, primaria en cellist van het Dudok Kwartet Amsterdam, naar aanleiding van de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam.
  • WIE: Dudok Kwartet Amsterdam [Judith van Driel (viool), Marleen Wester (viool), Marie-Louise de Jong (altviool) en David Faber (cello)]
  • CREDIT FOTO’S: © Marco Borggreve
  • WEBSITE: http://dudokkwartet.nl/