Matthieu Idmtal getuige van fijnzinnigheid

Interview door Johanna De Jong

Matthieu Idmtal is één van de meest bijzondere persoonlijkheden in het rijtje van jonge pianisten. Zijn interpretaties zijn steeds origineel, getuigen van een grote fijnzinnigheid, en verraden een voorliefde voor poëzie. Het zijn kwaliteiten die hij laat zegevieren in de vorm van een derde cd, die binnenkort zal verschijnen.
Redenen genoeg dus om deze Belgische pianist uit de schaduw te halen die covid-19 over het culturele leven werpt, en hem enkele vragen te stellen omtrent zijn werk en leven als muzikant.

Laten we beginnen met een obligate vraag: hoe ben jij het afgelopen jaar doorgekomen?

Eigenlijk best goed. Om te beginnen hebben noch ik, noch mijn naaste omgeving met de donkerste kanten van corona te maken gehad. Dat helpt al een eind. En ook op professioneel vlak mag ik niet klagen.

Gezien ik meer dan de helft van de tijd in Nederland speel, en het coronabeleid daar lange tijd een stuk soepeler was dan hier, heb ik het geluk gehad om toch een paar keer op te treden terwijl de boel in België lam lag. Verder heb ik ook wat livestream concerten gespeeld en van de gegeven tijd gebruik gemaakt om een nieuwe cd-opname te maken, dus op zich heb ik me wel kunnen bezighouden.
Maar ik mis het concertleven uiteraard. En alles wat daarbij hoort. Het onderweg zijn naar de concertlocatie, even stoppen bij een tankstation om een koffie te drinken,… En goed en lang tafelen met vrienden, dat mis ik ook.

Je vertelt over een nieuwe cd-opname die zal verschijnen. Deze is geheel gewijd aan Edvard Grieg. Mag ik deze cd zien als een vervolg op de opname met de integrale vioolsonates van Grieg, samen met violiste Maya Levy?

Eigenlijk niet. Alleszins, ik zie het zelf helemaal niet zo. De cd zal al op een ander label verschijnen, en het is eerder toevallig dat het een tweede Grieg-cd is geworden. Ik wou al lang wat doen met Griegs pianosonate, die ik al een hele tijd met me meedraag. Het is Grieg zijn enige pianosonate, een jeugdwerk, dat zelf onder pianisten niet erg bekend is, en jammer genoeg quasi nooit te horen is op de concertpodia. Nochtans is het een bijzonder attractief werk.

Alleen al voor het tweede deel zou elk muziekminnend mens de sonate moeten kennen. Verder is deze sonate voor mij ook een symbolisch werk. De derde beweging was het eerste stuk dat ik instudeerde bij één van mijn voornaamste docenten als tiener. Sowieso vind ik dat er vaak wat meewarig wordt gedaan over Grieg. Buiten misschien zijn pianoconcerto – dat trouwens het lievelingsconcerto was van Rachmaninoff – wordt zijn muziek aan de conservatoria al te vaak links gelegd. Totaal onterecht.

Wanneer ik luister naar je opnames valt me meteen een grote poëtische vrijheid op, met veel aandacht voor de linkerhand. Een soort pianospel dat meer aanleunt bij een oudere generatie pianisten.

Kunnen we het interview anders hier stoppen? Dan kan ik naar huis met deze complimenten! Je vernoemt enkele sleutelwoorden die voor mij essentieel zijn voor een pianist, en voor muziek maken in het algemeen. Weet je, al mijn helden zijn al lang dood.

Over wie hebben we het dan?

Pianisten als Friedman, Rachmaninoff, Ginzburg, Horowitz, Cortot,… Op zich erg verschillende persoonlijkheden, maar wat hun bindt is dat ze allemaal zingen aan de piano. Het zijn poëtische, narratieve vertolkers. Dat is mijn voornaamste betrachting. Zingen. Een verhaal vertellen.

Hebben je docenten je dan ook in deze traditie lesgegeven?

Ik ben beïnvloed door duizend-en-een dingen, maar ik heb het geluk gehad van een paar goede leraren tegen het lijf te lopen op de belangrijke sleutelmomenten. Wanneer ik denk aan mijn piano-opleiding, denk ik aan drie voorname persoonlijkheden. De lerares van mijn jeugd, de lerares van mijn tienerjaren, en de docent aan het conservatorium, die wellicht de meest invloedrijke is geweest.  Bij Vitaly Samoshko ging het ontzettend veel over klank. Ik denk dat ik hem nooit één agressieve noot heb horen spelen en daar ben ik hem eeuwig dankbaar voor. Maar ik heb ook minder vruchtbare ontmoetingen gehad.

In België heb je zoiets als de kunsthumaniora, een middelbare school die je moet voorbereiden op het conservatorium. Ik bewaar erg goede herinneringen aan die school, maar daar kreeg je wel zomaar een pianoleraar toegewezen. Die plotse verandering gaf toen zo’n conflict met de principes die me tot dan toe waren aangeleerd, dat ik met een bepaalde docent veel meningsverschillen heb gehad. Toen dacht ik: goed, hier leer ik hoe je niét moet spelen. Dat is ook belangrijk. (lacht)

Wanneer ik je concertprogramma’s observeer dan valt op dat die hoofdzakelijk bestaan uit het romantische repertoire.

Ik weet het. En soms sla ik mezelf ook voor het hoofd dat ik wat meer klassiek repertoire moet programmeren. Ik vind dat ik niet zo onaardig Haydn of Mozart speel, maar met Bach of Beethoven heb ik meer problemen. Om één of andere reden moet ik bij die twee dubbel zo hard werken om tot eenzelfde niveau van voldoening te komen.

Laat het vooral zo zijn dat ik de muziek speel die mij het nauwst aan het hart ligt. En muziek die ik begrijp. Op zich is het toch fantastisch dat je kan doen wat je wil? Er is niemand die je dwingt om driehonderd jaar aan muziek te spelen. Wil je je hele carrière wijden aan Bach, dan kan dat.

En hoe zit het met hedendaagse muziek?

Het gebeurt dat ik die speel. Misschien vaker in kamermuziekformaties dan solo. Ik kan erg genieten van nieuwe composities, maar als ik mag kiezen ga ik altijd voor muziek gaan dat zich nog bevindt in een tonaal kader. Echt vergevorderde hedendaagse muziek, of muziek waar elektronica bij komt kijken laat ik aan mij voorbijgaan. Ten eerste zijn er een heleboel pianisten die dat veel beter kunnen dan ik, en ten tweede ligt mijn hart daar niet. Misschien zijn die twee zaken wel gelinkt. Zoals ik zei probeer ik te zingen aan de piano. Veel hedendaagse muziek is me te melodieloos en te percussief. Een groot deel van die composities zijn ook een soort van grens aftastende klankexperimenten. Het is me vaak te conceptueel, te wiskundig, te weinig hart, en daar ben ik niet door aangetrokken.

Nu, ik ben ervan overtuigd dat er in elk genre kwaliteit is te vinden, maar vaak heb ik het gevoel dat de filter van de tijd er nog overheen moet. Ik hoor toch veel bagger. Maar die terughoudendheid is wellicht subjectief. Het conservatorium waar ik studeerde profileerde zich graag als conservatorium met de grootste aandacht voor hedendaagse muziek, en in mijn beleving ging dat vaak ten koste van het klassieke repertoire. Daar heerste zo’n blinde verheerlijking voor alles wat pijn deed aan de oren, dat ik nog wat moet afkicken van bepaalde figuren. Daar werden bij wijze van spreken composities uitgevoerd voor piano, mandarijn, en twee pingpongballen, maar wanneer ik op mijn examen kamermuziek het pianokwintet van Schumann speelde rolde de jury met de ogen. Ik hoorde ze zo denken: wéér Schumann. Hun intentie was wellicht goedbedoeld door bij de leerlingen het enthousiasme voor hedendaagse muziek aan te wakkeren, maar bij mij heeft het averechts gewerkt.

Hebben dat soort ervaringen ook hun effect op hoe je zelf lesgeeft?

Ja. Ik heb een hekel aan autoriteit, en ik vrees dus dat ik zelf ook niet de meest autoritaire leerkracht ben.Ik hou meer van de suggestie dan van de verplichting. In het leven ook trouwens.
Je eigen ideeën of je eigen persoonlijkheid te allen prijze willen doorduwen houdt weinig steek. Maar ik geniet meer en meer van lesgeven. Ik heb nu enkele leerlingen die het conservatorium willen gaan aanvatten, en ook conservatoriumstudenten die af en toe raad komen vragen.Dan weet je dat je oud wordt. (lacht)

In een ander interview las ik dat Alexander Scriabin je lievelingscomponist is. In 2022 wordt zijn 150ste verjaardag gevierd. Zijn er dan speciale plannen?

Even tussen haakjes: wanneer men mij vraagt naar mijn lievelingscomponist antwoord ik meestal met een uitgestreken gezicht: Johann Strauss. De blik van verwarring die je dan krijgt is goud waard. (lacht) Trouwens, in alle ernst: ik hou van Johann Strauss en van Weense walsen in het algemeen. Maar je hebt gelijk. Wanneer men mij zou verplichten om te kiezen, zou het antwoord op de vraag wellicht Scriabin zijn.
Als alles goed gaat heb ik dat jaar twee concerten die in het teken zullen staan van Scriabin, allebei in Nederland trouwens. Maar ik vrees het ergste en denk dat ze zowel in België als in Nederland niet bijzonder veel gaan doen rond Scriabin. Hij heeft nochtans in beide landen gewoond.

Zijn er verder nog bepaalde projecten die je droomt te kunnen realiseren?

Waar ik het meeste van hou in dit beroep, is het creërende aspect. Eerst en vooral aan de piano, maar ook met de concertenreeks die ik organiseer. Ik hoop vooral om dat te kunnen blijven doen.
Misschien zou ik graag nog eens een paar concerten willen spelen met een voorname liedcyclus. Dichterliebe of Winterreise brengen met een goede zanger lijkt me fantastisch.

Om af te sluiten: er is het afgelopen jaar veel te doen geweest over hoe essentieel kunst en muziek al dan niet is. Wat denk jij hierover?

Bepaalde componisten hebben mijn leven veranderd. Hoe essentieel wil je het?

Dat is duidelijk!


  • WAT: interview met Matthieu Idmtal door Johanna De Jong
  • FOTO’S: © Yoshie Kuwayama

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: