“Kleinschaligheid is onze troef geworden”

“Corona is dit jaar een belangrijke factor geweest voor de organisatie en programmering van het Festival 20•21/Transit. Van de ene op de andere dag kon er niets, maar later wist niemand wat er nog wel zou kunnen. Wij moesten dus op drie gedachten hinken: gaan we ongewijzigd door met plannen en hopen dat alles beter wordt. Of passen we ons aan. Of annuleren we? De kennis van de randvoorwaarden om dat soort beslissingen te kunnen nemen, veranderde van dag tot dag. Ons programma was al lang klaar, maar uiteindelijk hebben we besloten om geheel opnieuw te beginnen. We hebben het festival dus van nul herbouwd. We hebben besloten om in te zetten op kleine concerten, dat wil zeggen kleinschaligheid en intimiteit.”

Aan het woord is Maarten Beirens, algemeen directeur van Festival 20•21/Transit, het jaarlijkse muziekfestival gewijd aan 20ste-eeuwse en hedendaagse klassieke muziek. Beirens staat samen met Pieter Bergé ook in voor de artistieke leiding van het festival dat van 22 september tot 25 oktober op diverse locaties in Leuven plaatsvindt .

Maarten Beirens: “Voor het Festival 20•21 konden we die kleinschaligheid op een verantwoorde manier neerzetten in de kapel van het Hollands College. Om de gewenste intimiteit te kunnen waarborgen, hebben kleine locaties in deze omstandigheden mijn voorkeur boven grote zalen. Zoals het er nu naar uitziet, kunnen we aan 50 mensen plaats bieden. En op het podium kunnen we maximaal 4 muzikanten plaatsen. We zijn dus gelimiteerd tot kwartetten, trio’s, duo’s en solisten. Die kleinschaligheid is in feite een troef geworden. Violist Wilbert Aerts speelt bijvoorbeeld de solosonate van Bartok in de kapel, en dat komt veel beter tot zijn recht dan in een grote zaal waar je maar een fractie van de stoelen kan vullen en wat daardoor een onbehaaglijk gevoel geeft. Naast kleinschaligheid zetten we in op herhaling van de concerten, zodat we toch meer mensen kunnen bereiken. Sommigen van die herhaalde concerten hebben de vorm gekregen van lecture-recitals, waarin de luisteraar extra omkadering, duiding en uitleg krijgt.

Verder is nieuw dat wij voor het eerst in onze geschiedenis hebben gekozen voor een thema. Met het oog op de Amerikaanse presidentsverkiezingen liepen Pieter Bergé, verantwoordelijk voor de programmering van Festival 20•21, en ik al een tijdje rond met het idee om daar een muzikale invulling aan te geven. Met Transatlantic Landscapes richten wij ons vizier op de Verenigde Staten, waarbij de componist Charles Ives als onze gids optreedt. Een deel hiervan zat al in het oorspronkelijke programma, namelijk het pianorecital American Omnibus door Ralph van Raat en Morton Feldmans compositie For Philip Guston door Het Collectief. Hier hebben wij een aantal miniconcerten aan toegevoegd, die samen een mozaïek van de Amerikaanse muziek vormen. We besteden niet alleen aandacht aan Amerikaanse componisten, maar ook aan Europese collega’s die in de VS hebben gewoond zoals Hindemith, Stravinsky en Bartok.”

Beirens vertelt dat een van de uitgangspunten bij de programmering van het Amerikaanse thema is gebaseerd op het concept van de VS als natie van buitenbeentjes en einzelgänger (“Maverick Nation”). Zowel vanuit Europees als Amerikaans perspectief is gekozen voor componisten die vooral buiten de gebaande paden opereerden: John Cage, Charles Ives, Harry Partch en George Crumb. De samenstelling zindert van ‘The American Dream’ – het vermogen van het individu om zichzelf uit te vinden. Daartoe behoort ook zeker Morton Feldman, van wie het 4,5 uur durende werk For Philip Guston is geprogrammeerd.

Beirens: “Ook dit idee speelde al vanaf het begin van dit project. Waarom zouden wij niet eens een van de extreem lange werken van Feldman brengen? Mede wegens de lange duur is dit geen werk dat je thuis op een cd beluistert. Hiervoor moet je naar een concertzaal. De muziek lijkt zich nauwelijks te ontwikkelen en roept daardoor een gevoel van oneindigheid op. Dit concert plaatst de luisteraar in een heel andere tijdsbeleving. De Coronaperikelen hebben ons geleerd dat als je dit stuk wil brengen, je het nu moet doen. Ook omdat de maatregelen tegen de pandemie de mensen een andere tijdservaring hebben gegeven.”

In het Transit Festival, dat ook dit jaar in het STUK plaatsvindt, valt de aanwezigheid van twee Oostenrijkse componisten op: Eva Reiter en Bernhard Lang. Klangforum Wien en het label col legno laten al een tijdje zien dat de hedendaagse muziek in dat land bruist van dynamiek en energie. Maar in tegenstelling tot de homogeniteit van de Weense Scholen van weleer is er nu een scala van totaal verschillende componisten.

Beirens: “Lang en Reiter lijken niet veel op elkaar. Bernhard Lang komt met een nieuwe creatie, GAME 245: The Mirror Stage, uitgevoerd door het vocale kwartet Hyoid en het electronica-ensemble van IRCAM. De grenzen tussen stabiliteit en instabiliteit verkent Lang met live feedbackloops, echo’s en delays. Zijn motieven zijn intens en barsten van energie. Daan Vandewalle brengt oud en nieuw werk van Lang op piano. Eva Reiter komt muziekhistorisch gezien van ver. Zij is begonnen met viola da gamba en blokfluit, maar Transit krijgt de wereldpremière van een werk voor elektrische gitaar: The Wilderness of Mirrors. Ook neemt zij het slotconcert voor haar rekening: The Lichtenberg Figures (sopraan, ensemble en electronica) wordt door haarzelf gezongen.”

Beirens heeft ook hoge verwachtingen van het optreden van het Scordatura Ensemble, dat werk brengt van Harry Partch en premières van Kate Moore en Guy De Bièvre. Partch (1901-1974) bouwde zijn eigen instrumenten om zijn mictrotonale stemsysteem te kunnen laten horen. “Dit concert is in feite een samensmelting van Festival 20•21 en Transit. Op kopieën van de instrumenten van Partch speelt het ensemble werken van de hedendaagse Moore en De Bièvre. Ik kijk hier om persoonlijke redenen naar uit, want we zijn drie jaar met elkaar bezig geweest om het van de grond te krijgen.”

Welke criteria hanteert u bij de programmering?

Beirens: “Het klinkt heel paternalistisch als ik aan een componist of uitvoerende zou moeten zeggen wat hij of zij moet scheppen of spelen om voor ons festival in aanmerking te komen. Wij hebben allemaal natuurlijk onze eigen identiteit, maar wij kijken met een open blik naar alles wat om ons heen gebeurt. Voor ons geldt dat wij interessante muziek van na 1900 willen brengen, muziek waarvan het de moeite loont om die te beluisteren. Die kan inspireren, enthousiasmeren, ontroeren. Dat soort muziek willen wij onder de best mogelijke omstandigheden en in de juiste context brengen. Wij zoeken hoge kwaliteit. Dus werken die boeiend en interessant zijn. En uitvoerders die goede uitvoerders zijn. Tot daar wat betreft de criteria. Wij stappen natuurlijk ook in projecten waarvan nog geen noot op papier staat. Hoe je dat doet? Wel, op het gevoel, het gevoel dat je een artistieke missie deelt. Het is ook van belang dat we binnen elk programma een spreiding van stijlen kunnen aanbieden en ons niet vastbijten in een bepaalde esthetiek. We zijn dus ook op zoek naar interessante combinaties.”

Waar staat Festival 20•21 Transit over vijf jaar?

“Ik denk dat de formule van ons festival zijn degelijkheid heeft bewezen. Onze openheid is een goed afweermiddel tegen verstarring. Omdat we geen repertoire bieden dat elders wordt gebracht en er soms zelfs nog geen noot op papier staat, betekent zijn wij ontdekkingsreizigers. Ook ons publiek deelt die zin voor avontuur. Zij blijft bereid te komen luisteren naar muziek die zij noch wij kennen. Met deze formule kunnen wij nog jaren voort. Ze nodigt uit om jezelf voortdurend kritisch in vraag te stellen, en steeds weer op zoek te gaan naar nieuwe inspirerende muzikale verhalen.”

Hoe beoordeelt u het Vlaamse cultuurbeleid?

“Als je praat over cultuurbeleid dan geeft elk land daar een eigen invulling aan. Twee aspecten: de mate van vrijgevigheid en de maatschappelijke waarde die aan cultuur wordt toegekend. Als je Vlaanderen vergelijkt met Duitsland, dan staat vast dat de Duitse budgetten veel hoger zijn dan de onze. Wij kunnen van die budgetten alleen maar dromen. Maar daar zit een gevaar in. Grote budgetten leiden niet noodzakelijk tot betere festivals. Beperking van middelen nodigt vaak uit tot grotere creativiteit en scherpere keuzes. Ik maak mij meer zorgen over de maatschappelijke waarde die sommige politici hechten aan de culturele sector. Ik proef hierin een neoliberale component waarbij cultuur alleen maar wordt gezien als entertainment die louter door de commerciële bril wordt bekeken. Andere waarden komen niet bod. Als ik zie dat parlementariërs spreken over ‘subsidieslurpers’, dan maak ik mij grote zorgen. En dat doe ik zeker als ik zie dat er in veel andere landen wel beleid wordt gemaakt voor ‘moeilijke’ cultuursectoren, zoals de 21ste-eeuwse muziek.

De afgelopen jaren hebben wij veel geïnvesteerd in communicatie met ons publiek. De combinatie van (mini)lezingen met kleine concerten werkt bij veel mensen drempelverlagend. De projectievideo’s van teksten die wij laten meelopen met liedrecitals bewijzen hun nut. Ik hoop dat wij binnenkort weer onze “sofa”-bijeenkomsten, waarin componisten en uitvoerders over hun kunst met het publiek praten, weer kunnen hervatten. Het zijn die kleine steentjes, en niet de grote gebaren, die bijdragen aan een verrijking van de luisterervaring. Op Festival 20•21 en Transit kan je dat met eigen ogen zien.”


  • WAT: Festival 20•21/Transit, 22 september – 25 oktober 2020, Leuven
  • PROGRAMMA & TICKETS: Festival 20•21/Transit
  • LOCATIES: Kapel Hollands College, STUK, 30CC/Schouwburg

Gerelateerde Artikelen

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: