Koer en Toer onder het canvas

Muzikanten in coronatijden, ze horen bij de zwaarst getroffenen in deze crisis. Podiumartisten zonder podium, maandenlang namen ze allerlei initiateven om toch maar hun publiek te bereiken. Intussen lijkt er licht aan het einde van de coronatunnel en zijn er hier en daar concerten in openlucht of met beperkt publiek.

In Aalst organiseert Koer en Toer een festival met theater en muziek. Kamermuziekfestival Arte Amanti doet mee. Nadat het festival midden maart werd geamputeerd en er slechts een kwart van de geplande recitals konden doorgaan, is er na vijf maanden eindelijk hoop.

Koer en Toer, dat is een stalen constructie bij de Graanmarkt, een soort halfgesloten hal met een afgeschermd podium. We zitten niet buiten en ook niet binnen. Op het programma staat Bach, Beethoven, Ravel, Gerschwin, Kodaly en Shostakovitch. De stalen buizen zijn met canvas overspannen. Zonder het te beseffen zal die canvas in de loop van het concert nog een rol spelen … Het gemondmaskerde publiek zit alleen of in bubbels van twee of drie verspreid in de hal. Het blijft vreemd die maskers te zien, gemuilkorfde wezens onder de canvas, Reinilde Leyers’ trouwe fans in deze hondse dagen.

We beginnen zoals het hoort, met Bach. Esther Duerinck speelt de solo vioolsonate sereen en ingetogen. Ze heeft de akoestiek in deze circustent niet mee. Geregeld zijn er straatgeluiden die in de sonate doordringen. Haar frêle klank wordt soms onderbroken door een Aalsterse zot die met zijn motto langs de Graanmarkt scheert. Daarna komen de broers Daems op, cellist Arthur en violist Emile. Het repertoire voor viool en cello is minder bekend dan dat voor strijkkwartet, maar grote componisten hebben fraaie duo’s geschreven, zoals Ravel en Kodaly vanavond. Ravel klinkt subtiel en geraffineerd, soms ook sprankelend. Het contrast met Kodaly kan niet groter. Met Kodaly, zoals met andere centraal-Europese componisten uit de eerste helft van de twintigste eeuw, is het alsof we in de aarde kruipen, diep in de Hongaarse ziel. De muziek gromt, kreunt, schreeuwt, schatert. Ravel is een heer van stand, Kodaly een landloper die op zoek gaat naar de oude melodieën van zijn volk.

Storm

Er was storm voorspeld, later op de avond. Bij Kodaly is het al later, en het zachte ruisen van de bomen in het park zijn harde windstoten tegen de canvas geworden. Wanneer het Sonoro Quartet aan de Beethoven opus 18 is begonnen, wordt hun prachtige spel begeleid door het basso continuo van klapperende canvas en gekraak van de buizen. Nog later gaat de wind liggen. De storm is over, denk ik. Maar niets is minder waar, want na het eerste meditatieve deel van het achtste strijkkwartet van Shostakovitch breekt de storm opnieuw los. Niet buiten, maar op het podium.

Mona Verhas, de eerste violiste van het Sonoro Quartet, zet het Allegro molto aan, ontketend als een feniks. De anderen volgen haar in de helse wervelwind. Shostakovitch leefde in een grauwe wereld waar de componist geniale sombere en grimmige muziek van heeft gemaakt. Soms klinkt hij gelaten en ondergaat het lot van de getergde Sovjetburger. Soms kan hij de boosheid niet meer onderdrukken en bijt hij in de hand van zijn broodheer, de stalen dictator. In de laatste delen van het kwartet slaat de woede terug om in sereniteit. Sereen en ook hoopvol, want op het einde van een symfonie, concerto of kwartet laat Shostakovitch vaak de hoop op het einde doorschemeren, op het einde van het gedoemde Sovjetrijk. Het klinkt universeel, want ook voor ons is er een boodschap, de hoop op het einde van de coronadictatuur.


  • WAT: Koer en Toer & Arte Amanti
  • WIE: Esther Duerinck (viool), Emile en Arthur Daems (viool, cello), Sonoro Quartet 
  • WAAR & WANNEER: 25 augustus 2020, Aalst
  • FOTO’S: © Martine De Maertelaere

Gerelateerde Artikelen

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: