Janáčeks Jenůfa in De Munt

Janaceks Jenufa

Freud nous rappelle : que ce n’est pas le mal, mais le bien, qui engendre, qui nourrit la culpabilité. Lacan, Télévision, 1974, p.71

Ludovic Morlot, chefdirigent van de Munt, dirigeerde het Symfonieorkest van de Munt bij deze nieuwe productie van Jenůfa, samen met het koor dat werd voorbereid door Martino Faggiani. De Letse regisseur Alvis Hermanis maakte zijn Muntdebuut.

Janáček is een bijzonder componist wiens muziek wortelt in de Oost-Europese traditie en Romantiek. Hij werd sterk beïnvloed door het modernisme van de nieuwe eeuw. Vooral na 1900 was hij erg productief en succesrijk. De traditie, de volksmuziek (met de typische tempoverschillen binnen één lied, dissonanten en uitroepen enz.), de nieuwe harmonieën en zijn eigen onderzoek naar de prosodie (de intonatie, klankgebruik en ritme van het spreken) bepalen mee de klankkleur van de opera Jenůfa.

Janáčeks composities zijn vrij herkenbaar. Ze zijn elegant, lyrisch en doorgaans gekenmerkt door een couleur local die tegelijk kosmopolitisch is. Wie aarzelt om naar de muziek van de 20ste eeuw te luisteren, kan behalve van Mahler ook eens van Janáček proeven.

Jenůfa

De opera geschreven van 1894 tot 1903, werd op 21 januari in Brno opgevoerd. De opera die eerst Její pastorkyňa (Haar Stiefdochter) heette, is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Gabriela Preissová en is één van de eerste muziekdrama’s in proza.

De opera werd populair in de herwerkte, minder scherpe versie van Karel Kovařovic die in 1916 werd opgevoerd in Praag. De Munt koost voor de oudste versie, de versie van Moravia.

Moravia, een grote landstreek in het Zuidoosten van Tsjechië, is de geboorteplaats van vele beroemde mensen: onder hen Sigmund Freud (de grondlegger van de psychoanalyse), Kurt Gödel (de wiskundige), Oscar Schindler (van ‘de list’), Milan Kundera (de schrijver), Edmund Husserl (de filosoof), Ivan Lendl (de tennisser), Alphons Mucha (de kunstenaar) en Léos Janacek (de componist). Het is ook een streek met een rijke traditie waar de kleurige klederdracht zo kenmerkend is. Verder is het een Slavisch volk met een bewogen geschiedenis. Europees als ze zijn kennen ze dezelfde ‘vrije’ partnerkeuze als in de rest van het continent.

Korte inhoud

Het verhaal van Jenůfa had zich ook in Vlaanderen kunnen situeren.

Eerste bedrijf

Een meisje is smoorverliefd op een vlotte succesrijke zoon van een (overleden) ondernemer, i.c. een molenaar. Ze is zwanger van hem en wil zo snel mogelijk met hem trouwen. Dat ze zwanger is, weet op dat moment niemand behalve zijzelf. Števa, zo heet de jongeman, is eigenlijk enkel geïnteresseerd in haar schoonheid, haar appelrode wangen. Meer nog, hij houdt van feesten wat Jenůfas stiefmoeder (en tevens kosterin) afschrikt.

Zij was met Števas nonkel getrouwd en die bleek, net als zijn broer (vader van Števa), een brutale dronkenlap. Zij verbiedt het huwelijk uit schrik voor het familiale geweld dat eruit zou volgen. Laca, de andere neef (die de kleine onderneming niet zal erven), is al lang verliefd op zijn nichtje Jenůfa. Maar hij is een vervelende of eerder sociaal onhandige kerel. Hij heeft de liefde van zijn grootmoeder die ook hem opvoedde, moeten missen.

Het eerste bedrijf speelt zich af op het moment dat Števa dronken en met bloemen van een ander meisje, terugkomt van de loting. Hij hoeft niet in het leger want hij heeft zich uitgekocht. Jenůfa draait desondanks om hem heen. Uit jaloezie verminkt Laca een appelrode wang die Števa even daarvoor nog vleierig roemde. Het hele dorp is blij en de stemming is feestelijk, zonder oog – zoals dat gaat – voor de kleine menselijke miserie. Die is voor thuis.

Tweede bedrijf

Het tweede bedrijf speelt zich af in het huis van de kosterin en Jenůfa. De stiefmoeder verbergt haar dochter voor de buitenwereld nadat ze weet dat deze zwanger was van Števa. Buiten sneeuwt het en de woonplaats is armtierig. Jenůfa is blij met de baby maar de kosterin wenst – in een tijd dat abortus geen optie was – dat het baby’tje zou sterven: dat is het beste voor iedereen. Ze verdooft haar stiefdochter om het met Števa op een huwelijksakkoord te kunnen gooien. Deze blijkt op de hoogte te zijn van de zwangerschap maar kwam nooit informeren naar Jenůfa. Hij schrikt als hij hoort dat het kind geboren is. Hij tracht er zich uit te praten en laat tenslotte een afkoopsom achter. Hij heeft zich verloofd met de dochter van de burgemeester. Hij argumenteert venijnig dat Jenůfa haar schoonheid verloor en op haar stiefmoeder is gaan lijken. Later komt Laca binnenvallen en de kosterin legt hem uit dat Jenůfa niet op reis is, maar in het huis, zwanger was en ondertussen bevallen. Ze hoopt dan maar dat hij met Jenůfa trouwt en flapt er uit dat het kind dood is. Zo is er geen bezwaar tot huwen meer. Ze stuurt Laca weg en vertrekt zelf om het kind te sterven te leggen in de bevroren molenbeek. Jenůfa wordt wakker en hoopt angstig dat het kind niet echt weg is… De moeder komt terug en vertelt Jenůfa dat het kind stierf toen Jenůfa met ijlkoorts sliep en stelt Laca voor als een goede trouwpartij. Als Laca terug is, wil hij nog steeds huwen maar…  Jenůfa verzucht:  “Ik had mij het leven anders voorgesteld”.

Derde bedrijf

We zijn weer enkele maanden verder en Jenůfa gaat in kleine kring trouwen met Laca. De schoonmoeder is er duidelijk slecht aan toe en de sfeer heeft een herkenbare mengeling van blijdschap en angstig voorgevoel. Števa duikt op met zijn aanstaande bruid. Er is een kleine verzoening en een koortje komt nog even aanzetten om toch nog een traditioneel liedje te zingen. Net als de ceremonie begonnen is, stormt de kleine Jano de scène op: er is een babylijkje gevonden. Jenůfa herkent het als haar kindje. Tot ieders verbazing bekent de kosteres, verlost van haar knagend geheim, het hele gebeuren. Števa wordt aangeduid als vader en raakt op slag zijn verloofde kwijt. De kosterin voert men weg en het verzamelde gezelschap maakt zich uit de voeten. De schone schijn verdwijnt minder aarzelend dan ze begon. Enkel Jenůfa en Laca blijven over. De eerste begrijpt in al haar miserie dat Laca niet meer met haar wil touwen. Maar hij blijft trouw aan zijn liefde. Jenůfa kust deze lieve trouwe man…

De verwondering

De afwisseling tussen de publieke ruimte en het intieme van het kleine huis wordt door de regisseur Hermanis uitvergroot. Het eerste en derde bedrijf hebben een prachtig, eerder druk versierd Jugendstil decor zoals ze het in die eeuwwisseling graag zagen. De kostuums zijn naar de Moravische traditie gemaakt en Hermanis vormt de speelstijl eerder als Kabuki-theater (dixit Hermanis). Zo’n stijl heeft iets olijk en barok. Mij doet het denken aan marionettentheater dat graag de maatschappij een spiegel voor houdt.

Door de gekunsteldheid van het decoratieve en de esthetisering van het sociale discours, komt de tragedie naar voor, zoals de ontkenning op de vraag ‘Is er iets?’ steeds het ergste doet vermoeden.

(Zo gaat het ook op onze feesten waar alle vetes en verdriet onder de vlakte van de beleefdheid blijven en men de schijn bewaart ondanks het toenemende niveau van intoxicatie. Als dan toch een tragedie het daglicht ziet, blijft het merkwaardig genoeg slechts sluimerend verder bestaan in het roddelcircuit.)

De decoratieve schaalvergroting mist volgens mij zijn effect niet want wie iets wil laten zien, kan dat het best verbergen. De afwisselende Mucha-prenten becommentariëren het verhaal maar die heb ik niet allemaal gezien: ogen tekort. Onder het getekende decor (zie foto) zorgt een horizontale lijst voor versiering: een rij danseressen (rei) die misschien het drama ondersteunen hoewel hier de functie ervan me ietwat ontgaat. In het tweede bedrijf ziet men deze rei terug verschijnen achter de vensterramen. Op het moment dat de kosterin het kindje (off-scene) in de beek legt en Jenůfa angstvallig wacht en zingt, schuiven de dames van links naar rechts (vanuit het publiek) en geven telkens de baby door zodat deze op dezelfde plaats blijft. Een beeld als uit een nachtmerrie.

De toeschouwer wordt betrokken in de met emoties beladen armtierige kamer (het detail van de kleine zwart-wit teevee met vermoedelijk een soap, vind ik treffend).

De kosterin voortgejaagd om het goede te doen voor haar dochter en ook voor zichzelf (wat-doe-jij-mij-aan), pleegt een kindermoord: een (kleine) aanslag op de emoties. De vaart in het tweede bedrijf, gedragen door de zangers en het orkest, geeft een ondraaglijke inkijk in het bestaan – om een andere Moraviër te parafraseren. We zien en horen de lafheid van Števa en de edelmoedige naïviteit van Laca; de wanhoop van de stiefmoeder ten aanzien van het sociale overleven, schitterend vertolkt door sopraan Jeanne-Michèle Charbonnet, en de angstige ‘medeplichtigheid’ door haar heimelijke instemming van Jenůfa die aangrijpend wordt gezongen door sopraan Sally Matthews. Sterke momenten volgen elkaar op. Je zit gewoon in het verhaal. – Bravo –

Het derde bedrijf met weerom art-nouveau en kabuki als een schijnbare adempauze na het emotionele tumult. De rei is er terug net zoals de sociale orde ondersteund door welvoeglijkheid (het maniërisme van de kabuki). Maar de ‘ziekte’ en de pijn van de kosterin en het zwarte kanten schortje over het (trouw-)kleed, verraden reeds de tragedie. Het koor zingt nog troostend en met verve het traditionele huwelijksliedje. Tot het bericht komt van Jano (pittig gebracht door sopraan Chloé Briot) die onthutst de boodschap brengt van de akelige vondst. De danseressen worden plots een ijzige molenbeek (op het voorplan nu) als de kosterin haar daad bekent en uitlegt. Weerom die vroeg 19de eeuwse overdaad, maar voor mij werkte het wel – misschien omdat ik ook zoiets verwachtte? Als in één adem volg je de tragedie die pas tot stilstand komt bij de eenzaamheid van Jenůfa en de tragische Laca (de geweldige tenor Charles Workman). Eeuwige liefde in de vorm van een rozenstruik groeide op het scherm. Een happy end met doorns…

Het doek valt… “Bravo!”, roepen enkele enthousiastelingen spontaan. Een daverend applaus barst los van het diverse en internationale publiek en van mij ook. 

Slotmijmering

Achteraf op de trein genoot ik nog na van het spektakel dat zowel visueel (hoewel veel) als emotioneel treffend was. De arme stiefmoeder, zo dacht ik nog, werd een moordenares gedreven door de angst van de sociale afwijzing en uit angst voor haar stiefdochters ongeluk. Niet het slechte maar het goede wekt en voedt het schuldgevoel. Števa had daar geen last van.

Bedankt Munt voor deze productie, bedankt Hermanis voor deze interpretatie. Was het een perfecte voorstelling? Neen, maar de minieme oneffenheden wegen niet op tegenover het geheel; bijna perfect, dus. Wie nog (na) wil genieten, kan terecht op de website.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: