In love with Takács

Het Takács Quartet: geeft zijn publiek het heerlijke gevoel dat de muziek zó hoort te klinken, en niet anders. Het aftellen naar hun volgende doortocht is alvast begonnen.

Of het mogelijk is dat een viertal dat al bijna veertig jaar op de bühne staat nog een frisse wind door het strijkkwartetrepertoire laat waaien? De vraag stellen, is ze ook beantwoorden, moet het Takács Quartet gedacht hebben. En ze pakten met bijzonder veel panache en enkele prachtige stukken muziek deSingel in.

Of het mogelijk is dat een viertal dat al bijna veertig jaar op de bühne staat nog een frisse wind door het strijkkwartetrepertoire laat waaien? De vraag stellen, is ze ook beantwoorden, moet het Takács Quartet gedacht hebben. En ze pakten met bijzonder veel panache en enkele prachtige stukken muziek deSingel in.

 

Toegegeven, het is een beetje bij de snaren getrokken. Het Takács Quartet zag dan wel in 1975 het levenslicht, sindsdien onderging dit van oorsprong Hongaarse ensemble een al bij al beperkt aantal personeelswissels en trok het en passant in 1983 na een tournee door de VS definitief de Atlantische Oceaan over. Eerste viool Gabor Takács-Nagy verliet het naar hem vernoemde kwartet in 1992 om te worden vervangen door huidig primarius Edward Dusinberre, terwijl de bezetting van de altviool reeds tweemaal wijzigde. Op die stoel zit nu al meer dan acht jaar Geraldine Walther, als de eerste vrouw ooit bij het traditierijke kwartet. Maar dus zowel op de tweede viool als de cello maken de stichtende leden Károly Schranz en András Fejér nog steeds de dienst uit. In die vier decennia is het Takács Quartet uitgegroeid tot een zeer welgekomen gast in 's werelds meest prestigieuze  concertzalen . Het pleit voor deSingel dat zij dit gereputeerde ensemble voor de tweede maal kon strikken.

 

Musicologenpraat

 

Op de playlist van vanavond geen componisten waarmee het Takács Quartet op plaat zo'n hoge ogen gooide. Geen Beethoven dus, met wiens cyclus het viertal een karrenvracht aan prijzen in ontvangst mocht nemen, noch Bartók, waarvan hun referentieopname een Gramophone Award en een Grammy-nominatie in de wacht sleepte. Verschenen daarentegen wel op de pupiter: drie verschillende stijlperiodes, gaande van de klassiek over hoog- tot postromantiek, verpersoonlijkt door Mozart, Dvořák en Janáček. Doet u alvast geen moeite om te zoeken naar een rode draad die dit driemanschap verbindt, zo opende docent muziekgeschiedenis Jacques Van Deun zijn inleiding, want die is er niet. Zo is Mozart de vreemde eend in de bijt te midden zijn “Tsjechische” collega-toondichters, maar ook die ogenschijnlijke verbondenheid loopt algauw stuk op een anachronisme. Want alle ijver van de nationale scholen ten spijt was Dvořák een Bohemer en werd Le Janáček in Moravië geboren. Om in het programma alsnog wat meer pseudo-nationale coherentie te injecteren, ware volgens Van Deun zowel ene Josef Mysliveček (1737-1781) als Bedřich Smetana (1824-1884) valabele kandidaten geweest. “Maar dat is typisch musicologenpraat. Muzikanten spelen wat zij graag spelen en als ze dat goed doen, kunnen we daar alleen maar tevreden mee zijn.”

 

Welaan dan, had het publiek deze avond reden om tevreden huiswaarts te keren? De voortekenen waren natuurlijk zeer gunstig. Zoveel jaren samen op de teller laten zich nu eenmaal niet loochenen. Die zorgen voor een eenheid van denken én handelen dewelke van begin tot eind op verrukkelijke wijze hoor- én zichtbaar was. En dus fonkelde Mozarts zestiende strijkkwartet (1783) – het derde uit de zesdelige reeks zogenaamde Haydnkwartetten die Mozart aan zijn “caro amico” opdroeg – door een zeer compacte samenklank. De harmonische texturen klonken hecht en het opgesmukte Andante con moto baadde op die manier in een volle, welluidende en aandoenlijke warme gloed. Even subtiel als smaakvol waren voorts de dynamische accenten in het openingsdeel, waarin Mozart zowel een dartele als meer ernstige toon aanslaat. Een pluim verdiende ten slotte ook de articulatie waarmee het Menuetto, inclusief een sterk doorvoeld Trio, werd geanimeerd. Die was wars van ordinair effectbejag, maar gaf aan de beweging een even typische als aanstekelijke zwier. Niet voor het laatst tijdens dit concert overviel mij het uitzonderlijke gevoel dat deze prachtige muziek zó hoorde te klinken, en niet anders.

 

Vastberadenheid en souplesse

 

Een groter contrast tussen de verfijnde galanterieën van Mozart en de temperamentvolle non-conformist Janáček, die meteen daarna op de toehoorders werd losgelaten, is moeilijk denkbaar. Met diens eerste strijkkwartet, waarvan de oorspronkelijke ideeën teruggaan op een verloren pianotrio dat vijftien jaar eerder werd getoonzet, vertolkte de componist bijzonder heftige emoties op een zeldzaam indringende manier. Janáček bedacht dit opzienbarende werk uit 1923 met de bijnaam “Kreutzer-sonate”, maar hij verwijst daarmee niet op de eerste plaats naar het beroemde opus voor viool en piano van Beethoven als wel naar de gelijknamige novelle van de Russische literatuurreus Lev Tolstoj (1828-1910). Krejtserova Sonata (1889) vertelt het tragische moordverhaal, nadat een man zijn vrouw met haar vioolpartner betrapte toen ze iets heel anders dan de Kreutzer-sonate aan het spelen waren. Janáček, zelf in een liefdeloos huwelijk verstrikt en hunkerend naar een onbereikbare want helaas getrouwde vrouw, werd door deze historie fel aangegrepen. En dus leverden fictie en realiteit samen de programmatische inslag voor een suggestief strijkkwartet, waarvan de thematiek nota bene ook in een tweede kwartet, getiteld “Intieme brieven”, zou opduiken.

 

Met een overtuigende combinatie van vastberadenheid en souplesse manoeuvreerde het Takács Quartet zich door de grillige partituur. Vastbesloten om deze expressieve muziek vol passie en suspense op een geëngageerde manier te vertolken en toch opvallend soepel in de invulling van terugkerende motieven, getuige bijvoorbeeld het markante verschil in karakter tussen de aanhef van beide hoekdelen. De tempo-aanduiding – Con moto, oftewel “bewegelijk” – die als een rode draad doorheen de compositie loopt, gaf het ensemble een vrijheid waar het overwogen mee omsprong. De sowieso reeds scherpe volatiliteit van het werk werd er extra door in de verf gezet. Het viertal verzorgde op die manier een uitermate beklijvende Janáček, en nam moeiteloos de daarbij horende, technische horden. Zo werd elke overpeinzing, zweem van poëzie of tedere lyriek resoluut de kop ingedrukt door snerpende tremolo's en krachtige uitroep- of vraagtekens aan de kam. De resultante was een levendige, lang uitgesponnen en uitmuntend getimede spanningsboog die in een zinderende en bijwijlen ook agressieve finale alsnog in wrange berusting uitmondde. Uniek.

 

Amerikaans?

 

Is het twaalfde en tevens meest populaire strijkkwartet van Dvořák u onbekend, lees dan voor een keer niet verder, maar  laat je gewoon meteen meeslepen door haar onmiskenbare schoonheid  – de, euhm, ongewone kapsels van het Prazak Quartet ten spijt. De Boheemse grootmeester had in 1893, tijdens diens driejarige verblijf in de US of A (1892-1895), slechts een luttele twee weken nodig gehad om de vier delen op papier te zetten. In al hun enthousiasme werd het melodieuze juweel door de lokale critici meteen toegeëigend, maar de koosnaam “Amerikaans” refereert toch voornamelijk aan de plaats waar het stuk gecomponeerd werd, eerder dan aan de bijna toevallige Amerikaanse trekjes in de partituur. Zoals steeds bleef Dvořák ook over deze naamgeving op de vlakte, al wijst de prominent aanwezige pentatoniek eerder naar de eigen, Slavische volkstraditie. Hoe dan ook heeft deze muziek voor het Takács Quartet een bijzondere, haast symbolische waarde, aangezien haar eigen geschiedenis zich eveneens op beide continenten heeft afgespeeld. En dat was er ook aan te horen. Van het hartstochtelijke en spitant gefraseerde Allegro ma non troppo, over het bezielde pathos van het aangrijpende Lento en de gemaximaliseerde zeggingskracht van het scherzo tot en met het ritmisch briljante slot: hier werd een standaard gezet. Opnieuw, zó hoort het. Met als extraatje het trage deel uit Mozarts fameuze Jagd-kwartet – één van die andere Haydnkwartetten – was de cirkel mooi rond.

 

Het Takács Quartet is in ons landje – driewerf helaas – niet elk seizoen live te beluisteren. Hun laatste passage dateerde van de lente van 2012 in BOZAR, en aan de Schelde was dit zelfs al bijna vier jaar geleden. Maar tijdens deze buitengewone avond werden de verwachtingen ruimschoots ingelost. Daags na Valentijn koste het geen enkele moeite om op dit kwartetspel verliefd te worden. En dus kan dit ensemble niet snel genoeg terug in België staan. Het aftellen naar een volgende date is alvast begonnen.

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: