Het schandaal van Schmelzer

Een Viking lookalike, die met zijn geesteskind GRAINDELAVOIX de controverse zowat tot huisstijl maakte, kwam in De Bijloke spreken over ‘het schandaal van de polyfonie’. Of zoveel beeldengestorm, opgebouwd in drie tableaus, wel goed is voor een mens, was initieel niet helemaal zeker. Maar, zo bleek achteraf, een immer enthousiaste en erudiete Björn Schmelzer weet met zijn prikkelende ideeën en paradoxen ook als spreker een publiek anderhalf uur lang in de ban te houden. “Wat universeel is in een cultuur, is altijd het uitzonderlijke.” Dat vraagt om wat extra toelichting natuurlijk. Al was er soms die gedachtesprong teveel, waardoor de laatste twee tableaus pas ternauwernood werden aangesneden.

Volgens Schmelzer, sinds het begin van deze eeuw artistiek leider van het vocaal oude muziekensemble GRAINDELAVOIX, was het ontstaan van meerstemmige muziek in de 12de eeuw niet het resultaat van een lang en geleidelijk proces, maar van een abrupte scheur die aanleiding gaf tot een modern concept van kunst. Ieder historicus wordt van een boude stelling als deze natuurlijk meteen meer dan een tikkeltje wantrouwig. Want leert de heuristiek ons niet om in de maalstroom der geschiedenis bijzonder voorzichtig te zijn met plotse omwentelingen? U kent ze vast nog wel van de middelbare school. 476, 1453 of 1789, enkele miraculeuze jaartallen waarin alles zogezegd veranderde en ook nooit meer hetzelfde zou worden. Als reactie op deze evenementiële geschiedschrijving benadrukte de École des Annales, en ene Fernand Braudel in het bijzonder, het concept van de ‘longue durée’. En net dát langetermijnperspectief zou voor culturele veranderingen allerhande instrumenteel zijn. Bovendien kunnen we ons een modern concept van kunst uit de koker van de middeleeuwers maar moeilijk voorstellen. Veel gekker kan haast niet. Al is dat lange, duistere tijdvak op zijn beurt alweer een huizenhoog en o zo fout cliché, die mannen – hoogst zelden een vrouw – creëerden toch niets uit en van zichzelf. Ze kopieerden alleen maar wat, toch, beste lezers? Unisono als ze waren. Hoe dan ook, als weinig subtiele teaser werkte het schandalige uitgangspunt van Schmelzer wonderwel, getuige een volgelopen – maar niet volgepakt natuurlijk – De Bijloke Café.

Moderne flessenpost

Björn Schmelzer is ook geen historicus pure et dure. Naast antropoloog en (etno)musicoloog is deze Viking annex opvallend Jezusfiguur naar eigen zeggen vooral een autodidact die met zijn zingend, in Antwerpen gehuisveste, maar dit seizoen in Gent residerende gezelschap tegen het zeker ook in onze contreien heilige huisje van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk schopt. “De kunstenaar als nestbevuiler is bijna een morele plicht”, zo klonk het ook vanavond stellig. Bij Klara, en dan meer bepaald bij de redactie van Berg en Dal, juichen ze die rebelse houding luidop toe. Daar vinden ze de associatieve, holistische en dus doorgaans onorthodoxe aanpak van GRAINDELAVOIX duidelijk geweldig. “Beter en gezonder dan de beste dope.” Wablieft …! Come again? Ondanks het meer dan acute verslavingsgevaar zien we ons dan maar verplicht om een beperkte dosis van dit muzikale roesmiddel hieronder toe te dienen. Deze video, gemaakt op basis van een integrale opname uit 2019 van de Tenebrae Responsoria van de late renaissancist Carlo Gesualdo (1611), is onderdeel van een zowel gewaagde als fenomenale, en onmiskenbaar ook – jawel – polyfone marathon van maar liefst vier uur, gecomponeerd om de hoogdagen van de Goede Week op te luisteren.

Met zijn visie op het verleden, en hoe dat naar het heden kan worden gebracht, kleurt Schmelzer al vele jaren overtuigd buiten de lijntjes. De man is vrijwel allergisch aan woorden als cultuurpatrimonium en … canonisering. “Want hoe klinkt dat dan? Ik zou het niet weten.” Hij gelooft weliswaar in het universele van de kunst, maar die universaliteit zit hem niet zozeer in het schone, wel in het uitzonderlijke: het punt dat de schoonheid misschien net verstoort en waarover men niet kan spreken – een trauma eigenlijk, maar dan met een positieve betekenis. Het simpele, lineaire perspectief wordt door hem ook afgezworen of minstens fundamenteel in vraag gesteld, zo bleek nogmaals eerder dit jaar uit een ontmoeting met twee studenten van de School of Arts Gent. “Ik hou nogal van Adorno’s idee van kunstwerken als flessenpost. Het zijn rare dingen die uit het verleden komen aandrijven. Weird stuff, waar moeilijk een touw aan vast te knopen is. Wij, in het heden, hebben de plicht die flessen te openen. Alleen mag je de inhoud ervan niet neutraliseren met historische uitvoeringspraktijk. Je moet de eigenaardigheid ervan net in de verf zetten. […] De filosoof Bruno Latour zegt ‘Nous n’avons jamais été modernes’. Ik zeg bij wijze van boutade: ‘Nous avons toujours été modernes’. Ik meen dat ergens in de 13de en 14de eeuw een verloren moderniteit verzonken ligt, een die zich nooit geactualiseerd heeft.”

De dans ontspringen

Over die verloren moderniteit en “de nood aan schandalen in kunst en cultuur” ging het dus ook vanavond, tijdens het eerste – toeval of niet – Avondje Adorno: een nieuwe lezingenreeks over muziek van De Bijloke, telkens op maandagavond. Schandalen hebben immers een “emancipatorisch potentieel”, zo formuleerde Schmelzer van bij aanvang een duidelijk uitgangspunt. Vervolgens nam hij, met enige schroom weliswaar, een tiental blaadjes papier ter hand. Het risico dat er anders van de hak op de tak zou worden gesprongen, was te groot. Zelfkennis als het begin van alle wijsheid, maar dan zonder af te lezen. Dat begon dus al goed, ware er niet de onoverkomelijke aard van het beestje. De spreker zou drie tableaus ophangen, waarbij eerst halt werd gehouden in de 19de eeuw om vervolgens via de 12de tot de 14de eeuw uiteindelijk in het heden te belanden. Het zou in feite net iets anders en vooral ook trager verlopen dan aanvankelijk geschetst, al werd de eigen filosofie achter het betoog wél meteen geëxpliciteerd: “Waar het in cultuur en de meeste culturen werkelijk om draait, is het onuitspreekbare, dat er desondanks toch is. Een kunstenaar zoekt naar die onzeglijke kern van repertoire uit het verleden.” Daar is het Schmelzer dus om te doen, eerder dan om het historiseren en steeds maar verder accumuleren van informatie uit het verleden. “Het is soms zelfs een kwestie van te desinformeren” – voorwaar een boude uitspraak in andere contexten en woelige, ja zelfs fake tijden – “om aldus te raken aan het ontijdige en het aberrante in de kunst.” Het is de idee van de geschiedenis als ladder die je wel moet beklimmen, maar nadien zonder pardon wegtrapt of, beter nog, wegzingt. Om zo, net als de kunstenaar zelf, “de dans van de eigen tijd te ontspringen”. Om iets te doen waar de eigen tijd geen blijf mee weet. En waar dus altijd nog een publiek voor in de maak is. Zowaar een mooie, hoopvolle gedachte!

Aansluitend werd een eerste, algauw vruchteloze poging gedaan om zich aan de uitgeschreven tekst te houden. “De hernieuwde appreciatie voor oude muziek, de reconstructie en her-uitvinding van muzikale repertoires uit het verleden, ontstond in het begin van de 19de eeuw: in de tijd van de restauratie en de traumatische nasleep van de Franse revolutie. Muziek uit het verleden uitvoeren, was zo’n restaurerend symptoom én bovendien een essentieel morele houding.” Want de gelijkheid van stemmen die de polyfonie zo wezenlijk kenmerkte, was ook het prototype voor een democratisch potentieel. Maar daartoe moesten, zo benadrukte Schmelzer, “twee vijanden worden geëlimineerd”, prooien van een doorslaande esthetische moderniteit: de monstrueuze, welhaast onnatuurlijke romantische muziek van Beethoven en konsoorten, en de onaantrekkelijke, gedegenereerde survivals van het muzikale verleden. Om deze tweede uitsluiting en “paradigmatische breuk” duidelijker te illustreren, werd teruggegrepen naar, en even bevlogen als uitvoerig geciteerd uit een artikel van de schilder en organist Jean-Joseph Bonaventure Laurens (1801-1890). In De la Musique religieuse dans l’ancienne tonalité (Revue du Midi, 1843) promootte die als een van de eersten de muzikale aanpak van de vandaag in vergetelheid geraakte Justus Thibaut (1772-1840), en dit tegen de even traditionele als roekeloze praktijken van de chantres au lutrin die in de parochiekerken in Frankrijk gangbaar waren. Die aanpak was in tegenstelling tot in het (verre) verleden gericht op herkenbaarheid, en niet langer op aemulatio, waarbij de partituur van een muziekstuk als eerbetoon aan de componist zoveel als mogelijk werd uitgewrongen en tot zichzelf gemaakt. Met alle ingrijpende gevolgen van dien voor de getrouwheid. Precies daartegen (re)ageerde Thibaut met zijn in 1825 anoniem gepubliceerde Über Reinheit der Tonkunst. Daarin werd een vurig pleidooi gehouden tegen “ongezonde en immorele elementen” in de muziek, tegen ornamentatie en vóór “goedbedoelde authenticiteit” en “pure eenvoud”.

Uitzuivering versus Nachleben

Wat Thibaut hier volgens Schmelzer initieert, is de prototypische inzet van de 19de-eeuwse oude muziek-“revival”. “In oorsprong is er dat fantasma dat er in de oude repertoires geen gat is, geen ‘punctum’, zoals Roland Barthes (1915-1980) het noemde, dat kunst in de positieve zin kenmerkt en onverteerbaar maakt. Muzikale expressie spruit daarentegen immer voort uit de natuur der dingen zelf, vandaar ook de idee dat uitvoeringen in de originele context altijd en overal de beste zouden zijn. In die zin is de geschiedenis een traag proces van corruptie en decadentie, die er zogezegd in het begin niet waren. De enige manier om zinvol met het verleden om te gaan, is daarom het revivalisme: het proces van uitzuivering van alle latere elementen die het origineel bezoedelen, ja zelfs kapot maken, en die door de Duitse cultuurtheoreticus Aby Warburg (1866-1929) het Nachleben van een kunstwerk werd genoemd.” Dat tweede leven is een soort van anorganische staat – net zoals de gotiek de eerste architectuur van het anorganische zou zijn, een werf die nooit écht af is – die ook op vandaag in de oude muziek blijkbaar niet aanvaard wordt of waar men het toch op z’n minst heel erg moeilijk mee heeft. Oorspronkelijkheid is immers synoniem voor goed, een teveel aan Nachleben en “survival” anderzijds slecht.

Hoog tijd om naar het tweede tableau en de 12de eeuw te springen, want ondertussen zijn we al ruim een uur ver. Zo verwijst het schandaal in de titel van Schmelzers lezing evenzeer naar de seksuele aberratie en het onmogelijk erotische waarmee de meerstemmigheid van bij haar ontstaan werd vereenzelvigd. Want zorgde de polyfonie voor muzikale vernieuwing, dan werd zij in de vrome middeleeuwen ook vergeleken met sodomie. Mannelijke zangers die op elkaars lippen staan te zingen, die elkaar vasthouden en wiens monden in elkaar schuiven. De getoonde plaatjes lieten inderdaad weinig aan de verbeelding over. “Het uitzuiveren van de polyfonie in de 19de eeuw, en de vaststelling dat er iets louche aan is, was eigenlijk de juiste intuïtie”, zo luidde de boodschap, en sluit aan bij de idee die vanaf de 12de eeuw opgang maakte waarbij naast de mens ook de natuur en het dierenrijk zelf als corrupt werden beschouwd. Om die evolutie aanschouwelijk te maken, gaat Schmelzer onder andere te rade bij cisterciënzermonnik Alain de Lille en zijn  De planctu naturae, en duiken er verder ook enkele afbeeldingen op van de Tuin der Lusten. Dat Jheronimus Bosch ruim drie eeuwen later bij de Lille inspiratie vond, is zo klaar als de dieren op het paneel mismaakt zijn. En met de polyfonie brak deze decadentie dus ook in de sacrale muziek door. Foei!  “Als het verlangen om te luisteren het geluid meer verlangt dan de betekenis van de tekst, moet het worden afgekeurd”, zo zwaaide kerkvader Augustinus al met het opgestoken vingertje.

Pas helemaal op het eind krijgen we ‘het schandaal van de polyfonie’ ook eindelijk in het oor gesplitst. Tweemaal zelfs. Kort, want de tijd zit er zo goed als op. Met Fumeux fume par fumee en Science n’a nul annemi horen we hoe de 14de-eeuwse Ars subtilior in het heden klinkt. Eerst verschillende stemmen die op een bevreemdende manier op elkaar inspelen en aldus een chromatiek avant la lettre creëren, gevolgd door verstomming oproepende, dissonante klanken. Muziek die zodanig ontwricht, dat ze inderdaad de dans van haar eigen tijd ontspringt. “Ik had nog zeker zes pagina’s te gaan”, stelde Schmelzer weinig verrassend vast. Niet elke nobele poging om aan de tijd te ontkomen, hoe boeiend ook, loopt even goed af.


  • WIE: Björn Schmelzer, artistiek leider van GRAINDELAVOIX
  • WAT: Het schandaal van de polyfonie, lezing over het ontstaan van meerstemmige muziek en de impact daarvan op de kunsten
  • WAAR: De Bijloke Café
  • WANNEER: maandag 21 september 2020
  • FOTO’S: © Kwinten De Pauw
[Ai corona! “Je kan de tijd niet terughalen zonder het risico op gruis, verstoring en onzuiverheid,” zo luidt helaas de voorspellende kracht van Schmelzer. De gratis tentoonstelling Time Regained. Een nooit geziene atlas voor oude muziek die normaal gezien dit weekend in het prachtige gerenoveerde en gerestaureerde Kabinet van het Anatomisch Instituut zou openen, moest in overleg opgeschoven worden naar later in het seizoen. De makers, de Portugese Margarida Garcia en Schmelzer zelve, hopen samen met De Bijloke om vanaf mei 2021 alsnog de verloren tijd terug te winnen.]

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: