Hét boek over De Boeck

August De Boeck, Componist

Gouden Label – Op 9 oktober 2012 zal het 75 jaar geleden zijn dat August De Boerck in Merchtem overleed. De Boeck was geen man die onder zijn kerktoren bleef, maar er wel steeds graag naar terugkwam. De Boeck was een man van de wereld, maar zijn geboorteplaats Mechtem was zijn échte thuis. De gemeente Merchtem heeft voor dit “De Boeckjaar” een schitterende publicatie uitgegeven: “August De Boeck (1865 – 1937). Componist”. Een strakke titel voor een rijkdom aan inhoud.

Er zijn inkijkboeken en er zijn biografieën; er bestaan wetenschappelijke naslagwerken en ook handige systematische werkbesprekingen; tenslotte zijn er ook onderhoudende boeken die compilaties zijn van allerlei anekdotes. Wanneer men al deze elementen weet samen te brengen in één naslagwerk dan is dat een verbluffende prestatie, temeer omdat men op slechts weinig voorafgaande studies kon steunen, en omdat men quasi vanaf de grond alles heeft moeten opbouwen en verifiëren.

De biografie wordt als een kroniek voorgesteld, jaar per jaar, gelardeerd met anekdotes en citaten. Het leest als een trein, met een schat aan iconografisch materiaal en korte uitweidingen die de kroniek haar reliëf bezorgen (bvb. “August De Boeck en Edgard Tinel”, “De concerten in het Kursaal van Oostende”). Het is het werk van Frank Teirlinck die alles nog eens heeft nageplozen en geverifieerd. Frank Teirlinck is, samen met Jozef De Beenhouwer en Jan Melsen, de drijvende kracht achter deze publicatie geweest. Dit trojka heeft een groep medewerkers achter zich kunnen scharen die stuk voor stuk uitmuntende bijdragen hebben geleverd ofwel vanuit persoonlijke betrokkenheid, zoals Frits Celis over de opera’s van De Boeck, ofwel vanuit rake analyse, zoals Vic Nees over de religieuze en profane koormuziek, of vanuit een grondige situering van een deelaspect, zoals Kristin Van den Buys in haar studie over De Boeck en het NIR.

Met de kroniek gaat het doek open. De volgende scènes belichten een aantal aspecten van de persoonlijkheid van August De Boeck en van het milieu waarin hij vertoefde o.m. een verhelderend hoofdstuk over “De Boeck als Vlaming en Belg” met het getouwtrek om hem zowel voor de ene als voor de andere kar te spannen. Gust De Boeck frequenteerde in Brussel even graag de Franstalige artistieke kringen als de Vlaamse vereniging “Eéndracht is Macht” van August Vermeylen, Lodewijk De Raedt en Herman Teirlinck. De Boeck was geen franskiljon en ook geen flamingant, al componeerde hij wel een “Vliegt de Blauwvoet” in 1908, en al stemde hij in 1922 tegen… de vernederlandsing van de Gentse universiteit! Het is een verhelderend hoofdstuk dat de bitse kanten en het politiek gekrakeel achter de schermen laat zien. Ook alweer een bijdrage van Frank Teirlinck.

Het “mooiste” hoofdstuk is van Jan Melsen over De Boeck en de kunstmilieus. De Boeck bezat zelf een redelijke collectie schilderijen en tekeningen en etsen van eigentijdse kunstenaars. Jan Melsen schetst een levendig beeld van de bindingen tussen de kunstkringen en musici en gaat uitgebreid in op de vriendschap van De Boeck met Ensor en van De Boeck met Marten Melsen (grootvader van de auteur). Eén heel mooi citaat van Ensor: “Cher et Auguste (=doorluchtige) De Boeck, vous seriez beau peintre si vous n’étiez parfait musicien”.

Kroniek en facetten van August De Boeck vormt het eerste deel van de publicatie. Het tweede deel gaat uitgebreid in op het oeuvre van De Boeck. Het leeuwenaandeel hierin werd verzorgd door Jozef De Beenhouwer. Omvattend, helder en to the point overloopt hij de pianomuziek, liederen, kamermuziek en het symfonische werk. Zijn grondig onderzoek van de bronnen en zijn omgang als musicus met het oeuvre van De Boeck maken het tot een onschatbare bijdrage. Frits Celis bekleedt de ereplaats met het hoofdstuk over de opera’s van De Boeck. Frits Celis (°1929) kent deze werken door en door, zowel vanuit zijn praktijk als musicus in het orkest van de Vlaamse opera in de jaren1940 en 1950, als nadien vanuit zijn ervaring als dirigent in drie van de vijf opera’s van De Boeck. Celis schetst telkens de achtergrond, de historiek van de uitvoeringen en het inhoudelijke aspect en geeft dan een muzikale analyse. Ontegenzeggelijk blijft “La Route d’Émeraude” (of  “Francesca” in de Nederlandstalige versie) voor hem het meesterwerk en hij noemt het liefdesduet uit het 2de bedrijf een absoluut unicum in ons nationale muziekpatrimonium. Het hoofdstuk over de opera’s is bovendien bijzonder rijkelijk geïllustreerd met originele documenten. Vic Nees, hebben we al verteld, analyseert bijzonder raak en puntig de religieuze en profane koormuziek; Michael Scheck schreef een bijdrage over de cantates, Walter Callaert over De Boeck als organist en Sus Herbosch situeerde de komposities voor harmonie en fanfare in het netwerk van de Merchtemse muziekverenigingen.

Kritiek op de mogelijke onvolledigheid van de publicatie? Ja en nee. Er ontbreekt een systematische werkcatalagus, één van de onmisbare vereisten om verder aan de slag te kunnen gaan. Maar musicoloog Pieter Mannaerts schetst in een hoofdstuk “ Wilde wanhoop, smart en wierook” de deplorabele toestand van de inventarisatie van het oeuvre van De Boeck, verdeeld over verschillende collecties, al dan niet toegankelijk: het AMVC-Letterenhuis van Antwerpen, de bibliotheek van het Vlaams Radio Orkest (Brussels Philharmonic), het Koninklijk Conservatorium van Brussel enz. Het feit dat De Boeck zelf niet al te zorgvuldig omsprong met zijn partituren is natuurlijk een eerste bron van ellende bvb. “Waarde Meulemans, Ik en kan mijne simfonie niet vinden. Ik denk dat dit werk in den Radio gebleven is…. Aug.De Boeck” (1931). Maar het kwaad geschiedde ook nog jaren later: zo bezat de Muntschouwburg de autograaf van het ballet “Nymphe des Bois” dat daar rond de jaren 1930 meer dan 70 keer is uitgevoerd. Sinds de “Grote Reorganisatie en Vernieuwing” van de jaren 70 is deze partituur verdwenen… Of is “erfgoed” iets dat alleen maar past binnen een bepaalde visie? Het zal nog tijd en moeite vergen om alle nog niet verloren puzzelstukjes bij elkaar te brengen. Maar het was wel hoog tijd om alle bewaarde getuigenissen, anekdotisch of niet, te toetsen aan de werkelijkheid en het oeuvre van De Boeck te etaleren voor elke geïnteresseerde muziekliefhebber. Daarin is deze publicatie meer dan 100 % geslaagd, en verdient het meer dan dubbel het Gouden Label van Klassiek Centraal. Bij het boek hoort een cd met oudere en nieuwere opnamen, gaande van 1939 tot 2006 uit de archieven van de radio en uit de cd-opnamen van het label Phaedra. Bij Phaedra verscheen trouwens tegelijkertijd ook een cd met operafragmenten en met het pianoconcerto van De Boeck. Daarover in een andere bijdrage.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: