Grootse Parsifal in Bozar

Klassiek Centraal kreeg de gelegenheid aangeboden om de generale repetitie van Parsifal, Richard Wagner (1813 – 1883) zijn laatste opera, bij te wonen. De Munt had het ruim 4 uur durend werk al twee jaar geleden geprogrammeerd, maar Covid 19 zorgde voor uitstel.

De Munt slaagde erin de voorziene solisten toch opnieuw samen te brengen, maar het zat er niet in de opera scenisch uit te voeren Er werd gekozen voor een concertante uitvoering en niet in het operagebouw, maar in de Henry Le Bœufzaal van het reeds een volle eeuw oude gebouwencomplex van de Bozar.

De Munt koos voor een schare topsolisten, gepokt en gemazeld in Wagner, waarvan meerderen kind aan huis zijn in Bayreuth. Een onder hen is onze Vlaamse bariton Werner Van Mechelen die de rol van Amfortas voor zich nam. Hij begon zijn vertolking behoorlijk goed, maar in het verdere verloop werd het van behoorlijk absolute top. Hij was de door pijn gekwelde koning die het bijna uitschreeuwt en smeekt om te mogen sterven als een verlossing. Amfortas’ vader, Titurel werd indrukwekkend en indringend gezongen door de bas Konstantin Gorny.

Na de lyrische ouverture, waar Wagner finesse laat overgaan in majestatische overwinning, verbaasde Franz-Josef Selig (Duitsland), een van ’s werelds leidende bassen, in de rol van Gurnemanz (een graalridder) het publiek. Wat een rijke stem en interpretatie. Zijn collega graalridders werden vertolkt door de bas Justin Hopkins (USA) die een bijzondere klankkleur heeft – het vraagt even wennen ze meteen na Selig – maar ook hij presteert overtuigend met draagkracht en rolbeleving, net als de Vlaamse tenor Willem Van Der Heyden die zich opnieuw bewijst als Wagnerstem. Perfect.

De enige vrouwelijke hoofdrol is deze van Kundry, de vervloekte vrouw die uiteindelijk ook verlost wordt. De Russische sopraan Elena Pankratova kon niet beter. Een krachtige sopraan die een vol orkest in fortissimo nog overstemt. Ze beleeft de gekwelde Kundry zeer intens en sleept alles en iedereen mee. De afgedwaalde graalridder Klingsor die koos voor het pad van het Kwade en de Speer waarmee Jezus aan het Kruis in de borst werd gestoken en ook Amfortas verwondde, werd machtig in de verf gezet door nog een meesterlijk bas, in deze de Chinees Shenyang. Opnieuw bewees hij zich als een van de belangrijkste Wagnerzangers op wereldvlak. Nog zo een stem die overal Wagner tot zijn recht brengt, is de Nederlandse mezzo-sopraan Iris Van Wijnen, die in deze Parsifal de ‘Stimme aus der Höhe’ voor haar nam.

Naast de hoofdrollen heeft Wagner nog een reeks bijrollen voorzien die stuk voor stuk alleen door uitmuntende stemmen kunnen vertolkt worden. Na de vermelde graalridders Hopkins en Van Der Heyden waren er nog de ‘knapen’, twee tenoren om bij weg te dromen namelijk Paul Curievici en Alexander Marev. Voor nog meer zangfestijn zorgden de zangeressen Sheva Tehoval, Raphaële Green*, Hendrickje Van Kerckhove, Lisa Willems°, Lies Vandewege en Iris Van Wijnen. Bij Klassiek Centraal is Raphaële Green beter bekend daar zijn bij de Uitreiking Gouden Labels in 2017 Mijn Moederspraak van Peter Benoit uitvoerde.

Blijft er nog één rol, de hoofdrol en die gaf Wagner niet aan een bas, maar aan een tenor. De eerst nog dwaze kwast, maar tot heersende graalkoning uitgroeiende Parsifal. De Ierse tenor Julian Hubbard blonk redelijk uit, maar bij wijlen kwam hij wat te licht over en op andere ogenblikken maakte hij duidelijk dat hij een sterke heldentenor is. In de wandelgangen vernamen we van Muntdirecteur Peter De Caluwe dat de Ierse zanger vroeger bariton zong en op het aanraden van De Caluwe zich omschoolde tot tenor. “Dan zing je voorzeker nog Parsifal”. En zie, zo geschiedde.

Meer dan een open doekje mogen we richten naar de koren. Wie zoveel toch wel solistische stemmen in een koor tot absolute eenheid kan brengen, is een uniek koorleider. Johannes Knecht verdient hier alle lof, uiteraard samen met de koren.

Het orkest leidde zonder sporen van vermoeidheid te tonen – vier uur op het podium is niet niks – het geheel mee door goede Wagneriaanse banen waar leidmotieven zo typisch zijn. Het enige minpuntje is de digitale opname van de klokken. Men nam enkele zware klokken van de Sint-Romboutsbeiaard op in Mechelen, maar ofwel mislukte deze opname ofwel is ze digitaal zo bewerkt dat ze verworden tot schel en hol klinkende elektronische galmende kleine klokken die jammer genoeg in niets tot hun recht komen. Dat is jammer gezien de klokkenklanken, zeker in de laatste fase van deze opera, prominent moeten weerklinken.

Het was aan de Alain Altinoglu (Fransman uit Armeense ouders) om Wagners kroon op zijn werk te leiden. Dat deed hij netjes, met vaste hand, al mag het nog voller klinken, nog meer Wagner. De kippenvelmomenten zijn er niet, wel orkestrale volle klank, zuiverheid en kwaliteit. U leest het: wie er niet bij was, heeft wat gemist. Wat in deze concertante uitvoering niet gemist werd, en dit dankzij de zeer overheersende muzikale kwaliteit, was de scène en decor. Wagner zal het niet eens zijn, want owee, hij zou het afbreuk vinden aan zijn opzet, het “Gesamtkunstwerk”. En toch, beste Richard Wager, het Gesamtkuntwerk was er.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: