De Lonely Planet van hedendaagse muziek

“Een kleine muziekgeschiedenis van hier en nu” ambieert de reislustige lezer wegwijs te maken in de werelden van hedendaagse muziek. Nieuw is dat het boek de belangrijkste stromingen tot vandaag in de kijker zet. Bovendien is gekozen voor een strak format waardoor niet alleen de aarzelende beginneling van diens koudwatervrees wordt afgeholpen, maar ook de doorgewinterde avonturiers nieuwe ideeën krijgen aangereikt. 

Tot nu waren belangstellenden voor dit onderwerp aangewezen op klassiekers als The Cambridge History of Twentieth-Century Music (Cook en Pople), Modern Music and After (Griffith) en The Rest is Noise (Ross). Deze werken hebben gemeen dat zij niet verder kijken dan het jaar 2000. Maar initiatiefnemer MATRIX (Centrum voor Nieuwe Muziek, Leuven) en redacteur Mark Delaere (hoogleraar Musicologie, KU Leuven) hebben voor een relevante aanvulling gezorgd. In de eerste plaats wordt de horizon doorgetrokken tot vandaag. Die beweging nodigt uit tot vooruitkijken en laat ongebonden interpretaties de vrije loop. Bovendien wordt duidelijk hoezeer nieuwe muziek toch blijft refereren aan het verleden, al is dat soms dichtbij. Verder wordt uitgebreid aandacht besteed aan nieuwe muziek uit de Lage Landen. En tenslotte valt dit boek op door de praktische aanpak, bijvoorbeeld door lees- en luistertips. De auteurs hebben zich duidelijk ten dienste gesteld van de doordeweekse muziekliefhebber: pretentie en academische duurdoenerij blijven achterwege.

Kruisbestuiving

Na een korte historische inleiding (Filip Rathé), worden twee delen gepresenteerd. Het eerste deel is een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen. In acht hoofdstukken worden de belangrijkste invalshoeken beschreven: seriële muziek, elektronica en computers, klankcompositie, toeval, minimal music, new complexity versus new simplicity, politiek activisme en postmodernisme. Deze aspecten worden in principe chronologisch behandeld maar in de praktijk is vaak sprake van nevenschikking. Het tweede deel bestaat uit een beschrijving van zeven sleutelbegrippen, zoals de rol van multimedia, open vormen, sampling en lichamelijkheid. Alle hoofdstukken zijn gegoten in een vast format: context, overzicht, voorbeelden en lees-/luistertips. De toegevoegde waarde van die aanpak is tweeërlei. Niet alleen komt dat de eenheid in de verscheidenheid van het thema ten goede, maar bevordert het ook de kruisbestuiving. Het nut van het laatste blijkt uit het hoofdstuk over seriële muziek (Maarten Quanten). Zijn behandeling van seriële compositieprocessen, met daarin de centrale rol van de Oostenrijkse componist Arnold Schönberg, wordt voorafgegaan door de opvattingen van de filosoof Theodor Adorno over verbanden tussen muziek en politiek, en wel in thema’s als emancipatie en onderdrukking. Hij zag in Schönberg atonale systemen een stimulans voor de kritische luisteraar om zich te wapenen tegen totalitaire systemen. Adorno ging daar ver in . Toen hij de Sonate van zijn jonge Vlaamse leerling Karel Goeyvaerts hoorde, zei hij dat hij een “thema“ miste. Karl-Heinz Stockhausen, klasgenoot en later beroemd geworden, schoot Goeyvaerts te hulp: “Professor, U zoekt een kip in een abstract schilderij”. Verbanden tussen muziek en politiek komen op veel plaatsen in het boek terug.

Synthetische klanken

Het hoofdstuk over elektronische muziek (Rebecca Diependaele) maakt o.a. duidelijk hoezeer Goeyvaerts toen al (1950) van belang is geweest voor de toepassing van die technieken in de muziek. Hij realiseerde zich dat zijn behoefte aan een gedetailleerd “klankgebeuren” alleen mogelijk was met de synthetische klanken van een computer. Een enkele sinusgolf, zoals een constant piepgeluid, kan nu eenmaal niet uit een conventioneel instrument worden gehaald: een staccato op een viool heeft een aanzet en sterft weg. Diependaele schetst de ontwikkelingen die na Goeyvaerts’ eerste stappen kwamen: digitalisering en het ontstaan van thuisstudio’s, interactie met live-instrumenten, de rol van “consumer electronics” en het belang van internet waardoor componisten hun werk gemakkelijk kunnen delen.

Elektronica speelt natuurlijk ook een rol in klankcompositie en de zogenoemde spectrale muziek (Filip Rathé). Dit specialisme leunt op spectraalanalyse van melodie en harmonie die wordt ingezet om verfijnde transformaties tot stand te brengen. Daarmee maakt de computer een oneindige verdieping en verbreding van klankkleuren mogelijk.

Die toegenomen precisie kon natuurlijk niet zonder een weerwoord blijven. Dat weerwoord bestond uit creatieve processen waarvan de uitkomst niet meer vaststaat maar juist ongewis is. Ann Eysermans beschrijft de opvatting van de Amerikaanse componist John Cage (1912-1992) dat het belangrijkste kenmerk van een experiment is dat de uitkomst niet van tevoren kan worden bepaald en daarom nooit als een succes of een mislukking beschouwd mag worden. Volgens Cage is alle muziek experimenteel. Het verst gaat hij daarin met zijn compositie 4’33’’, waarin gedurende dat tijdvak –de gemiddelde tijdsduur van een pop-single—alleen omgevingsgeluiden te horen zijn. Hij wilde daarmee o.a. aantonen dat het begrip (absolute) stilte niet bestaat.

Minimal music

Na Cage maakt de pendule weer een slag terug en komt minimal music in beeld. Dit is muziek die beoogt minimale middelen uit te spreiden over een relatief lang tijdvak. Maarten Beirens beschrijft de drie fasen van dit genre: avant-garde (La Monte Young), via John Adams, Steve Reich en Philip Glass naar Bang on a can. Ook hier komen interessante kruisbestuivingen ter sprake. Zo is opvallend dat veel Amerikaanse componisten, bijvoorbeeld Glass en Cage, het nuttig vonden om een deel van hun opleiding in Europa te volgen opdat zij met belegen muziekhistorische bagage hun carrière in de VS zouden voortzetten. Ook de Europese pendant van het minimalisme (Michael Nyman, Karel Goeyvaerts, Karl-Heinz Stockhausen, Simeon ten Holt) flirt met fasen in de muziekgeschiedenis. Voorbeelden zijn variatiereeksen uit de barok (Nyman), het gebruik van middeleeuwse instrumenten (Goeyvaerts), of verwijzingen naar Chopin (Ligeti). Ook noemt de auteur in dat verband Louis Andriessen die het patent op de Nederlandse variant op minimal music krijgt toegewezen.  De combinatie van saxofoons en elektrische gitaren en basgitaren mondt volgens sommigen uit in typisch Nederlandse eigenschappen als brutaliteit, drammerigheid en dissonantie.

Klaas Coulembier geeft een beknopte beschrijving van een andere katalysator in de nieuwe muziek. Dat is de zogenoemde nieuwe complexiteit, een verzamelnaam voor ingewikkelde partituren die een zodanige karrevracht aan informatie bevatten dat zij pas na herhaalde bestudering toegankelijker worden. Volgens een van de talloze interpretaties is het eigenlijk niet de bedoeling dat die stukken geheel ontsloten worden maar is het eerder een test voor de uitvoerder. De musicus wordt geacht te proberen zo ver mogelijk te komen, opdat de grenzen worden verlegd.

Politieke beïnvloeding

Dat de ontwikkeling van muziek mede toegeschreven kan worden aan buitenmuzikale omstandigheden weten we sinds het Concilie van Trente toen de kardinalen spelregels voor meerstemmigheid vaststelden. Ruim 400 jaar later heeft het gezag van de kerk plaatsgemaakt politie-maatschappelijke beïnvloeding van de muziek. Melissa Portaels noemt de Italiaanse componist Luigi Nono (1924-1990) en het duo Louis Andriessen en Misha Mengelberg als sprekende voorbeelden. Nono is bekend om zijn seriële en elektronische technieken ten behoeve van een duidelijke, communistische boodschap. Zijn doel was een nieuwe, bewustere manier van luisteren tot stand te brengen. Andriessen, Mengelberg en Peter Schat (o.a.) sloten zich aan bij de studentenbeweging van 1968, uitmondend in de geëngageerde opera Reconstructie. Een jaar later verstoorde dezelfde groep componisten een uitvoering van het Amsterdamse Concertgebouworkest. Deze “Notenkrakersactie”, waarbij het orkest werd geafficheerd als elitair instrument van de heersende klasse, was voor dirigent Bernard Haitink een traumatische ervaring.

De titel van het slothoofdstuk (eerste deel) ‘De appels die in de hoed vallen’ is niet gestolen. Yves Senden behandelt hier het postmodernisme, een periode die begint in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw. De limieten van het vooruitgangsdenken komen in zicht, de expansiedrift in de muziek (“alles moet kunnen”) heeft zijn hoogtepunt bereikt, antithese én synthese brengen verbinding en co-existentie tot stand. Elementen van vroeger zoals “welluidendheid, tonale suggestie, traditionele genres en het romantische gebaar” hebben weer toekomst. De auteur citeert componist Boudewijn Buckinx die vertegenwoordigers van drie stromingen een boomgaard laat binnengaan. De gematigd-modernist plukt de appels op armhoogte, de avant-gardist wil één appel die op een onmogelijke plek hangt en de postmodernist legt zich te ruste onder een boom en laat de appels in zijn hoed vallen. De boodschap van de laatste is: doe geen moeite, je hoeft niet fanatiek naar nieuwe middelen te zoeken om het verhaal te vinden. Uit Oost-Europa passeren Arvo Pärt, Pēteris Vasks en Mikolay Górecki de revue, uit België is dat Buckinx en uit Groot-Brittannië Max Richter.

Sleutelbegrippen

Het tweede deel van het boek behandelt een aantal sleutelbegrippen die tot verdieping van het materiaal uit het eerste deel kunnen leiden. Een verrassend onderwerp is het hoofdstuk over muziek en lichamelijkheid (Mark Delaere). Een voorbeeld is de dirigent die met zijn gebaren niet alleen de musici aanstuurt maar ook de toeschouwer helpt “mee te ademen” met de cadans van de muziek. Delaere noemt ook de compositie 14 Sequenze voor solo-instrument en stem van Luciano Berio waarin elke instrument wordt voorzien van passende expressieve gebaren (dubbelgreep voor viool, glissandi voor trombone, etc.) en 44 vocale gestes voor vrouwenstem die het gehele spectrum van menselijke emoties uitdrukken. De Duitse componist Helmut Lachenmann gaat zelfs over tot actienotatie ten behoeve van de gebaren en bewegingen van de uitvoerders. Actueel is de beschrijving van het werk van Stefan Prins over het vervagende onderscheid tussen echte en virtuele lichamen. In zijn werk Generation Kill (vier musici, vier performers met game-controllers, live video en live electronics, 2012) presenteert hij de Amerikaanse invasie van Irak waarbij de oorlog wordt uitgevochten door soldaten die zijn grootgebracht met gaming. Wie is echt, wie is virtueel? Wie maakt echte muziek en wie virtuele muziek? Wij weten dat niet omdat de echte klanken worden gemanipuleerd door de gamecontrollers.

Andere onderwerpen in het tweede deel zijn o.a. de mate van vrijheid die een partituur kan bieden (Yves Knockaert), de creatieve potentie van akoestiek (Kees Tazelaar), de rol van het internet als klankarchief (Christine Dysers) en de vraag of muziek ook een conceptuele kunstuiting kan zijn (Joep Christenhusz).

Manipulaties, plagerijen en schijnverwachtingen hebben sinds eeuwen de trukendoos van de componist gevuld. Historisch besef, gejaagde nieuwsgierigheid en een gezonde behoefte aan avontuur bepalen de levenskracht van nieuwe muziek. Het boek van Delaere en MATRIX is een inspirerende en betrouwbare Lonely Planet voor eenieder die meer wil weten over de muzikale trekpleisters van hier en nu.


WAT:                    Een kleine muziekgeschiedenis van hier en nu

AUTEUR:            Mark Delaere (red.) in opdracht van MATRIX, Centrum voor
nieuwe muziek

UITGAVE:           Pelckmans Pro, ISBN 978-94-6337-268-8, 270 p., € 40
(paperback)

PRESENTATIE:  Transit Festival, zaterdag 24 oktober, 20h00, STUK,
Verbeeckzaal (gratis, ticket verplicht)

Gerelateerde Artikelen

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: