Duitse kunst geëerd met dikke knipoog

Het Johannesfeest: een chaotisch tafereel dat zeker het hele gedoe rond het eren van de Deutsche Meister waar het op uitdraait, sterk relativeert.

Die Meistersinger von Nürnberg is de enige komische opera van Wagner: een liefdesverhaal, maar ook een parodie op de muzikale tradities in het 19de-eeuwse Duitsland. Regisseur David Alden verstrengelt de thema’s kunst, maatschappij en liefde op een vindingrijke manier tot een boeiend geheel, en relativeert het verhaal met een flinke dosis ironie die ook orkestraal geëvoceerd wordt…

Wagners opera Die Meistersinger von Nürnberg geeft vaak aanleiding tot allerlei ideologische interpretaties in verband met de “Duitse Geest” waarvan Wagner in de jaren 1860 als exponent wordt gezien. Soms gaan die zover dat in de figuur van Beckmesser antisemitische inspiratie wordt gezien. De Amerikaanse regisseur David Alden houdt zich in zijn productie in Amsterdam ver van een politiek statement met discutabele nationalistische inslag. De extreem tegenstrijdige standpunten die leven onder de burgers en met name de Meistersinger van Nürnberg pakt hij aan met ironie en humor. Zijn relativering van de maatschappelijke bovenlaag brengt op wisselend-subtiele wijze de onderliggende individuele emoties aan het licht: de starre vaderlijke houding van Pogner, de vertrouwelijke genegenheid van Sachs voor Evchen, de verlangende liefde tussen Eva en Walter, de misnoegdheid en jaloezie van Beckmesser, de jeugdige verliefdheid van David en Lene.

 

Al duurt de opera zowat vier uur dertig, het verhaal over de liefde van Walther von Stolzing en Eva kan heel kort samengevat worden. Eva is de dochter van een van de meesterzangers van Nürnberg, Veit Pogner. De “ridder” Walther von Stolzing kan haar als vrouw krijgen als hij de zangwedstrijd wint die op het feest van de Heilige Johannes in Nürnberg gehouden wordt. Hans Sachs wijdt hem in de regels van het meesterzingen in en zeer tot ongenoegen van de “merker” Sixtus Beckmesser – zelf verliefd op Eva – wint Stolzing de wedstrijd en wordt opgenomen in de gilde van de Meesterzangers.

 

In het verhaal vinden we drie thema’s terug. Het thema van de kunst en meer bepaald het contrast tussen de starre kunst volgens regels, tegenover spontane kunst die hartstochtelijk is. Het thema van de maatschappij, als enerzijds een oude maatschappij gebaseerd op gilden en hun structuren, tegenover de nieuwe maatschappij waar enkel het individu telt. De liefde ten slotte krijgt diverse facetten: als strenge maar toch bezorgde vaderliefde tussen Pogner en Eva, als liefde tussen de “oude” vaderlijke weduwnaar Sachs en de jonge vrouw waarbij het aspect van opoffering komt ten voordele van de liefde tussen Eva en de jonge “ridder”, Walther. Alden verstrengelt die thema’s in zijn productie op een vindingrijke manier tot een boeiend geheel.

 

Abstract en handig decor

 

Het abstracte en op het eerste gezicht eenvoudige decor zit zo ingenieus in elkaar dat hij ermee kan spelen om voor elke scène een passende omgeving te creëren. Grijze sombere wanden vormen blijvend het kader. In de eerste scène maakt een reusachtig houten kruisbeeld duidelijk dat we in de Katharinenkirche zijn. Doorheen de opera laat hij de ruimte wisselen door er verschillende niveaus in te brengen met metalen geraamten. Niet altijd een fraai beeld, maar functioneel. Zo laat hij voor de lange zitting van de Meistersinger in het tweede bedrijf het decor als het ware naar een kelderverdieping zakken, alsof we in het depot van een museum zijn. Een knappe vondst. Er staan kunstwerken – sommige in kisten, andere uitgepakt – en aan het type kunstwerken te zien, kunnen we ons inbeelden dat we in het museum van Nürnberg zijn, met houten sculpturen, manuscripten en een (gemanipuleerd) schilderij van Lucas Cranach (Adam en Eva). Zo’n kist doet ook dienst voor Beckmesser om zijn “merken” te zetten tijdens het prijszingen. Ik verklap niet hoe precies, zo kan wie nog gaat kijken, verrast worden. De aankondiging van Kothner Der Sänger sitzt krijgt een extra ironische ondertoon: hij doet dat op een prachtige troon met houtsnijkunst. Op dat moment moet Walther nog alles leren, wat Sachs op zich zal nemen uit sympathie voor het jonge koppel Walther-Eva.

 

Is het decor voor het tweede bedrijf (met de beroemde Fliedermonolog van Sachs) weinig poëtisch, dat van de eerste scène van het derde bedrijf is heel geslaagd. We zien de “Werkstatt” van Hans Sachs als schoenwinkel met eindeloze rekken schoenen. Dat het verhaal daartegen stilaan hallucinante vormen aanneemt (in zijn Wahn-aria heeft Sachs het onder andere over een ‘kobold’) visualiseert Alden met bizarre figuren door het beeld te laten dolen, als ware het dwergen met reuzenhoofden. Of het Johannesfeest de geesten van de nacht zal kunnen bezweren? Het feest wordt voorgesteld als een of ander bierfeest in Zuid-Duitsland. Het zangconcours gaat door op een podium dat als straattoneel opgesteld is met een prominente plaats (op die zestiende-eeuwse houten troon) voor Evchen, die haar zanger moet aanduiden. Het is wel een feestelijk, maar vooral een chaotisch tafereel, dat zeker het hele gedoe rond het eren van de Deutsche Meister waar het op uitdraait, sterk relativeert. Een aanvaardbare visie van Alden, die daar knap naartoe gewerkt heeft.

 

Vernuftige vondsten

 

U hebt al begrepen dat we zeker niet in de zestiende eeuw van het stuk gekatapulteerd worden. Eerder in de negentiende eeuw, de burgerlijke maatschappij van Wagner. De kledij maakt een scherp onderscheid tussen de verschillende groepen in de maatschappij. De Meistersinger zijn gekleed in lange plechtige jassen. Er zitten een paar typen tussen die me aan de joodse streng-orthodoxe gemeenschap doen denken met hun zwarte jassen, grote baard en rosse haren. Sommigen hebben details die verwijzen naar hun naam (Nachtigall, Vogelgesang), een bewijs van het “kostuumfetisjisme” van de productie met prachtige jurken voor Eva en Lene en natuurlijk mooie schoenen, puur retro van rond de (vorige) eeuwwisseling. Het levert de mooie affiche op.

 

Beckmesser vormt uiteraard het buitenbeentje van de bende. Hij ziet eruit als een verwaande fat. In het derde bedrijf zien we hem compleet krankjorum vanuit een bed zijn prijslied zingen. Hij heeft het van Sachs gestolen en kan er niets mee aan. Daardoor overschrijdt hij de grens van de waanzin, en zijn radeloze reactie deed me in zijn vernedering aan het Aalsterse carnaval-fenomeen van de voil jeannetten denken. Er zitten in de regie nog talloze vernuftige vondsten die onmogelijk allemaal te beschrijven zijn. Er zit ook choreografie in de regie waarbij de schwung van de muziek geaccentueerd wordt, vaak met grappig effect.

 

De “lagere” klasse van de maatschappij is gekleed als proletarische werklui en ze krijgen vaak de taak de decorstukken mee te verzetten of aan te brengen. Daarbij helpen soms ook de leerjongens (cf. regieaanwijzing van Wagner zelf in zijn libretto). Ze zien er hier uit als gedrilde collegejongens in uniform.

 

Vlaamse zangkunst

 

Die mag in deze voorstelling zeker geëerd worden. De rol van de belangrijkste Lehrbube, David, verliefd op Lene, werd gezongen door Thomas Blondelle, die de rol ook al zong aan de Deutsche Oper Berlin. “Fruchtig und saftig”, het lijkt me voor zijn prestatie in deze Meistersinger meer uit te drukken dan rijp en sappig. Hij zingt helder en met perfecte dictie en bovendien speelt hij als een rasacteur. Het was voor mij een ontdekking en ik kan me nauwelijks voorstellen dat deze jonge zanger voor welke internationale ster dan ook zou moeten onderdoen. De bas Tijl Faveyts is de tweede Vlaamse zanger die beslist het vermelden waard is. Zijn rol is beperkter dan in Der Schatzgräber van Schreker begin dit seizoen maar als de nachtwacht liet hij opnieuw zijn mooie diepe basstem horen, die als een klok de nacht doorboort (en de stilte bestendigt nadat Sachs de vechters van de geslaagde Prügelscène heeft uiteengedreven.)

 

Om bij de mooie stemmen te blijven: de twee dames waren perfect gecast. De stem van Agneta Eichenholz was fris en puur, passend bij haar fijnzinnig figuur. Magdalene kreeg met Sarah Castle een iets steviger stem, ook passend bij haar assertievere optreden. Adrian Eröd bezielde zowel vocaal als qua acteren totaal zijn rol van Beckmesser. Roberto Saccà leek zich goed te voelen in zijn rol van (bij momenten) uit een ander tijdperk weggelopen hoofse minnaar. Zijn stem had een zekere italianità die ze licht maakte en melodisch, maar soms net niet soepel genoeg. Jammer genoeg liet James Johnson ons fameus op onze honger zitten als Hans Sachs. De stem wilde blijkbaar niet goed mee en er klonk enige slijtage, waardoor vooral de aria Überall Wahn in het derde bedrijf zeker geen vocaal hoogtepunt was. Als figuur kwam hij evenwel charismatisch over zodat we toch met hem meevoelden. Ook de vader van Eva, Alastair Miles, kon ons vocaal niet overtuigen.

 

Marc Albrecht laat het Nederlands Philharmonisch Orkest de ouverture in razende vaart inzetten. Het geeft de dynamiek aan die we in het stuk, dat ook vol leven geregisseerd is, mogen verwachten. Ook orkestraal wordt de plechtigheid gerelativeerd. Hoorns en trompetten schallen dat het een lieve lust is, maar ook de liefelijker klanken (strijkers, harp, klarinet) bekoren. Realiteit en levendigheid is de boodschap, en het maakt er een razend boeiende avond van.

 

Nog voorstellingen in het kader van het Holland Festival in De Nederlandse Opera tot 23 juni 2013.

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: