Der König Kandaules

Der König Kaudales: een regie die het surreële en bevreemdende verhaal van Zemlinsky tot een heel persoonlijke interpretatie herleidt en de toeschouwer allesbehalve helpt om de innerlijke wereld van de personages te begrijpen.

Wat knap dat de Vlaamse Opera het publiek de kans geeft kennis te maken met Der König Kandaules, een nauwelijks bekende en zelden uitgevoerde opera van Alexander Zemlinsky. De muzikale uitvoering was bewonderenswaardig, de zangers uitstekend. Of de enscenering het publiek inzicht gaf in het moeilijke verhaal, is zeer de vraag.

Alexander Zemlinsky behoort tot de belangrijke culturele figuren uit het Wenen van rond 1900. Hij is geboren in 1871 en al zeer vroeg bleek zijn muzikale begaafdheid. Zijn naam is vaak verbonden met die van zijn leerling Arnold Schönberg (1874-1951) en vooral met die van Alma Schindler (1879-1964). Ook zij was een leerlinge compositie van hem. Hun liefdesaffaire eindigde toen ze de echtgenote werd van Gustav Mahler (1860-1911), een componist voor wie Zemlinsky een grenzeloze bewondering had.

Zijn oeuvre geniet geen grote bekendheid. De Lyrische Symphonie is waarschijnlijk zijn best bekende en meest uitgevoerde werk. Ze is zeker het hoogtepunt van Zemlinsky’s oeuvre en werd gecomponeerd in de lange periode waarin hij in Praag als muzikaal directeur en dirigent van het Deutsches Landestheater werkte. Ook de twee eenakters naar Oscar Wilde, Der Zwerg en Florentinische Tragödie, componeerde hij in die periode. De Muntschouwburg bracht er een interessante productie van in januari 2003 (Regie Andreas Homoki, dirigent Markus Stenz). In 1927 trekt hij naar de Krolloper in Berlijn, tot hij wegens het oprukkende nationaalsocialisme die functie moet verlaten. Na nog een korte tijd terug in Wenen, vlucht hij met zijn familie in de herfst van 1938 (Anschluss van Oostenrijk) naar de Verenigde Staten, waar hij in maart 1942 overlijdt. Lange tijd bleef Zemlinsky in de schaduw, tot eind jaren zeventig van vorige eeuw een vernieuwde belangstelling en waardering voor zijn werk ontstaat. Die renaissance baant de weg voor her en der een uitvoering van zijn opera’s.

Onvoltooid en “ultramodern”

Niettegenstaande zijn bindingen met de Tweede Weense School breekt Zemlinsky niet door tot de atonaliteit, wat zijn leerling – en nadien ook schoonbroer – Schönberg wel doet. Zemlinsky zorgde voor de eerste opvoering van Schönbergs Erwartung in 1924. Verschillende invloeden zijn in zijn werk te bespeuren: van Wagner en Strauss en van de Franse componisten Debussy en Dukas. Erich Wolfgang Korngold getuigt over hem dat Zemlinsky het onmogelijk vond om het “actieve tonale gevoel te onderdrukken.” Schönberg had alle lof voor de natuurlijkheid van de stemmen en de directheid waarmee de muziek uitdrukt wat er gebeurt.

Zijn opera’s zijn complexe en persoonlijke uitingen tegen een wereld vol macht en uiterlijke schijn. Dat is zeker het geval in Der König Kandaules. Vanaf zijn vroege (sprookjes)-opera Die Traumgörge draait zijn werk rond thema’s als goed en kwaad, arm en rijk, slim en dom en de vaak misleidende verhouding daartussen. Dat is in Der König Kandaules, de laatste opera die Alexander Zemlinsky componeerde en die onvoltooid bleef, niet anders. Zemlinsky componeerde deze opera in 1935 op een toneelstuk van André Gide (1869-1951). Hij nam het werk mee toen hij naar de VS emigreerde en hoopte het te voltooien voor de Metropolitan Opera, die hem evenwel niet aanvaardde wegens de naaktscène in het tweede bedrijf. Het is pas in 1996 dat Der König Kandaules door de Brits-Duitse musicoloog en dirigent Antony Beaumont afgewerkt werd. De wereldpremière had plaats in Hamburg. De opera werd voor het eerst in België gepresenteerd in de Opéra Royal de Wallonie in februari 2006.

Zemlinsky zelf noemde de opera “ultramodern”. Deze definitie is in de jaren ’30 van de vorige eeuw zeker te verantwoorden: het verhaal zet personages ontleend aan de antieke mythologie in een verhaal met een duidelijk freudiaanse psychologie. De rijke en machtige Koning Kandaules heeft een superknappe vrouw, Nyssia, met wie hij kost wat kost wil pronken. Hij beschouwt haar als zijn bezit, maar uit ijdelheid en trots wil hij dat bezit delen met anderen. Een van die anderen is de visser Gyges, een eenvoudige en arme man, getrouwd met een lelijke vrouw. Nyssia is er helemaal niet toe bereid zich bloot te geven aan de visser, maar met een ring die hem onzichtbaar maakt, lukt het voyeurisme toch. Na de liefdesnacht vlucht Gyges van schaamte, maar Nyssia heeft de nacht van haar leven beleefd. Kandaules ontsteekt in hevige jaloezie. Nyssia verneemt het verraad van haar man, en beveelt Gyges Kandaules te doden. Ze stelt Gyges als haar nieuwe man en koning voor aan de hovelingen.

Designkeuken en ratten

Regisseur Andrij Zholdak heeft de kans om uit deze opera een visueel spektakel te scheppen, met beide handen gegrepen. Het gegeven van de macht van Kandaules en zijn zucht naar schoonheid gepersonifieerd in zijn vrouw, wordt uitgebeeld in een super-design decor. Het paleis waarin hij met Nyssia woont, is een scène-vullende constructie van metaal-grijze en glazen wanden, die een zestal kamers vormen op verschillende verdiepingen. Gedeeltelijk zichtbare trappen leiden van de ene verdieping naar de andere, maar vooral de glazen liftkooi valt op. Ze kan met metalen wanden afgedekt worden, waarop af en toe tekst wordt geprojecteerd. Die teksten zijn soms uitroepen of zinloze commentaar – zeker het meest belachelijke aspect van de regie. Op de bovenste verdieping bevindt zich de slaapkamer met luxueuze boxspring en een grote douchekamer – die ogenschijnlijk ook als een soort martelkamer dienst doet. De keuken is de meest aanwezige kamer op de benedenverdieping, met in het eerste bedrijf een lange bankettafel en plexiglas stoelen. Er is een groot fornuis en aan de wanden hangen schabjes (voor namaaktulpen – blijkt later) en – opvallend – een simpel houten kruisbeeld. De eenpersoonssauna in het laatste bedrijf zal wel een ijdelheidssymbool zijn (van het merk “Vitamaster”, een bedrijf dat blijkbaar allerlei soorten trainingstoestellen voor binnenhuis fabriceert). Hoe dan ook een vreemd object naast een fornuis in de keuken. De kledij van Kandaules past op dat moment evenwel helemaal niet bij een ijdele koning: een casual parka op een korte short… De koning is al verworden tot een ‘mad king’. Zijn vrouw draagt op dat moment de mooiste jurk van het stuk: een prachtige, lange, glanzend zilveren avondjurk. Zij heeft haar meest feestelijke scène bereikt, die waarin ze haar nieuwe geliefde en koning voorstelt. Maar het rijk van Kandaules is verrot: de ratten zijn er en die zijn reuzengroot op de scène voorgesteld.

U merkt het: een indrukwekkend, super-esthetisch decor, waarin de regisseur de kans heeft zijn onwaarschijnlijke fantasie bot te vieren met allerlei bizarre vondsten en rekwisieten: grote ketels – waarin een bloederige kop zit (die aan Jochanaan uit Salome doet denken), namaaktulpen – blijkbaar lievelingsbloemen, want er wordt nogal mee gesmeten. Een van de dienaren heeft een bebloede rug (gemarteld?). In het decadente koningspaleis wordt natuurlijk ook wel eens een streepje coke gesnoven (niet erg origineel). En dan zijn er de reusachtige vissen die in twee gesneden de scène beheersen – Gyges is natuurlijk een visser! – en in het derde bedrijf de grote (pluchen) ratten.

Zholdak neemt de vrijheid om personages toe te voegen: de twee kinderen en een jong meisje. Ze verpersoonlijken waarschijnlijk de frustratie van het koningskoppel dat kinderloos gebleven is, wat dan aan de basis ligt van hun slechte relatie. Ze acteren bijzonder goed en spelen in deze enscenering een centrale rol, maar ze behoren niet tot de eigenlijke operacompositie en men kan hun functie dus in vraag stellen. Kortom: een regie die het surreële en bevreemdende verhaal van Zemlinsky tot een heel persoonlijke interpretatie herleidt, die de toeschouwer allesbehalve helpt om de innerlijke wereld van Zemlinsky’s personages te begrijpen en hem met veel vragen achterlaat. Misschien zijn Kandaules en Gyges twee aspecten van één persoonlijkheid – vandaar het belang van de ring die onzichtbaar maakt? Hiervoor geeft de regie geen aanwijzing. Zholdak presenteert ons een regie die zich toespitst op de decadente wereld die de regisseur van het stuk wil maken, maar die weinig verklaart over de relaties tussen de amorele Kandaules en de deugdzame Nyssia of tussen de primitieve Gyges en Nyssia/Kandaules. Hij vertolkt zijn eigen droombeelden en hallucinaties. Als Zemlinsky een opera schrijft als een complexe en persoonlijke uiting van een wereld vol macht en uiterlijke schijn, dan heeft de regie van Zholdak dat moeilijke thema enkel nog complexer en vreemder gemaakt. Toevallig hoorden we een stuk van de inleiding die Piet De Volder bij de voorstelling gaf, en waren we gewaarschuwd dat we niet te veel moesten proberen te begrijpen van deze regie …

Vocale topprestaties en kamermuzikaal orkest

Grote bewondering heb ik dan ook voor de prestatie van de zangers. Ik vernam van een van hen dat ook zij tijdens de repetities steeds opnieuw verrast werden door nieuwe ideeën en bizarre vondsten van de regisseur – die hij niet uitlegde of verklaarde (niet wilde, of niet kon?). Ze acteerden uiterst knap en overtuigend en vocaal was de cast nauwelijks te overtreffen. De meest opmerkelijke vertolking was zeker die van Gidon Saks als de visser Gyges. Met een rijk gekleurde en heldere baritonstem gaf hij uiting aan de evolutie van de aanvankelijk nederige en verlegen visser naar een minnaar die steeds meer vertrouwen en zelfzekerheid vertoonde. Nyssia was gewoonweg een knappe en mooie vrouw, die in deze regie zeker niet de terughoudendheid betoonde om zich in haar perfecte lichamelijkheid aan de buitenwereld te tonen. Ze kreeg een garderobe aangemeten die haar mooie lichaam streelde en haar soms bizarre gedrag paste in het geheel van de regie. Vocaal werd ze nooit uit haar lood geslagen en met een onvoorstelbare souplesse zong ze de veeleisende tonaliteiten van haar personage. Dmitry Golovnin (Kandaules) beheerste gedoseerd de toon van de heldentenor en ook hij leek de grilligheden die de regie van hem verlangde aan te kunnen. Ook voor de talrijke kleinere partijen: alleen maar lof voor hun acteerprestatie en vocale inzet.

Daarbij speelde het orkest onder leiding van Dmitri Jurowski een fantastische brok muziek. Was de regie allesbehalve een hulp voor het begrip van de opera, dan hadden stemmen en orkest een directheid die uitdrukte wat er in Zemlinsky’s opera gebeurt. De rijke klank van de laat-romantische partituur overweldigde in elke scène. De instrumenten kregen een bijna kamermuzikale transparantie met prachtige details in bijvoorbeeld de fagotten, altsax of celesta. Het klonk alsof deze moeilijke partituur voor geen enkele muzikant struikelstenen opleverde. Met volle inzet en beheersing brachten ze deze prachtige muziek ten gehore. Een grote proficiat voor orkest en dirigent!

Dat de regie niet echt overtuigde, bleek uit het zwakke applaus op het einde van de voorstelling, maar zowel zangers als orkest werden terecht toegejuicht. Het opvallende vertrek van velen reeds na de pauze durven we beslist ook toeschrijven aan de weinig verhelderende regie, waardoor het stuk bij het publiek nauwelijks kon aanslaan. Een voorbeeld van hedendaagse regie die te eigenzinnig is om aan een operacomponist respect te betonen.

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: