Zoek
Sluit dit zoekvak.

Onze website is vernieuwd, geef zelf je evenementen in. Heb je een fout gezien. Mail ons!

Giulio San Pietro del Negro (1565-1620) is een nabloeier van de renaissance. Lange tijd was hij enkel een naam maar nu dankzij het onderzoek van Maria Giovanna Brindisino (Conservatorio di Lecce) en Sarah Marianna Iacono (Università Del Salento) is er meer over deze componist gekend. Dat vertaalt zich onder meer in de première opnames van zijn motetten gebracht door Schola Cantorum Barensis onder leiding van Gilberto Scordari.

Deze laat-renaissance componist werd in de Lecce-regio van de Salento-streek geboren, beter bekend als de hak van het Italiaanse schiereiland. De jonge Del Negro werd geboren in een Genuese, militaire familie. Hij was de derde van vier zonen. De oudste twee Pasquale en Giovanni Battista blonken uit in zowel duelleren als musiceren. De twee jongste Giulio en Agostino worden in de geschriften beschreven voor elk een van deze activiteiten. Agostino om zijn krijgskunst en Giulio om zijn muziek.

Giulio volgde vermoedelijk het voorbeeld van zijn oudere broer Giovanni Battista en ging in de leer bij kapelmeester Francesco Antonio Baseo. Giulio San Pietro Del Negro begon als componist in zijn geboortestreek maar in het eerste decennium van de 17e eeuw trok hij 1.035 km noord-west. Hij trok namelijk naar Lombardije om daar zijn carrière verder uit te bouwen. Zijn naam wordt vermeld in culturele hubs zoals Milaan en Pavia.

Het album Amore Langueo legt de link tussen Salento en Lombardije bloot. Aan de hand van 15 motetten wordt de overgang van de prima prattica naar de seconda prattica, de overgang van renaissance naar barok, hoorbaar. De gekozen werken komen uit de motetbundel Amore langueo (1624).  De albumtitel Giulio San Pietro del Negro: Amore Langueo, Motets, Pavia, 16th Century verraadt meteen welk repertoire ze brengen. De vroege seconda prattica zal centraal staan. 

Schola Cantorum Barensis onder leiding van Gilberto Scordari opent met het tweestemmige Veniat dilectus meus. Dit werk vormt een brug tussen polyfonie en het barokke motet. Imitatie is hier nog een belangrijk structureel en dramatisch element. Vanaf Descendi in hortum meum [track 02] is de seconda prattica duidelijker aanwezig. De instrumentale begeleiding klinkt vanaf nu ook echt als een basso continuo. Een mooie en passende opbouw van dit repertoire.

De verhouding tussen de verschillende leden van Schola Cantorum Barensis dat uit 6 zangers, orgel en cello bestaat, is duidelijk specifiek gekozen. De vocale stemmen bevinden zich op de voorgrond. De continuo partij is veel zachter. Bijna alsof je ze vanuit de verte hoort. Vaak geeft dit een zachte ondersteuning (zoals in Dulcis amor Iesu [track 12]) maar soms is deze partij zo stil dat je je afvraagt of deze niet overbodig is. Dit is het geval in Amore langueo [track 11]. Deze compositie wordt door Valentina Varialle gezongen en vaak verdubbeld het orgel haar partij gewoon. Tussen de secties klinkt een klein muzikaal intermezzo maar door het dynamische verschil tussen vocaal en instrumentaal voelt dit wat onnatuurlijk aan. Wat ongelukkig gekozen dat dit net in de title track voorkomt want in de andere composities is dit niet of minder aanwezig.



3/5

© Klassiek Centraal – build & hosted door Kyzoe.be

Join Us

Subscribe Our Newsletter

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.Consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo. ex ullamcorper bibendum. Vestibulum in mattis nisl.