Cello koning op de Koningin Elisabethwedstrijd

La reine c’est toujours Elisabeth, mais cette année, le roi c’est le violoncelle! Na een bijzonder intense veertiendaagse blijven er nog twaalf troonpretendenten over. Een selectieve terugblik alvorens deze historische editie van het concours zijn finale week ingaat.

“Het is het mooiste instrument en het moeilijkst te bespelen.” En met die mening staat ze beslist niet alleen. Opmerkelijk dus dat de cello, waarover Ageet Zweistra in De Standaard de lof zong, zovele decennia heeft moeten wachten alvorens het zijn staartpen naast de viool, de piano en de stem kon planten. Maar eindelijk is het dus zover, tot groot jolijt van het muziekminnende volkje dat zowel tijdens de eerste ronde als de halve finale van deze allereerste editie voor cello van de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth van België massaal present tekende.

Met 68 verschenen ze aan de start. Opvallend: onder hen geen enkele Belg. De competitie was dan ook bikkelhard, en dat nog voor de eerste kandidaat – de Chinees Sihao He – het podium van Studio 4 van Flagey betreden had. Meer dan 200 cellisten waagden hun kans tijdens de preselecties. Uit alle hoeken van de wereld stuurden deze vergevorderde musici tussen 18 en 30 jaar oud een video van hun kunnen op. De indrukwekkende respons zegt iets over de aantrekkingskracht van het instituut dat de Koning Elisabethwedstrijd is geworden, en getuigt tegelijkertijd ook van de schaarste aan gereputeerde concoursen voor dit instrument.    

De Koningin Elisabethwedstrijd dankt die reputatie deels aan zijn strenge reglement, maar ook aan de prestigieuze jury met vooraanstaande muzikanten en internationaal gerenommeerde pedagogen die het steeds opnieuw weet te strikken. Dat is dit jaar zeker niet anders. “Wie de komende weken in pakweg Tokio, Londen, New York of Parijs een (cello)topper wil inviteren, is eraan voor de moeite: iedereen, van Gautier Capuçon tot Mischa Maisky, zit in Brussel te jureren”, zo schreef Klara-coryfee Kurt Van Eenghem in Knack. “Het is makkelijker om op te sommen wie er niet bij is dan andersom. Op Daniel Müller-Schott, Yo-Yo Ma en Steven Isserlis na hebben alle huidige toppers toegezegd, zodat straks de crème de la crème achter de lange jurytafel zal plaatsnemen.”

Eerste ronde

 

De Koningin Elisabethwedstrijd is een meedogenloze afvallingskoers die in meerdere rondes wordt gestreken. Tot de eerste beproeving hoorde het trage eerste deel (Grave) uit de enige sonate voor solo cello van Eugène Ysaÿe: een meer dan passend eerbetoon aan de Belgische vioolvirtuoos waar het concours in de begindagen zijn naam aan ontleende, én een evenzo veeleisend stuk als de veel bekendere sonates voor solo viool. Naast dit twintigste-eeuwse plichtwerk mocht elke kandidaat ook een keuze maken uit vijf cellosonates van Luigi Boccherini. Interessant aan dit onderdeel was dat er bij deze driedelige sonates een tweede cellist aanschoof. Die nam dan de baspartij voor zijn of haar rekening: een goede manier om te beoordelen of de kandidaat wel oor heeft voor de begeleiding. Een tweede en laatste manier om samenspel, technisch meesterschap en muzikaliteit te beoordelen, liet opnieuw de keuze aan de kandidaten. De eerste beweging (Allegro moderato) uit de Arpeggione-sonate van Schubert (D821), het Rondo van Dvořák (opus 94), twee van de Fünf Stücke im Volkston van Schumann (opus 102) of de Variations concertantes van Mendelssohn (opus 17) leverden voldoende romantisch geschut op om de jury mee in te pakken.         

Tijdens de avondlijke sessie van dag vijf van het concours (vrijdag 12 mei 2017) kreeg het publiek achtereenvolgens Alexander Hersh, Wojciech Fudala, Irena Josifoska, Alexandre Castro-Balbi en Friederike Luise Arnholdt te horen. De Amerikaan Alexander Hersh (°1993) klonk speels in de hoekdelen van Boccherini’s sonate in sol-groot, maar miste fluïditeit op de moeilijke momenten en intoneerde lang niet altijd even zorgvuldig. De grootste steek liet hij in het Larghetto vallen. De jongeman ging helaas compleet de mist in met een passage waarin de suizingen ronduit vals klonken. Iedereen tijdens deze wedstrijd maakt natuurlijk uitschuivers, maar als deze zo flagrant en uitgesponnen zijn, dan is het algauw over and out. Voor hem eindigde het concours weinig verrassend in de eerste ronde. Want zoals steeds mochten er slechts 24 kandidaten naar de halve finale. De tegenvallende Boccherini stond nochtans in schril contrast met de diepgravende sonoriteit die in Ysaÿe te genieten viel. En in Dvořák nam Hersh de nodige vrijheid om het thema steeds weer op een andere, zij het ook ontzettend langzame manier tot klinken te brengen. Zo hield hij de toehoorders knap bij de les. Enkele zeer bevreemdende dynamische accenten en het overvloedige vibreren, deden dan weer de wenkbrauwen fronsen.

Wojciech Fudala (°1988) begon zijn recital op veelbelovende wijze, met een soevereine, soms ietwat norse, maar altijd zuivere Ysaÿe. Met korte tics bereidde hij zijn vingerzettingen meticuleus voor. Zijn Boccherini was dan weer een ander paar mouwen. De sonate in do-groot – tijdens deze eerste ronde veruit de meest populaire keuze onder de kandidaten – kreeg een hoogst onvoorspelbare lezing. Die wispelturigheid, vooral gekenmerkt door plotse tempowissels en onverwacht robuuste uithalen in de hoekdelen, maakte het allesbehalve makkelijk om deze Pool te accompagneren. De balans was meer dan eens zoek. Maar een deel van het publiek lustte er wel pap van, getuige het korte applaus na afloop van de eerste beweging (Allegro). Boeiender dan zijn timide voorganger was het sowieso, stijlbewust lang niet altijd. Fudala sloot af met een eerder hoekige Dvořák. Het ontbrak de cellist zeker niet aan engagement, maar in het hoge register maakte hij soms een troebele impressie. Ook voor hem werd deze ronde het eindstation.

Dan was het de beurt aan Irena Josifoska (°1996), de jongste kandidate van deze avond. Een gracieus en tot in de puntjes verzorgd Allegro, waarin de beide dames zeer goed op elkaar anticipeerden, een breedvoerig en tegelijk breekbaar Larghetto en een opmerkelijk parmantige finale (Allegro): dit was voor de pauze veruit de beste Boccherini. Bij Ysaÿe werden meer timide fluistertonen en bronstige grootspraak zeer kundig afgewisseld. Het resultaat was een genuanceerd discours waarin enkele duidelijke ankerpunten werden uitgezet en de muziek uiteindelijk prachtig wegstierf. En dan moest het beste eigenlijk nog komen. Het brede palet aan nuances en fraseringen uit het openingsdeel van Schuberts Arpeggione-sonate verried een grote beheersing van het instrument. De sfeer werd plots bijzonder intiem. Aan vergelijkingspunten hoe dan ook geen gebrek tijdens deze eerste week: maar liefst 44 kandidaten kozen voor Schubert. Maar deze lezing stond stevig op zichzelf. Het leverde Josifoska een ticket voor de halve finale op, alwaar het schip uiteindelijk zou stranden.    

Zo ver zouden Alexandre Castro-Balbi (°1991) en Friederike Luise Arnholdt (°1995) het zelfs niet schoppen. Nochtans produceerde die laatste in Ysaÿe de fraaiste kleuren van de avond. De Duitse liet de muziek ook mooi ademen. Maar haar andere werken waren dan weer minder overtuigend. Schumann leverde gemengde gevoelens op en werd door intonatieprobleempjes ontsiert. Was de zware boogvoering in het Langsam nog enigszins aanvaardbaar, dan werd het Nicht zu rasch op die manier van elke spontaneïteit ontdaan. Ook in Boccherini ontbrak het te vaak aan helderheid. Tempi waren behoorlijk inconsequent. Arnholdt en haar partner Emilie Wallyn speelden bij momenten ook veel te los van elkaar. Het ontbrak aan speelse interactie. Het subtiel-tactiele Largo assai was helaas niet bij machte om de meubelen te redden. In dezelfde sonate in do-groot gaf Castro-Balbi eerst nog een eerder afgemeten, weinig avontuurlijke indruk. Maar schroom werd geleidelijk aan afgeworpen en de drive stevig opgevoerd. Snel was het daardoor wel, precies net iets minder. En hetzelfde kan helaas over de té urgente Ysaÿe geschreven worden. In een dartele Schubert bewees de Fransman over een solide techniek te beschikken, maar alleen daarmee kom je in deze wedstrijd niet boven het pak uit.

Halve finale

 

Castro-Balbi was één van de in totaal acht Fransen die zich voor deze historische editie van de Koningin Elisabethwedstrijd hadden ingeschreven. Enkel Duitsland, Korea en de VS deden beter. Maar liefst vier van onze zuiderburen haalden ook de finale. Twee van hen, Bruno Philippe (°1993) en Yan Levionnois (°1990), betraden tijdens de namiddagsessie van vrijdag 19 mei 2017 het podium. Tijdens de halve finale moesten de kandidaten zich dubbel bewijzen: ze speelden zowel een recital als een concerto samen met het Orchestre Royal de Chambre de Wallonie onder leiding van Frank Braley. Na de opgelegde Boccherini in de eerste ronde hadden de 24 halve finalisten duidelijk hun zinnen gezet op een concerto van Haydn. Want niet één kandidaat koos ervoor om het voorgestelde werk van de man uit Lucca te vertolken. Voor Philippe viel de keuze op Haydns eerste worp in do-groot: een werk dat de cellist toelaat om – zeker in de finale (Allegro molto) – met veel bravoure uit te pakken. De jongeman uit Perpignan, een leerling van jurylid Frans Helmerson, miste zijn intrede niet. Enthousiast en zelfzeker ging hij van start. Philippe, een extravert muzikant en crowdpleaser, zocht en vond het contact met het orkest, creëerde in het Moderato een omstandige en tegelijk bijzonder accurate toon en hield deze standvastigheid ook in het daaropvolgende Adagio groten-deels vast. Iets meer dynamische nuances hadden wel gemogen én gekund. Maar die kanttekening was na een uitzonderlijk lichtvoetige finale alweer helemaal vergeten. Een daverend applaus was de verdiende beloning voor zoveel explosiviteit en speelvreugde.

Wat in het concerto van Christoph Heesh (°1995) meteen opviel, was dat de Duitser met Japanse roots de tutti’s van het orkest gewoon meespeelde. En waarom ook niet. Zoiets gebeurt nog, en komt die eerste inzet, o zo delicaat en belangrijk, allicht ten goede. In de eerste beweging van het concerto in re-groot (Allegro moderato) zette Heesh met de cadens – getekend David Geringas – zijn sterkste punten extra in de verf. Met de blik op oneindig, een welluidend legato en een verfijnde techniek puurde hij uit alle registers een groots raffinement. Briesen, brommen en jammeren: de rijke klank van de cello werd op elegante wijze de grootste eer aangedaan. In het Adagio speelde de jongeman bijwijlen gedurfd zacht. Zo soepel als de strijkarm heen en weer ging, zo delicaat klonk dit vredige intermezzo. Voor de meest intense wisselwerking tussen orkest en solist was het wachten op de finale (Allegro). Daarin werden de virtuoze hoogstandjes met net iets minder afgewerkte passages afgewisseld. Maar het totaalbeeld dat uiteindelijk bleef plakken, was toch meer dan bevredigend.

In de recitals van deze namiddag toonden de kandidaten zich duidelijk op hun gemak in de sonates. De keuze van Anastasia Kobekina (°1994) was daarbij op César Franck gevallen. Met diens populaire sonate in la-groot – oorspronkelijk voor viool – scoor je in België altijd, zeker als deze zo prikkelend, geïnspireerd en emotioneel doorvoeld is. De sonate in fa-groot van Richard Strauss die Levionnois in petto had, hoewel in dezelfde hoogromantische periode gecomponeerd, was dan weer van een heel ander karakter: een groots opgezette en forse drieakter waar de Fransman zelfverzekerd het volle gewicht in kwijt kon. Het leverde hem na het Allegro con brio spontaan een aanmoedigingsapplaus op, al was het toch vooral het expressieve Andante ma non troppo dat het meest direct aangreep. Ook Levionnois’ tweede cellosuite van Bach (BWV 1008) was van een grote kwaliteit. Met een zeer fijnzinnig Preludium, een vloeiende Allemande en een spits gepuncteerde Gigue doorstond hij deze ultieme lakmoesproef met glans. Een minder smaakvolle betrokkenheid sprak uit de vertolking van de zesde cellosuite (BWV 1012) door Kobekina. Zeker in de bezonken Sarabande gingen de dansante eigenschappen van de muziek helemaal verloren. Het leek wel of met Franck had ze haar beste kruit verschoten. Want ook van Chacun(e) sa chaconne, het Hitchcockiaanse plichtwerk van Annelies Van Parys, maakte de Russische een moeizame worsteling. Dat het ook anders kon, bewees Levionnois, die met de panoplie aan technieken de meest diverse contrasten op bedachtzame wijze tevoorschijn toverde. Elke kandidaat had ten slotte nog een soort encore in zijn programma ingebouwd. Bij Kobekina was dit het zwalpende Narrenshiff, een uitdagende compositie van de hand van haar vader. Levionnois ging het eveneens in zijn moederland zoeken, en leverde een met veel precisie gearticuleerde Papillon van Fauré af: een prestatie die hem een plaatsje in de finaleweek opleverde.


  • WAT: Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth van België, editie 2017 voor cello
  • WIE: Alexander Hersh, Wojciech Fudala, Irena Josifoska, Alexandre Castro-Balbi en Friederike Luise Arnholdt (op vrijdag 12 mei 2017) en Christoph Heesh, Bruno Philippe, Anastasia Kobekina en Yan Levionnois (op vrijdag 19 mei 2017)
  • WANNEER: vrijdag 12 en 19 mei 2017, sessie van 20u en 15u
  • WAAR: Studio 4, Flagey, Brussel
  • CREDIT FOTO’S: IMKEB vzw en Bruno Vessié

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: