Beethoven, patser van de muziek

De Duits-Japanse dirigent Jun Märkl kwam naar ons land met een modern/impressionistisch en Beethoven programma, met zijn eigen verklaring om de geest opnieuw in te stellen om daarna helder naar Beethoven te kunnen luisteren

Toru Takemitsu (1930-1996) brengt ons met ‘how slow the wind’ (1991) muziek uit een andere dimensie. De keerzijde van de man die ik ook als filmcomponist ken, die ook meer moderne elementen gebruikt in zijn filmmuziek, maar dan wat omfloerster. Dit werk daarentegen is melancholisch, maar anders, geenszins flauw, misschien zelfs een beetje bitsig, dit door het effect van de minder evidente tonaliteit van het werk, maar toch wilt het dezelfde dingen uitdrukken als ‘gewone’ muziek. Men mag de grens tussen wat men tonaliteit en atonaliteit noemt af en toe wel eens vergeten, ze kunnen immers ook niet zonder elkaar. Het is ànders gevoelig, ànders warm…

De componist is zeer geïnspireerd door Debussy (zoals ook de dirigent, deze nam alle orkestwerken van Debussy op, gezien zijn affiniteit met deze componist hoop ik persoonlijk dat hij de orkestbewerkingen van Debussy’s pianowerk door wijlen onze ere-redacteur en componist Luc Bréwaeys eens zou spelen), maar Takemitsu slaat ook zijn eigen weg in wat Takemitsu een eigen genre maakt. Vele aparte instrumentcombinaties worden aangewend, waaronder een schijnbaar exotisch percussie-instrument . De violen spelen met een ongekende zachtheid en Jun Märkl verliest nooit de controle of concentratie. Zeer rustig en toch gericht gaat hij te werk, met een niet te missen duidelijkheid. De compositie heeft iets ritueel inwijdend en de dirigent weet het spontaan als de wind te doen waaien en toch met een stevig ritme, het ademt regelmatig en toch met aandacht en ruimte voor expressie.

De Nocturnes L.91 (1899) van Claude Debussy (1862-1918) brengen ons naar de kern van wat men het impressionisme is gaan noemen, tegen de wil van deze componist in zelfs. Ook al is het al uit 1899, lijkt het eerste deel al een voorbode op de stijl van Stravinsky van rond de jaren 1910, maar het blijft toch nog iets dichter bij de romantiek van algemene sfeer, meer impressionistisch van taal. Het Brussels Philharmonic geeft een zeer vol klinkende interpretatie weer met een dartelend ritme. Ook hier een uitgebreide orkestratie met bv. twee harpen(die plots een perfecte glissando spelen op een ogenblik in het tweede deel). Het is ook geen voorspelbaar werk, het ging vaak anders dan ik verwachtte en ondanks de wisselende sferen heeft het stuk een eerder positieve visie. De pauken slaan zacht maar intens op een moment (ook in de tweede beweging) als een ritueel, het bouwt op een eigenzinnige manier.

Verder gebruikt dit tweede deel een grootse stijl die ik eerder niet gewend was van Debussy en die veel weg heeft van Il Pini Di Roma van Ottorino Respighi. De dirigent weet helemaal wat hij wil, zijn ervaring en precisie dwingen een enorm respect af. In het derde deel komen er twee koren bij op het toneel, een volledig links en een volledig rechts, zo benutten ze uitstekend de akoestiek. Tekst zingen ze evenwel niet, alleen lettergrepen zonder semantische betekenis, misschien een van de eerste werken die enkel zulke vocalises gebruikt, weer een voorbode naar de toekomst. Componisten als John Williams of onze eigen Wim Henderickx durven ook wel eens dergelijke dingen te doen en dat is zeer begrijpelijk.

De klank van de menselijke stem gebruiken bij een orkest op deze manier doet de klank helemaal openbreken en verheft het geheel. Het brengt de stem ook terug naar wat instrumentale muziek is; intonatie zonder woorden. De uitvoering gaat zò vloeiend naar de zeer uiteenlopende toonaarden en dat brengt veel teweeg, meer dan wat ik ooit verwachtte, het greep me helemaal vast. Op het einde van het werk doet de combinatie van het koor met de harpen denken aan de aanslag van een klok met een geweldige galm, ook zo blijft dit werk nog nagalmen…

Beethoven tot en met

Ludwig Van Beethoven (1770-1827), die uit een familie stamde van bij ons, uit Mechelen, laat zijn naam als een zware beiaardklok terug in ons land weergalmen, ditmaal in de vorm van zijn zesde symfonie. Hij was een zeer actief man die meesterlijk kon improviseren, veel concerten gaf (en daar een aardige duit mee verdiende), maar vooral revolutionaire stappen zette in de compositie bij elk nieuw werk, bij uitstek zijn 9 symfonieën zoals dirigent Jun Märkl reeds uitlegde bij de inleiding voor het concert. Elke symfonie heeft een compleet ander concept. Dit alles maakt van Beethoven wat ik met een beetje dichterlijke vrijheid zou noemen; een echte patser van de klassieke muziek.

De dirigent neemt met deze zesde symfonie zijn tijd voor de eerste lijn tot deze natuurlijkerwijs uitgedoofd is en gooit er dan wat extra energie in. De manier waarop alleen al toont een enorm gevoel voor dynamiek. Het ritme zit ook weer strak, zonder partituur leeft en ademt hij volledig mee met het werk. Bij elke herhaling geeft de dirigent ook wat vernieuwing.

De 5de van Beethoven mag dan ook wel enorm naar de keel grijpen, de 6de is ook een uitzonderlijk werk, vooral in de zeer spontane aaneenvlechting van de verschillende delen. Eigenlijk voelt het als één deel en ook hierbinnen heeft elke herhaling een goede reden. De hoogfrequente violen doen heel het lichaam trillen. De nog eerder classisistische Beethoven komt meer naar voren af en toe, maar toch binnen een voor die tijd zeer modern geheel. De stijl is best hybride eigenlijk, hij wist wanneer hij welke technieken wilde aanwenden en het lijkt alsof hij bij elke stap van de compositie steeds de best mogelijke keuze wist te maken. De houtblazers kregen ook meer zelfstandigheid tegenover de klassieke periode en de koperblazers bekwamen een vaste plaats in het symfonisch orkest.

Enkele minder gekende lijnen komen bij deze uitvoering wat meer op de voorgrond, zonder de pretentie het warm water opnieuw uit te vinden. De hoorns klinken zoals ik ze nog niet eerder hoorde. Op de vloeiing tussen de instrumenten is werkelijk niets aan te merken. De fluit en hobo spelen een zeer klassieke cadens in het tweede deel en daarna gaat het vlot weer over in pure, eerlijke romantiek. Heerlijk intens is ook de fluitsolo in dit deel met vogelgeluiden waar de hobo op aanvult, muisstil is het in de zaal, de stilte was bijna hoorbaar. In deel 3, ‘Lustiges Zusammensein der Landleute’ lijkt ook een stukje volksmuziek (weer een genre vakkundig spontaan aangewend door de meester) uit te schijnen waar de dirigent ook lustig op springt. Bij de overgang naar ‘de storm’ wordt eerder weinig pauze gelaten, maar dit gaf mij ook een nieuwe visie op de interpretatie die dit rechtvaardigt; een echte storm wacht natuurlijk ook niet.

Ik kan me volledig vinden in het volume en het tempo. Traagheid geeft natuurlijk ook ruimte aan expressie, maar deze gezonde aangewende vaart houdt ons geprikkeld en toch ook met ontwikkelde expressie. Over géén passage wordt te licht overgegaan. Met een uitbundig geschilderde cadens eindigt dit fantastische verhaal maar weer… Niet droevig ben ik dat het voorbij is, wel blij dat het gebeurd is; een mooie ervaring als deze symfonie kent het leven niet steeds toe.

De App Wolfgang die ons realtime informeerde tijdens deze symfonie is een leuke toevoeging voor wie wil en weer iets om de Schone Kunst toegankelijker te maken.


  • WAT: Beethoven 6
  • WIE: Dirigent Jun Märkl, Brussels Philharmonic
  • WAAR & WANNEER: Flageygebouw Brussel, 26 april 2018

Gerelateerde Artikelen

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: