Apsara verkent relatie tussen klank en beeld

Op de tweede dag van het Leuvense Transit heeft het fluittrio Apsara de grenzen van hun instrument met zachte hand verlegd. Via innovaties als de schuiffluit, versterkte basfluiten en performance met mondstukken van de tenorblokfluit is weer eens een horizon verschoven.

Van Jasper Vanpaemel stonden twee stukken op het programma, XYZ en ABC (wereldpremière). In XYZ was het langzaam maar niet onprettig wakker worden met de drie grote schuiffluiten, een uitvinding van de componist. Het zijn kunststof pijpen die de zwoele klanken van de basblokfluit benaderen maar ook de onbevangenheid van de panfluit ten gehore kunnen brengen. Het openingsdeel neemt de luisteraar mee in de wereld beneden de zeespiegel met bubbels, donker gezoem, het holle ademen via een duikmasker. Maar al snel daarna geven de instrumenten hun passages aan elkaar door en huppelen ze door elkaar als kleuters op hun feestje. Alles klinkt alsof het ter plekke wordt verzonnen maar de klankbalans, inclusief onwaarschijnlijke glissandi, wordt wel degelijk gecontroleerd door voetpedalen en microfoons. Een kleinere versie van de schuiffluit wordt gebruikt in de wereldcreatie ABC. Dit stuk is meer a tempo met suggesties van heftig zoemende insecten die in wolken aan- en afvliegen. Toch doet het stuk klassiek aan, zeker wanneer het ritmische getsjilp van vogeltjes obstinaat wordt. Soms gaan zij flink tegen elkaar tekeer om voor hetzelfde geld tegen het einde over te gaan in doorzichtige vleierijen.

Onbestemd

Drie versterkte basfluiten bezetten het stuk En leurisse, les trois Velés van Christophe Guiraud. De compositie lijkt gestalte geven aan doorgevoerde onbestemdheid. Hiervoor staat een zachte trillende drone in, waaromheen de twee andere fluiten onschuldig cirkelen. Het is tasten, strelen, neigen en wijken, variërend van licht dissonant tot toonloos blazen. Plotselinge korte loopjes werken als streepjes zonlicht die vrijwel meteen weer achter de wolken verdwijnen.

De relatie tussen geluid, beeld en lichamelijkheid komt aan de orde in Mondstuk van Paul Craenen voor (mondstuk van) tenorblokfluit. Door alleen het mondstuk te bespelen wordt het onderdeel geïsoleerd van het oorspronkelijke instrument en is het niet meer dan een pijp met drie gaten. De musici worden ook fysiek aan het werk gezet. Door houterige gebaren met armen, hoofd en nek suggereren zij wat de muziek al doet vermoeden: weinig onderlinge communicatie. Er wordt gelijktijdig gespeeld maar daarom is het nog geen samenspel. De handgebaren zijn bezwerend of afwerend, de hoofden afgewend, de blikken ontwijkend. Iedereen staat voor zichzelf en keert zich naar binnen. Het is een stuk dat aan het denken zet.

Matthew Shlomowitz nam in Earth Breez Smoke de traditionele blokfluit voor zijn rekening. Maar traditie moet bij Apsara met een korrel zout worden genomen. Hier leren we de blokfluit ook kennen als percussieinstrument. De twee musici blazen en zuigen door de gaten, slissen en sissen, klakken en pruttelen zoals een afremmende stoomlocomotief. Wie nu nog beweert dat de blokfluit niet thuishoort in hedendaagse klassieke muziek, die komt van Mars.

  • WAT: Transit
  • WAAR: STUK, Leuven, tot en met zondag 24 oktober
  • TICKETS: festival2021.be
  • GEZIEN: 23 oktober 2021
  • FOTO’S: Wynold Verweij

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: