Antwerp Symphony Orchestra tovert sensuele Franse klanken te voorschijn

Het is en blijft een voorrecht om als muziekliefhebber te mogen plaats nemen in de nieuwe Koningin Elisabethzaal in Antwerpen. Het is intussen ruim drie jaar geleden dat de volledig nieuwe zaal voor het eerst gebruikt werd, maar wat een visueel en auditief contrast met de vorige plek! Ik ken heel wat buitenlandse steden waar ze jaloers zijn op een zaal zoals deze.

Laten we dan ook fier zijn op wat de Scheldestad momenteel aan concert-infrastructuur te bieden heeft – in deze tijden van verzuring en geklaag wordt te weinig de aandacht gevestigd op wat er wel goed gaat.

Dat het Antwerp Symphony Orchestra de jongste jaren een sterke nationale én internationale reputatie heeft weten op te bouwen, is wellicht in niet geringe mate te danken aan het feit dat het orkest over de Koningin Elisabethzaal als hun vaste plek voor repetities en concerten kan beschikken.. Nog niet zo lang geleden moest het orkest zich behelpen met sterk inferieure repetitiezalen, wat niet bijdroeg tot een homogene, uitgebalanceerde klank. Ik spitste dan ook meteen aangenaam verrast de oren bij “Ma mère l’Oye” van Maurice Ravel.  Deze vijf stukken, gebaseerd op de Sprookjes van Moeder de Gans, schreef Ravel oorspronkelijk in 1908 voor de kinderen van een vriendin, die ze vierhandig op de piano speelden. Later bewerkte hij ze zelf voor symfonisch orkest. De bij ons nog relatief onbekende Spaanse dirigent Jaime Martin laat de subtiele, originele orkestratie van Ravel volop tot haar recht komen, hierbij geholpen door de bijna perfecte akoestiek van de zaal. Maar wat vooral helpt is de pure klasse van het gedisciplineerd spelende orkest: zangerig, sensueel zelfs wanneer nodig, robuust wanneer het kan. Vooral de houtblazers vallen op: ze vormen, meer nog dan de strijkers, de ziel van het orkest en hun solo’s (contrafagot, Engelse hoorn!) getuigen van grote muzikaliteit.

Dat er opvallend veel jonge mensen in de zaal zitten, heeft waarschijnlijk te maken met de aanwezigheid van een Nederlands fenomeen: de piano spelende broers Arthur en Lucas Jussen. 23 en 27 jaar oud zijn ze intussen, maar hun spelt getuigt nog steeds van een aanstekelijke, jeugdige branie gekoppeld aan de nodige dosis vingervlugheid. Twee kwaliteiten die méér dan van pas komen in het verrukkelijke Concerto voor 2 piano’s van Francis Poulenc. In de beide hoekdelen is dit concerto nu eens extravert, exuberant, komisch zelfs, dan weer ingetogen. Het langzame middendeel is een openlijke hommage aan Mozart, naar eigen zeggen Poulencs favoriete componist. Zowel solisten als orkest treffen doelbewust het ietwat naïeve karakter van dit deel,  zonder in een zoeterigheid te vervallen die wel eens om de hoek komt loeren.

Naast de muziek van Ravel en Poulenc is deze van de eveneens Franse componist Florent Schmitt veel minder bekend. Ik was dan ook aangenaam verrast zijn “orkestraal fresco” “Antoine et Cléopâtre” uit 1920 op het programma aan te treffen. Schmitt wordt wel eens omschreven als de meest interessant van de Franse onbekende componisten en op basis van dit werk kan ik dat alleen maar beamen. In vergelijking met Ravel schildert Schmitt met een ietwat grovere, soms zelfs opulente borstel, maar zijn muziek overtuigt meteen en doet de vraag rijzen waarom ze niet vaker gespeeld wordt. Dat het Antwerp Symphony Orchestra uitpakt met een onbekend werk als dit getuigt van een sterke artistieke visie, waarbij men er niet voor terugschrikt de platgetreden paden te verlaten. Hopelijk wordt in de toekomst deze weg verder geëxploreerd en wil het Antwerpse publiek zijn orkest hierin volgen én blijvend koesteren.


  • WAT: Antwerp Symphony Orchestra tovert sensuele Franse klanken te voorschijn
  • WIE: Antwerp Symphony Orchestra & Broers Jussen olv Jaime Martin
  • WAAR & WANNEER: Koningin Elisabethzaal, Antwerpen, vrijdag 21 februari 2020
  • FOTO’S: © Marco Borggreve

Gerelateerde Artikelen

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: