Lucia di Lammermoor is een van die knappe belcanto-opera’s beroemd en geliefd omwille van Lucia's waanzinsaria. De Nederlandse regisseuse Monique Wagemakers goot deze waanzin voor De Nationale Opera in een symboolrijk totaalconcept. Maar het waren toch vooral de solisten die de show stalen.

Lucia di Lammermoor is een van die knappe belcanto-opera’s beroemd en geliefd omwille van Lucia's waanzinsaria. De Nederlandse regisseuse Monique Wagemakers goot deze waanzin voor De Nationale Opera in een symboolrijk totaalconcept. Maar het waren toch vooral de solisten die de show stalen.

 

De opera speelt zich af in een eenheidsdecor die wel wat fantasie vraagt om logisch te zijn. Een kale, grote en lichtgrijze ruimte, met hoge deuren en een groot schuifbaar raam stelt een zaal in het kasteel van de Ashtons voor, waar de hele opera zich afspeelt. Lucia, in maagdelijk witte lange nachtjurk, zit verward op een reusachtig groot (lelijk) metalen bed. Haar rosse haar geeft haar iets excentrieks. Tegen de muur en rond het bed liggen kapotte oude poppen slordig verspreid: resten uit haar kindertijd, maar in hun stuk-zijn ook een sterk symbool van haar eigen geestestoestand. De poppen zijn trouwens duidelijk haar enige houvast, zo blijkt uit haar knuffelen van een ervan bij haar mooie cavatina Regnava nel silenzio.

 

Beklemmende raamvertelling

 

Ondertussen heeft er zich in de vloer onder het bed een groot zwart gat geopend, waar het bed met Lucia dreigt in te storten. Het zorgt even voor spanning, maar is al bij al een weinig geslaagd effect. De bron waarover sprake in haar aria ligt niet in dat zwarte gat onder het bed, maar wordt uitgebeeld als lopend water langs het grote schuifraam, dat zo de functie krijgt van een raam dat een blik naar buiten mogelijk maakt: naar de bron in het woud, naar de blauwe lucht, waar in haar verbeelding bevrijding mogelijk is. Ook de moord op haar man wordt met bloed al in dat raam voorspeld. Maar eigenlijk is de ruimte buiten het kasteel even beangstigend en schuiven er zwarte wanden voor de ramen.

 

In het beklemmende kasteel van de Ashtons, waar Lucia zich opgesloten voelt, gaat ze kapot aan mannelijke overheersing. Het hele verhaal van de opera is een nachtmerrie voor haar, waarin dominante mannen haar dwingen tot een liefdeloos huwelijk om hun macht en rijkdom veilig te stellen. Het koor maakt met hun hallucinante maskers deel uit van de nachtmerrie, vooral tijdens het huwelijksfeest. De moord op haar echtgenoot tijdens de huwelijksnacht wordt als een projectie op de achterwand uitgebeeld, een van de minder geslaagde effecten van de regie. Wel een sterk beeld is de scène van het duel tussen Enrico en Arturo, waar de zwaarden van de mannen in de grond gestoken zijn als kruisen op een kerkhof. Samen met de poppen maakt het deel uit van de romantische symbooltaal van Monique Wagemakers.

 

Hallucinante expressiviteit

 

De donkere Schotse tartanrokken van de mannen en de elegante zwarte trouwjurk van Lucia zijn epoquekostuums en geven zo toch een historisch houvast aan de op tijdloze psychologie geënte voorstelling. Wagemakers laat de mannen steeds als sombere, agressieve wezens optreden, vooral dan diens broer Enrico en haar man Arturo. Enrico (Marco Caria) zingt ook met brutale, niet echt fraaie baritonstem, Philippe Talbot verzorgde met mooie tenor zijn korte partij van Arturo en Alastair Miles zong met overtuigende bas een hypocriete Bidebent. Lucia’s echte geliefde, Edgardo, is daarentegen het prototype van de romantische, knappe, verliefde jongeman. Ismael Jordi vertolkt hem met hartstocht en geloofwaardigheid én, bovenal, met de stralend heldere tenorstem die we van hem kennen.

 

Hoewel ze de hele opera als een krankzinnige speelt, is het hoogtepunt van de voorstelling uiteraard de eigenlijke waanzinsaria van Lucia. Bloed is er ondertussen niet alleen op haar handen, maar ook aan de muren van de kamer. Jessica Pratt was een revelatie als Lucia. Haar fysieke présence was overweldigend, haar zang zo mogelijk nog meer. Ze zette haar aria teder verfijnd in met Il dolce suono en evolueerde naar hallucinante expressiviteit via Ardon gl’incensi naar Alfin son tua. Wat een boog spande ze met haar pure spitstonen in een ongelooflijke harmonie met het al even sublieme spel van de glasharmonica. Geen fractie van een nootje miste ze en ze hield de hele zaal in verrukkelijke spanning en bewondering.

 

Dirigent Carlo Rizzi staat garant voor kwaliteit in het Italiaanse repertoire en dat heeft hij in deze voorstelling met het Nederlands Kamerorkest nog eens bevestigd. Hij liet het orkest met kleurrijke klank en mooi gedoseerd de solisten begeleiden. Een voorstelling – nog tot en met 6 april in het Amsterdamse Muziektheater – die wat enscenering betreft geen onvergetelijke ervaring was, maar dankzij het sterke solistenpaar in de hoofdrollen toch ruim de moeite waard.