Door de bijtende vermenging van onontkoombaar noodlot en tragische liefde is Un Ballo in maschera een van Verdi’s aangrijpendste opera’s. Het was dus uitkijken naar deze productie in de Koninklijke Muntschouwburg. De verwachting werd jammer genoeg maar voor een kwart ingelost. Muzikaal – vooral orkestraal – werd Verdi knap gediend. De regie was daarentegen vergezocht en bleef absoluut in gebreke om Verdi’s essentie uit te beelden.

Door de bijtende vermenging van onontkoombaar noodlot en tragische liefde is Un Ballo in maschera een van Verdi’s aangrijpendste opera’s.. Het was dus uitkijken naar deze productie in de Koninklijke Muntschouwburg. De verwachting werd jammer genoeg maar voor een kwart ingelost. Muzikaal – vooral orkestraal – werd Verdi knap gediend. De regie was daarentegen vergezocht en bleef absoluut in gebreke om Verdi’s essentie uit te beelden.

De inhoud van de opera laat zich kort als volgt samenvatten: Koning Gustav III heeft een liefdesrelatie met Amelia, de vrouw van zijn vriend en secretaris Ankarström. Uit jaloezie sluit Ankarström zich aan bij een samenzwering tegen de koning en uitgerekend hij is degene die het lot aanduidt om de geplande moord op de koning uit te voeren.

Toen hij in het nog niet eengemaakte Italië in 1858 zijn opera Gustavo III componeerde voor het San Carlo Theater in Napels, besefte Verdi dat de censuur roet in het eten zou gooien. Er was immers een aanslag gepleegd op Ferdinand II, koning van Napels en de beide Siciliën. Een opera over een aanslag op de Zweedse koning in een door de vrijheidsstrijd verhitte Italië is dus uitgesloten. Verdi beslist het verhaal te verplaatsen naar een ver afgelegen continent en maakt van koning Gustavo de gouverneur van Boston (Riccardo) en zijn secretaris René Ankarström heet in die versie Renato. De première heeft uiteindelijk in februari 1859 in Rome plaats.

Verdi heeft het belangrijkste uit de brand gesleept, name­lijk het intense privé-drama van een tragische liefde en de diepe vriendschap tussen Gustavo en Ankarström die omslaat via jaloezie naar wraak met moord.

Alles even lelijk

Regisseur Alex Olé gaat aan dit privé-drama helemaal voorbij. Hij wil in zijn enscenering de klemtoon leggen op het politieke aspect en hij maakt dat los uit de (gedateerde) context van de negentiende eeuw. Hij actualiseert het naar een totalitair regime van de twintigste eeuw: volgens zijn uitgebreid betoog in het programmaboek een regime zoals George Orwell het in zijn roman 1984 aanklaagt. Een vergezocht opzet, dat dan kost wat kost op de opera van Verdi geplakt wordt.

We krijgen een spuuglelijk eenheidsdecor dat uit bunkerachtige blokken is samengesteld. Voor de scène met Ulrica wordt een bordeelrode spelonk gesuggereerd tussen die grijze wanden, waar de waarzegster op een liftstoel vanuit de hoogte naar beneden gelaten wordt (terwijl ze “Re dell’abisso”, de koning van de ondergrond, aanroept). Een geforceerd en belachelijk beeld, dat Marie-Nicole Lemieux niet echt flatteert. De cruciale scène met de lottrekking verdeelt Ollé over drie “compartimenten” van zijn bunkerkamer, zodat de bijtende confrontatie tussen Amelia en haar echtgenoot in het niets verzinkt. De slotscène met het gemaskerd bal heeft in die even koele en onpersoonlijke ruimte plaats, met op de achtergrond het dreigende big brother-masker en crashende computerschermen (de “ineenstorting van onze huidige maatschappij” dixit Ollé).

De kostuums passen bij dit opzet van een anonieme en totalitaire maatschappij: blauwe uniformen met nummers. Iedereen draagt een helmachtig hoofddeksel, dat slechts op bepaalde passionele momenten afgeworpen wordt. Alles even lelijk.

Geen personenregie

De personages worden aan hun lot overgelaten, zodat zelfs de meest aangrijpende passages de mist ingaan. Over liefde en passie wordt als bijzaak overheen gegaan, terwijl Verdi’s opera over een onmogelijke tragische liefde gaat, met een liefdesgehalte van een Tristan. Enkel het slotbeeld is geslaagd, met de statische dans van de gasten op de monotoon-spannende achtergrondmuziek. Daar draagt iedereen een echt masker – allemaal identiek. Jammer genoeg wordt het dan weer verknoeid met het vergezochte idee van de massavernietiging en de gasmaskers.

Alle respect dus voor Carlo Rizzi die met het orkest van de Munt toch nog iets van deze voorstelling maakt. Als volbloed-Italiaan heeft hij de taal van Verdi in de vingers en duidelijk ook in het hart. Hij stuurt de muzikanten zacht-lyrisch in de aandoenlijke passages (vb. inleiding tot de aria La rivedrà nell’estasi), maar evoceert ook de ironie (bijvoorbeeld in het samenzweerdersthema met honend gelach) en stuwt tot dramatisch zinderende passages die door merg en been gaan.

De zangers waren niet echt in topvorm. Riccardo Massi zong zijn partij van verliefde koning wel met overtuiging maar met vlakke stem en weinig nuance. Ook Scott Hendricks miste glans en kleur, wat vooral die prachtige slotaria Eri tu niet het verdiende effect gaf. Monica Zanettin (Amelia) heeft een hard timbre en forceerde geregeld. Wie absoluut vocaal schitterde was natuurlijk Marie-Nicole Lemieux, die met haar prachtige diepe alt een mysterieuze Ulrica neerzette en de scène beheerste. Bij de kleinere partijen vielen de twee Belgische zangers positief op. Ilse Eerens zong de coloratuurpartij van Oscar moeiteloos met soepele stem en ze speelde vlot en spontaan. De stem van de bas Tijl Faveyts lijkt nog aan volheid en warmte gewonnen te hebben en hij leek zich goed in zijn vel te voelen als de samenzweerder Ribbing. 

De reactie van het publiek was bijzonder lauw. Meer verdiende deze voorstelling ook niet.