Als aandeel in de herdenking van de Eerste Wereldoorlog heeft de Muntschouwburg een hedendaags team van artiesten geëngageerd voor een nieuw muziektheaterwerk: Shell Shock. De productie bewijst dat de inzet van de Munt voor de hedendaagse kunstscène uitstekende resultaten aflevert die volle zalen trekt en verdiende bewondering oogst.

Als aandeel in de herdenking van de Eerste Wereldoorlog heeft de Muntschouwburg een hedendaags team van artiesten geëngageerd voor een nieuw muziektheaterwerk: Shell Shock. De productie bewijst dat de inzet van de Munt voor de hedendaagse kunstscène uitstekende resultaten aflevert die volle zalen trekt en verdiende bewondering oogst.

Shell Shock verwijst naar de trauma’s die soldaten tijdens de oorlog oplopen. Maar deze oorlogstrauma’s beperken zich uiteraard niet tot de soldaten. Ze tasten zonder onderscheid iedereen aan die in een oorlogssituatie terecht komt. Auteur Nick Cave en componist Nicholas Lens schreven tekst en muziek, Sidi Larbi Cherkaoui regisseert en Koen Kessels, pas nog vereerd met een benoeming tot muziekdirecteur van de Royal Ballet Covent Garden in Londen, dirigeert het symfonieorkest van de Munt.

De tekst is onderverdeeld in een aantal “zangen” of “Canto’s”. Zoals de gedichtenbundel van Pablo Neruda, Canto General, behandelt elke canto een verschillend aspect van de oorlog. Telkens staat een bepaald personage centraal, dat dan meteen in dat deel van de opera de ‘hoofdrol’ speelt. Zo is er de Canto van de soldaat, van de verpleegster, van de moeder, van de deserteur, van de vermiste. De laatste Canto is die van de wees: het kind dat zonder moeder en vader achterblijft, hoopt op redding en bang de toekomst afwacht.

Prima la musica

De tekst van Nick Cave is sober en het ritme eenvoudig. Bepaalde frasen worden herhaald – bij momenten poëtisch, maar vooral no-nonsens en direct (“Fuck the flag, fuck God” – Canto van de Moeder). De poëzie en lyriek komen hoofdzakelijk van de muziek. De tekst laat absoluut ruimte voor de componist om accenten te leggen en emoties op te wekken, en Nicholas Lens doet dat ook op een prachtige manier. Hij buit de dramatische mogelijkheden van de tekst uit en bespeelt werkelijk alle registers van de instrumenten om de inhoud aangrijpend te maken en het scènebeeld te ondersteunen.

Lens doet dat uiterst subtiel en tegelijk zeer expressief. Glissandi in de strijkers, prachtige effecten in de blazers (zowel hobo en fluit als hoorn en trompet), details in het slagwerk. De partituur is zo rijk, dat een eerste beluistering niet volstaat om alles gehoord te hebben. Een hedendaagse partituur die nergens (auditieve) weerzin oproept en perfect past bij het visuele. Meteen kunnen we hier dirigent Koen Kessels en het orkest een grote pluim geven voor hun prestatie. Kessels geeft heel alert elk detail aan en het orkest volgt perfect en soepel. Ik neem aan dat de verstandhouding tussen hen bij het instuderen van deze muziek nagenoeg ideaal is geweest.

Esthetische sereniteit

Het beeld is aangrijpend in zijn soberheid. De beginscène toont een aantal simpele houten kruisen tegen een stapel zandzakken. Die kruisen en de zandzakken zijn de enige concrete dingen die verwijzen naar de kerkhoven en de loopgraven van de oorlog van 14-18. Alle andere visuele elementen zijn universeel en tijdloos en kunnen betrekking hebben op oorlogsneuroses van gelijk welke tijd of plaats. Cherkaoui schuwt gelukkig beelden van gruwel en wreedheid, maar hij suggereert deze wel. Zijn beeldtaal baadt in de schoonheid van mooie kostuums en prachtige belichting: een keuze die de trauma’s efficiënter doet aanvoelen dan ongeloofwaardige gruwelbeelden. De achtergrond van de scène is een grote witte constructie met drie reusachtige trappen in een koel glad materiaal die plaats bieden aan het koor of handig in elkaar schuiven tot een ander vlak, als een uitvergroot portaal van een kerk.

Bij het begin van de voorstelling staat Claron Mc Fadden als een Mater dolorosa op de bovenste etage in het midden: statisch en indrukwekkend. Op het podium beneden zet de “koloniale soldaat” ondertussen het verhaal in met de eerste Canto. Schaduwbeelden verwijzen soms naar strijd en slachtoffers. In elke canto is er een centraal personage dat de zangpartij uitvoert en steeds gedubbeld of omringd wordt door de dansers die de choreografie uitvoeren. Die geeft uiting aan de verwoestingen die het lichaam als “shell shock” in oorlogstijd ondergaat, waarvoor Cherkaoui uiteraard een virtuoze lichaamstaal toepast. Maar na verloop van tijd worden die bewegingen toch wel stereotiep en ontaarden ze in een soort perpetuum mobile van vallen, kronkelen en weer opstaan. Zo wordt de choreografie na verloop van tijd monotoon. Gelukkig vindt Cherkaoui nog extra geïnspireerde momenten, zoals in de Canto van de Overlevenden en de Canto van de Moeder.

Gesneuvelde soldaten vormen een kluwen van lijden als een pietà van veel lichamen. Het beeld herinnert aan het beroemde schilderij van Eugène Delacroix “La liberté guidant le peuple”. De frêle figuur van de verpleegster (die trouwens ook geïnspireerd lijkt op het Weesmeisje van Delacroix) evolueert ook naar een universeler wezen van medelijden, verlangen en hoop. Dagdagelijkse objecten krijgen een verrassend gebruik, zoals de piano waarop de verpleegster speelt en die gewoon uit de witte scènedoeken geëvoceerd wordt. Diezelfde scènedoeken zijn op een ander moment lijkwades. De scène met het weeskind op het einde is vertederend, maar mist toch het aangrijpende dat je ervan zou verwachten. De Canto van de Overlevende en zeker de tweede versie ervan grepen me het meest aan.

Fragiel meisje

Claron Mc Fadden belichaamt mooi de vrouw in het stuk en vocaal past ze haar zeer wendbare stem toe, die voor geen enkel extreem stemeffect terugschrikt. Toch hou ik niet van deze zangeres en vind ik haar stem schril en onaangenaam. De andere partijen waren mooi bezet, met Sara Fulgoni als een charismatische moederlijke figuur en basbariton Mark Steven Doss als (onder andere) een van de gevallen soldaten. Ook de dansers van Eastman zetten een knappe prestatie neer, waarvan mij vooral de soepele en fragiele Guro Nagelhus Schia in haar zachtblauwe jurk zal bijblijven.

In een filmpje dat de Munt op zijn website publiceerde, vertelt Nick Cave dat zijn opera mede door de cultuursubsidies mogelijk werd gemaakt, ‘een operahuis dat bekend staat voor haar innovatieve producties en samenwerking met nieuwe componisten.’ Die subsidies liggen stevig onder vuur. De productie van Shell Shock bewijst alvast dat de inzet van de Munt voor de hedendaagse kunstscène uitstekende resultaten aflevert die volle zalen trekt en alom verdiende bewondering oogst. Shell Shock is een prachtig muziekwerk dat ook buiten het herdenkingsjaar 14-18 zijn actualiteit als pacifistisch werk kan bewaren en dat zeker stof biedt voor andere ensceneringen.