Voor zijn tweede en reeds voorlaatste editie van de Salzburger Festspiele – hij verlaat het festival immers voortijdig om directeur van de Scala van Milaan te worden – had artistiek directeur Alexander Pereira een volumineus programma samengesteld : zes weken en twee dagen (19 juli- 1 september) met een gemiddelde van minstens vier manifestaties per dag : opera, toneel, concerten en recitals, klassiek repertoire en hedendaagse klanken, creaties en projecten voor de jeugd en ter afronding een festivalbal. 

Voor zijn tweede en reeds voorlaatste editie van de Salzburger Festspiele – hij verlaat het festival immers voortijdig om directeur van de Scala van Milaan te worden – had artistiek directeur Alexander Pereira een volumineus programma samengesteld : zes weken en twee dagen (19 juli- 1 september) met een gemiddelde van minstens vier manifestaties per dag : opera, toneel, concerten en recitals, klassiek repertoire en hedendaagse klanken, creaties en projecten voor de jeugd en ter afronding een festivalbal. 

In de operaprogrammatie stelden Wagner en Verdi, de twee componisten van wie in 2013 de tweehonderdste verjaardag herdacht wordt, Mozart in de schaduw.  Salzburgs grote zoon was vertegenwoordigd met een nieuwe productie van “Cosi fan tutte”, slechts in de twee laatste weken van het festival te beleven,  met één opvoering van “Die Entführung aus dem Serail” als een aparte televisie-productie en met een reprise van “Lucio Silla”, een coproductie met de Stiftung Mozarteum van Salzburg en reeds voorgesteld tijdens de Mozartwoche in januari.

Deze “Lucio Silla”  was een bijzonder boeiende opvoering dank zij de gespierde maar gedetailleerde en subtiele muzikale leiding van Marc Minkowski aan het hoofd van zijn prima presterende Musiciens du Louvre  die de partituur van de jonge Mozart alle eer aandeden. Erg boeiend ook door de enscenering van Marshall Pynkoski die erin geslaagd is met deze quasi onstuitbare reeks van aria’s en recitatieven  dramatisch en ontroerend theater te realiseren, meer dan overtuigend vertolkt door schitterende zangers. Geholpen door Antoine Fontaine (decor en kostuums) en Jeannette Lajeunesse Zingg (choreografie) schiep hij een gestileerde wereld, zowel barok als klassiek, met suggestieve decors en opgeluisterd door fraaie, nobele en onderhoudende dansen. De personages zijn mensen van vlees en bloed die hun emoties uiten in expressieve en veeleisende aria’s met virtuoze coloraturen. Bij het slotapplaus krijgt Rolando Villazon de grootste ovatie. Zijn engagement is onbetwistbaar en hij vertolkt de tiran Lucio Silla met een nog vrij indrukwekkende vocale kracht. Maar wat Mozartstijl, soepelheid van de stem en gaafheid van het timbre betreft, kan hij niet met zijn vrouwelijke collega’s wedijveren. Olga Peretyatko geeft Giunia noblesse, emotie en een grote vocale virtuositeit. Marianna Crebassa zet een intense Cecilio neer met een superbe en uiterst buigzame stem. Inga Kala geeft Cinna, de getormenteerde vriend, de juiste allure en Eva Liebau is een charmante Celia met zilveren sopraan. Geen Aufidio in deze Salzburgse versie die dit personage schrapt en nog andere coupures toepast maar een absoluut verantwoord en overtuigend geheel biedt.

Falstaff

Indien Wagner gevierd werd met een scenische realisatie van “Die Meistersinger von Nürnberg”, een concertante versie van “Rienzi” en twee concerten met de Siegfried Idyll en het eerste bedrijf uit “Die Walküre”, dan werd Verdi geëerd met nieuwe producties van “Falstaff” en “Don Carlo”, concertante uitvoeringen van “Giovanna d’Arco” en “Nabucco” en drie uitvoeringen van de Messa da Requiem o.l.v. Riccardo Muti.  Het was Zubin Mehta die de Wiener Philharmoniker dirigeerde in “Falstaff” en de magistrale partituur van de oude Verdi met lichte hand aanpakte, het orkest subtiel liet musiceren, de zangers zorgvuldig begeleidde zonder ze te overstemmen en homogene ensembles vol elan realiseerde. De regisseur Daniele Michieletto heeft de handeling naar vandaag verplaatst in de Casa di Riposo per Musicisti die door Verdi in Milaan gesticht werd en heeft van Falstaff een zanger gemaakt die destijds die rol  vertolkte en van zijn voorbije glorie droomt. Alle personages van de Verdi-opera, gekleed zoals in de tijd van de componist, verschijnen en verdwijnen via de ramen van de home en mengen zich onder de bewoners. Dat leidt soms tot ontroerende momenten zoals wanneer het paar van de jonge verliefden  Nannetta en Fenton geconfronteerd wordt met een bejaard koppel dat elkaar vol tederheid omarmt. Maar over het algemeen is dit voortdurend heen- en weer geloop eerder storend en vrij verwarrend. Bovendien is het enige decor, dat de leefruimte van de Casa Verdi voorstelt, niet ideaal om de verschillende handelingsplaatsen van de opera te suggereren. Zo wordt Falstaff niet in een grote linnenkorf verstopt, wat niet met de muzikale dramaturgie overeenstemt, en niet in de Theems gegooid. Het einde van de opera is vol melancholie wanneer de oude zanger de foto’s in zijn souvenir-album bekijkt en met zijn dood geconfronteerd wordt. Maar uiteindelijk is het vol levenslust dat hij de slotfuga “Tutto nel mondo è burla” inzet. Ambrogio Maestri heeft de ideale lichaamsomvang en de ronde stem voor Falstaff. De lustige vrouwtjes van Windsor werden met charme en frisse stemmen vertolkt door Fiorenza Cedolins (Alice), Eleonora Buratto (Nannetta), Stephanie Houtzeel (Meg) en Elisabeth Kulman (een eerder ongewone Quickly). Massimo Cavalletti (Ford) voerde de mannelijke falanks aan met een sterke stem en Javier Camarena was een vocaal elegante Fenton.

Don Carlo

De productie  waarnaar waarschijnlijk het meest werd uitgekeken was “Don Carlo” in de lange Italiaanse versie in vijf bedrijven in een enscenering van de grote theaterman Peter Stein, gedirigeerd door Antonio Pappano en met Jonas Kaufmann, dé tenor van het ogenblik, in de titelrol. Welk een geluk om eindelijk opnieuw eens een enscenering te zien die het libretto en de muzikale dramaturgie respecteert. Men kan Peter Stein verwijten dat hij niet genoeg “vernieuwt”, dat hij de traditie volgt maar zijn gedetailleerde personenregie blijft opmerkelijk en alleszins te verkiezen boven ensceneringen die voortdurend in beweging zijn en het van een overdaad aan visuele effecten moeten hebben dikwijls ten koste van de muziek. Het is een feit dat de decors van Ferdinand Wögerbauer misschien té sober waren en zelfs soms armoedig aandeden maar de historische kostuums (Annamaria Heinrich) waren juist en mooi (gelukkig geen Don Carlo in jeans en T-shirt!) en de massabewegingen goed geregeld. Men kon zich dus volledig overgeven aan de muzikale rijkdom, prachtig vertolkt door Antonio Pappano aan het hoofd van de Wiener Philharmoniker in grote vorm. Pappano geeft het werk een brede dramatische adem en het orkest volgt hem met overtuiging in een vurige vertolking met mooie kleuren en dikwijls ontroerende lyrische momenten. Een prachtige ervaring. Zoals te verwachten was Jonas Kaufmann een meer dan overtuigende Don Carlo, de verliefde maar uiteindelijke wanhopige jonge man die zijn emoties uitzingt met een expressieve, homogene en soepele stem met een vrij donker timbre. Anja Harteros dient hem op ideale manier van repliek als Elisabetta, de plichtsbewuste prinses, en dit met rijke en genuanceerde sopraan. Ekaterina Semenchuk geeft Eboli temperament en een ruime, warme mezzo-sopraan die de vocale eisen van de partij zonder problemen overwint. Thomas Hampson zingt Posa, de trouwe vriend met zijn slanke, beheerste bariton en geeft het personage de gewenste adel. Matti Salminen ontgoochelt als Filippo, een figuur die hij niet de gewenste allure kan geven en zingt met vermoeide stem. Eric Halvarson daarentegen zet een schrikwekkende en vocaal indrukwekkende Groot Inquisiteur neer. Maria Celeng is een heerlijke Tebaldo maar de stem van Robert Lloyd (Carlo V) is werkelijk te versleten. Goede kleinere partijen en voorbeeldige koren.

"Die Jungfrau von Orléans"

Het is “Die Jungfrau von Orléans” het drama van Schiller (ook op het theaterprogramma van de Salzburger Festspiele dit jaar) waarop Temistocle Solera zijn libretto voor ‘Giovanna d’Arco” de zevende opera van Verdi baseerde, gecreëerd in de Scala van Milaan in 1845. Salzburg presenteerde die weinig bekende opera in een concertante versie met Anna Netrebko als Giovanna en Placido Domingo als haar vader Giacomo. Niet te verwonderen dat de drie concerten volledig uitverkocht waren en talrijke fans nog tevergeefs probeerden een ticket te bemachtigen. Ana Netrebko is dé grote ster van de Salzburger Festspiele en Placido Domingo blijft de uitzonderlijke kunstenaar die we kennen en waarderen en die nu een tweede carrière als bariton begint. Netrebko wil een nieuw repertoire verkennen (zoals haar recente Verdi-cd voor DG getuigt) en houdt ervan minder bekende werken te presenteren. Voor deze Giovanna d’Arco die ze met grote professionele ernst vertolkte heeft ze alle troeven: een bijzonder ruime, rijke sopraanstem met warme kleuren, homogeen in alle registers, in staat tot grote dramatische elans maar ook subtiele nuances en intieme piani. Schitterend in een gouden jurk leefde ze intens met haar personage mee. Placido Domingo die onlangs nog opvoeringen in Madrid had moeten afzeggen wegens een longembolie was opnieuw present om  (veertig jaar na zijn opname van de tenorpartij  in dezelfde opera) nu de baritonrol te vertolken van Giacomo, de getormenteerde vader die meent dat zijn dochter met de duivel heult. Domingo deed dit met zijn vertrouwd dramatisch engagement en ging daarbij tot aan de grenzen van zijn fysieke kracht. Maar de zanger is nog altijd even expressief en zijn timbre even vol en warm. De rol van de koning Carlo VII werd dit keer vertolkt door Francesco Meli met krachtige stem van edel metaal. Roberto Tagliavini was een soliede Talbot. Het Philharmonia Choir Wien en het Münchner Rundfunkorchester werden met strakke hand geleid door Paolo Carignani die niet de meest subtiele dirigent is maar deze partituur van de jonge Verdi de nodige cohesie gaf.

Late twintigste eeuw

Bij gebrek aan creaties van nieuwe werken – de tijd om de opdrachten te realiseren was te kort – verkoos Alexander Pereira om opera’s uit de late twintigste eeuw te presenteren. Na “Die Soldaten” van Zimmermann vorig jaar was dit keer “Gawain” een opera in twee bedrijven van de Engelse componist Harrison Birtwistle (°1934) aan de beurt. De realisatie was toevertrouwd aan het team dat groot succes had gekend met  “Die Soldaten”: de Letse regisseur Alvis Hermanis en de Duitse dirigent Ingo Metzmacher. Jammer genoeg heeft hun realisatie van “Gawain” niet hetzelfde niveau gehaald. De partituur van Birtwistle is vrij uniform, zonder grote duidelijke dramatische structuur om het scenisch gebeuren te inspireren. Bovendien zijn bepaalde vocale partijen o.m. de erg veeleisende van Morgan le Fay (die als het ware de gebeurtenissen commentarieert) zo geschreven dat het praktisch onmogelijk is een woord te verstaan. Het enorme orkestapparaat produceert momenten van massieve kracht die echter niet de gewenste indruk maken en eerder goedkoop overkomen. Niets dan lof nochtans voor Ingo Metzmacher en het ORF Radio Symphonieorchester Wien die deze moeilijke en weinig dankbare partituur vol inzet vertolkten.  Regisseur Hermanis heeft de actie van “Sir Gawain and the green knight” van de tijd van Koning Arthur naar 2021 verplaatst en de scenische handeling daardoor erg hermetisch gemaakt en de interpretatie voor heel wat discussie vatbaar. Het verhaal van de ridder die zijn moed moet bewijzen wordt een sombere kijk op de toekomst van een post-apocalyptische wereld geconfronteerd met een steeds meer opdringerige natuur. De Green Knight wordt een groene ridder, een ecologisch symbool en Gawain, de moedige ridder die zijn uitdaging aanneemt wordt door Hermanis geïdentificeerd met de Duitse kunstenaar Joseph Beuys en zijn visionaire ideeën. Dus vinden we de wereld van Beuys met zijn typische attributen uitgebeeld op het toneel. Gawain, hoed op het hoofd, evoceert de kunstenaar en ten slotte wordt een enorm portret van Beuys aan het decor opgehangen. Dat maakt alles vrij ingewikkeld en uiteindelijk vrij banaal maar draagt er zeker niet toe bij de handeling dramatischer of de opera boeiender te maken. De zangers zetten zich duidelijk in ook al wordt het zingen hen niet altijd gemakkelijk gemaakt. Ik denk aan de arme Laura Aikin (Morgan le Fay), die bedekt met vrij hinderlijk mos voortdurend de hoogste vocale regionen moet bewandelen en dat doet met grote virtuositeit. Ook Jennifer Johnson (Lady de Hautdesert) levert puik werk evenals Christophet Maltman (Gawain), Jeffrey lloyd Roberts (King Arthur) en alle andere vertolkers. John Tomlinson gaf de Green Knight met zijn autoriteit en ervaring maar zijn vocale bijdrage was vrij penibel.