Zoals de Bayreuther Festspiele aan één componist gewijd zijn: Richard Wagner, zo brengt Pesaro met het Rossini Opera Festival hulde aan zijn grote zoon Gioacchino Rossini. Minder bekend en minder populair dan het operafestival in de arena van Verona, trekt het ROF toch iedere zomer muziekliefhebbers uit alle hoeken van de wereld aan (de grote Japanse aanwezigheid is opvallend) om bekende en vooral minder vertrouwde werken van de “zwaan van Pesaro” te (her)ontdekken.

Zoals de Bayreuther Festspiele aan één componist gewijd zijn: Richard Wagner, zo brengt Pesaro met het Rossini Opera Festival hulde aan zijn grote zoon Gioacchino Rossini. Minder bekend en minder populair dan het operafestival in de arena van Verona, trekt het ROF toch iedere zomer muziekliefhebbers uit alle hoeken van de wereld aan (de grote Japanse aanwezigheid is opvallend) om bekende en vooral minder vertrouwde werken van de “zwaan van Pesaro” te (her)ontdekken.

Voor zijn 34ste editie presenteerde het ROF nieuwe producties van “L’Italiana in Algeri” en “Guillaume Tell”, een reprise van “L’occasione fa il ladro” in een realisatie van Jean-Pierre Ponnelle, een concertante versie van “La donna del lago” en de reeds traditionele opvoeringen van “Il viaggio a Reims” door de jonge zangers van de Accademia Rossiniana. Naar gewoonte waren er ook enkele bel canto-concerten waarin ook werk van andere componisten dan Rossini te horen was, dit keer gebracht door de tenoren Michael Spyres, Celso Albelo en Yijie Shi, een “Omaggio a Verdi” door de sopraan Marina Rebeka en avonden gewijd aan de “Péchés de vieillesse” van Rossini door pianist Bruno Canino.

“Guillaume Tell”

De productie waarnaar het meest uitgekeken werd, was natuurlijk “Guillaume Tell”, het ultieme meesterwerk van Rossini dat sinds achttien jaar in Pesaro niet meer op de affiche had gestaan en nu gepresenteerd werd in de originele Franse versie en in een kritische editie van de Fondazione Rossini door Elizabeth C. Bartlet.

Als we uiteindelijk toch misschien niet iedere noot van deze immense partituur hebben gehoord, dan was het toch een zeer volledige versie die in Pesaro uitgevoerd werd, balletten inbegrepen, goed voor meer dan vier uur muziek. En deze muziek werd op schitterende manier verdedigd door het orkest van het Teatro Communale di Bologna onder de leiding van Michele Mariotti.

Deze jonge dirigent is weliswaar de zoon van de “Sovrintendente” van het festival maar ook de muziekdirecteur van de Opera van Bologna en een van de meest opmerkelijke talenten van zijn generatie. Dus hier was geen sprake van ergerlijk nepotisme maar wel van de juiste keuze om deze partituur al zijn grootheid te verlenen in een precieze maar geïnspireerde en bevlogen uitvoering met heerlijke lyrische bladzijden en momenten van intense dramatische spanning om tenslotte bekroond te worden door die grandioze en ontroerende finale.

Een heel mooie prestatie, ook vanwege de koren van de Communale di Bologna die bijna nooit het toneel verlaten en een machtige troef zijn in deze kooropera. En dit niet alleen op muzikaal vlak want zij spelen ook een belangrijke rol in de enscenering van Graham Vick.

De Britse regisseur wil immers een universele dimensie aan “Guillaume Tell” geven en presenteert de opstand van de Zwitsers tegen de Oostenrijkse bezetting als de strijd van boeren en arbeiders tegen hun verdrukkers. Het voordoek toont en gebalde vuist. Tell en de samenzweerders hebben rode  sjaals en meer dan een scene doet denken aan beelden van de film “Novecento” van Bertolucci. Het is duidelijk: voor Vick is niet Tell de protagonist maar het volk. Dit idee is verdedigbaar maar de manier waarop Vick het visualiseerde in de witte decors van Paul Brown  is niet altijd erg overtuigend. Ik moet bekennen dat ik niet begrijp wat de filmcamera’s in dit verband komen doen, noch de  opgezette paarden tegen een achtergrond van besneeuwde bergtoppen wanneer Mathilde het heeft over ‘Sombre forêt’. En wat een idee om tijdens Arnols grote scène met aria “Asile héréditaire” een film te projecteren van een vader die samen met zijn zoon tuiniert en de zanger op die manier tot een tweederangs figuur te degraderen! Uitstekend daarentegen was de manier waarop Vick en zijn choreograaf Ron Howell de balletten in de actie geïntegreerd hebben dank zij een hedendaagse danstaal, niet altijd even esthetisch maar wel werkzaam;

Men verwachtte veel van de eerste Arnold van Juan Diego Florez, het troetelkind van het festival dat hem in 1996 ontdekte en lanceerde. Hij behaalde een triomf maar het was duidelijk dat hij zich nog niet helemaal comfortabel voelt in deze veeleisende vocale partij en zijn stem onder druk zette. Natuurlijk kon men opnieuw zijn stijl en zijn expressiviteit bewonderen maar, niet bepaald geholpen door de enscenering, wist hij niet veel met zijn personage aan te vangen. Marina Rebeka was een elegante en expressieve Mathilde met een niet altijd voldoende ruime of soepele stem. Niettegenstaande zijn indrukwekkende verschijning ontbrak het Nicola Alaimo aan allure om een overtuigende Tell gestalte te geven ter wijl zijn mooie maar eerder lyrische  bariton kracht en kern miste.  Amanda Forsythe was uitstekend als Jemmy, de zoon van Tell, die hier zijn lange aria vlak voor Tells “Sois immobile” had teruggekregen. Luca Tittolo was een prima Gessler, arrogant , wreed en sadistisch. Veronica Simeoni gaf Hedwige emotie en een warme mezzo-sopraan. In Celso Albelo kreeg de rol van Ruodi  een luxe-bezetting. Goede beurten ook van Simon Orfila (Walter Fürst) en Simone Alberghini (Melcthal).

“L’Italiana in Algeri”

Had ik enkele reserves wat betreft de enscenering van “Guillaume Tell”, dan vind ik echt niets positiefs te vertellen over de nieuwe productie van “L’Italiana in Algeri” in een regie van Davide Livermore. Voor zijn  enscenering van “Ciro in Babilonia” vorig jaar had hij een originele formule bedacht die bovendien de zangers alle gelegenheid bood hun personage te verdedigen. Niets daarvan in “l’Italiana”, een goedkoop spektakel, dikwijls vulgair en irriterend met een overvloed aan visuele effecten en gags ten koste van een degelijke personenregie in overeenstemming met de personages en hun zangpartijen (decor Nicolas Bovey, video D-Wok, kostuums Gianluca Falaschi). Het begint reeds bij de eerste noot van de ouverture die ons, in de vorm van een stripverhaal, vertelt hoe Mustafa rijk is geworden dank zij olieboringen. In zijn paleis regeert hij als een echte despoot  omgeven door een reeks voortdurend kronkelende, irriterende schepsels. Dan verschijnt Isabella die een vliegtuigcrash overleeft en zich voorstelt in verschillende gedaantes, zowel als moedige reizigster als oriëntaalse verleidster of action woman. Zoals de rest van de bezetting wordt ze meegezogen in de onophoudelijke en vermoeiende scenische wervelwind. Ze verandert voortdurend van kostuums maar krijgt geen kans om haar personage werkelijk substantie te geven. Dat is niet de fout van Anna Goryachova die zich ten volle inzet maar ten onder gaat in de scenische overdaad en enigszins vocale kracht en projectie mist. Alex Esposito daarentegen domineert de handeling met sterke stem, speelt overtuigend de macho en slikt voortdurend pilletjes. Yijie Shi is een charmante Lindoro, vocaal aangenaam zij het eerder bescheiden. Mario Cassi geeft karakter aan Taddeo en laat zijn bariton krachtig klinken en Mariangela Sicilia leent aan Elvira haar kloeke sopraan. Ik weet niet of de Spaanse dirigent José Ramon Encinar verward was door de scenische waanzin maar zijn muzikale leiding aan het hoofd van het anders uitstekend orkest van het Teatro Communale di Bologna was erg ontgoochelend, miste precisie, ritme, eenheid, elan en Rossiniaanse geest.

“L’occasione fa il ladro”

“L’occasione fa il ladro” (De gelegenheid maakt de dief) is een “burletta” een  “farce” in een bedrijf die Rossini componeerde toen hij twintig was. Het is een werkje zonder pretentie dat ongeveer anderhalf uur duurt en het vrij onwaarschijnlijke verhaal vertelt van een gearrangeerd huwelijk en persoonsverwisselingen. Maar de muziek is levendig en aangenaam en het talent van de jonge Rossini evident. Geen nieuwe productie voor dit werkje maar de herneming van een realisatie uit 1987 van de grote Franse regisseur en scenograaf Jean-Pierre Ponnelle die korte tijd daarna overleed. Gedateerd? Waarschijnlijk wel maar bewonderenswaardig voor zijn originaliteit, zeker destijds. Aangezien de verwisseling van een koffer een belangrijke rol speelt in het verhaal, laat Ponnelle quasi de hele opvoering  vanuit een koffer tevoorschijn komen: zangers, meubels en machinisten die de beschilderde doeken behandelen die de decors vormen;  Het resultaat: een overtuigend geheel met een interactie van de personages die levendiger en meer gedetailleerd zou kunnen zijn. Maar Ponnelle was er jammer genoeg niet meer bij om het ensemble te inspireren. De bezetting verenigde de frisse stemmen van de soprano’s Elena Tsallagova en Viktoria Yarovaya en van de tenor Enea Scala met de vocale weelde en ervaring van Roberto De Candia en Paolo Bordogna. Het Orchestra Sinfonica G. Rossini werd met autoriteit gedirigeerd door Yi-Chen Lin, een jonge dirigente uit Taiwan die zich reeds in 2011 had doen opmerken toen ze “Il viaggio a Reims” dirigeerde en de opvoering het nodige elan gaf.

Dit jaar was het een andere jonge dirigent die vol zwier een nieuw, maar niet zo overtuigend, jonge ensemble zangers van de Accademia Rossiniana naar Reims begeleidede: de Australiër Daniel Smith. Een naam om te onthouden!