Het was een uitstekende keuze van de Munt om als concertante opera dit seizoen voor Roméo et Juliette te kiezen. Want bij deze heerlijk melodieuze, miskende opera van Charles Gounod zet enkel luisteren de verbeelding reeds genoeg op gang om de scènes mee te beleven, en dit mede dankzij de bezielde inzet van dirigent Evelino Pidò.

Het was een uitstekende keuze van de Munt om als concertante opera dit seizoen de heerlijk melodieuze, miskende opera van Charles Gounod, Roméo et Juliette te kiezen. De talrijke expressieve koorpassages, de emotionele aria’s en duetten tussen de twee protagonisten en de spannende conflicten tussen de vijandige clans spreken zo sterk uit Gounods muziek dat enkel luisteren hier de verbeelding genoeg op gang zet om de scènes mee te beleven.

 

De uitvoering was hierin ook voorbeeldig. Dat is in de eerste plaats te danken aan de bezielde inzet van dirigent Evelino Pidò, die elke solo en elk ensemble met verregaande precisie en totale inleving stuurde. Als hij volgens de persinformatie dit werk voor het eerst dirigeerde dan is het in elk geval een succes, en houdt dit Franse werk een mooie belofte in voor deze in het Italiaanse repertoire gepokt en gemazelde dirigent. Het was gewoonweg plezierig hem bezig te zien en het resultaat was er muzikaal naar.

 

Daarbij komt de uitstekende prestatie van het Koor van de Munt voor de gelegenheid bijgestaan door het Vlaams Radio Koor en Vocaal Ensemble Reflection. Ook bij de solisten konden we genieten van mooie stemmen. Dat was in de eerste plaats het geval voor de tenor John Osborn, die ook als Edgardo een goede beurt gemaakt had in 2011 in Lucia di Lammermoor en me recent nog positief was opgevallen in Rossini’s Guillaume Tell in Amsterdam. Zijn stem is soepel en smeuïg niet alleen in de tedere passages maar ze blijft dat ook als hij zich opwindt.

 

Anders is het gesteld met Nino Machaidze. Ze heeft zeker een indrukwekkende zangstem, maar mist (hier) het talent om ze met nuance in te zetten. Ze slaagt er niet in de fijne melancholie tot uiting te brengen of piano te zingen. Alles klinkt luid en hard en dus wordt haar zang monotoon. Ik vrees dat deze Juliette gewoonweg geen rol voor haar stemtype is. Bovendien is haar Franse uitspraak zeer slecht.

 

Carole Wilson kwam wat houterig over als Gertrude – misschien was het de bedoeling maar het straalde ook af op de stem. Angélique Noldus was een mooie Stéphano en Lhionel Lhote een geschikte Mercutio. Bij de basstemmen viel Patrick Bolleire positief op (ook gehoord in Guillaume Tell in Amsterdam 2012 en 2007 in concertante Damnation de Faust in de Vlaamse Opera). Het tegendeel was waar voor de bas-bariton Paul Gay die als Comte Capulet zijn kaal geworden en glansloze stem inzette en zo mogelijk een nog slechter partij zong dan zijn Don Alfonso in Lucrezia Borgia. (Misschien dat de Golaud die hij binnenkort alternerend in Pelléas et Mélisande in de Munt zal zingen nog iets meer in de grove snede van zijn stem ligt?). De zangers brachten met juiste dosis beweging in de “statische” opvoering als concert, wat het “opera”-effect ten goede kwam.