Een Händel-opera waar je niet in verstrikt raakt: het is uitzonderlijk. Met zes personages en een zo goed als rechtlijnig verhaal – als je de wederzijdse verliefdheden en jaloezie voor lief neemt- kan je ruim drie uur lang genieten van een weelde aan muziek. In het geval van de voorstelling in de Munt is dat dan zowel vocale als instrumentale muziek. 

Een Händel-opera waar je niet in verstrikt raakt: het is uitzonderlijk. Met zes personages en een zo goed als rechtlijnig verhaal – als je de wederzijdse verliefdheden en jaloezie voor lief neemt- kan je ruim drie uur lang genieten van een weelde aan muziek. In het geval van de voorstelling in de Munt is dat dan zowel vocale als instrumentale muziek. Want “first things first”: René Jacobs vertoont zich eens te meer als de magiër van deze barokmuziek en hij heeft een verbluffend ensemble in de orkestbak. De strijdlust die Jacobs bij voorbeeld in het orkest jaagt bij Orlando’s aria Fammi combattere zindert nog na in mijn oren. Tot wat een inzet spoort hij die muzikanten aan en wat een bezielde en meeslepend-klinkende respons geven zij eraan. Deze manier van spelen kan voor de hele opera veralgemeend worden en geldt niet enkel voor hevige passages. Ook in de tedere passages worden de emotionele peripetieën  subtiel en precies gevolgd. Hiervan is die andere grote aria van Orlando op het einde van het tweede bedrijf (Ah, stigie larve….Vaghe pupille) een perfect voorbeeld. Het barokorkest B’Rock heeft met deze voorstelling zijn goede reputatie verstevigd en de basso continuo-groep valt herhaaldelijk op als drijvende kracht. Naar goede gewoonte legt Jacobs dramatische vaart in het stuk, zijn tempo is razendsnel en niemand kan de stormpassages laten klinken zoals hij, ze donderen letterlijk de zaal in. Jacobs en zijn orkest kregen dan ook terecht een staande ovatie op het einde van de voorstelling. Over zijn muzikale realisatie schrijft Jacobs trouwens een interessante bijdrage in het programmaboek, die niet puur theorie is maar herkenbaar is in de uitvoering, zoals over het gebruik van de twee viole d’amore die inderdaad een betoverende klank creëren.

Van René Jacobs is het maar een stap naar de solisten. Hij omringt zich met zangers in wie hij een groot vertrouwen heeft en dat komt de uitvoering absoluut ten goede. Met Bejun Mehta heeft hij al live-concerten gespeeld en een Händel-cd opgenomen (een prachtige cd overigens “Ombra cara” – Harmonia Mundi). Deze contratenor geeft schitterend gestalte aan de uitputtende rol van de waanzinnige Orlando. Hij heeft een mooie hoogte zonder ijlheid, een volle stem die dank zij de stevige steun ook de halsbrekende coloraturen aankan. Een uitzonderlijke stem die gepaard met zijn acteertalent, dit repertoire op een natuurlijke manier overbrengt. Zijn onbereikbare geliefde Angelica wordt mooi ingevuld door Sophie Karthäuser. Haar slanke en sierlijke verschijning gaat gepaard met een even lichte en sierlijke sopraan, die zeer flexibel is, maar “body” mist, waardoor ze ook te weinig diepte geeft aan het personage. Misschien is de partij iets te dramatisch voor haar? Of mist ze de vocale inleving om de rol echt tot leven te brengen? Wie zonder twijfel haar rol tot sprankelend leven brengt is Sunhae Im, een van de sopranen die tot de “vaste” zangeressen van Jacobs behoort. Als het herderinnetje Dorinda is het alsof ze haar bekoorlijke en verrukkelijke zelf speelt. Haar lichte en superwendbare stem heeft wèl een stevige bodem en dat komt bij deze veeleisende partij goed van pas. Kristina Hammarström vertolkte met verve de rol van Medoro en de bas Konstantin Wolff maakte indruk als charismatische Zoroastro.

Eigentijds theater met barokke toets

Hoe breng je dit mythische verhaal van passie, bedrog en waanzin geloofwaardig op een hedendaagse scène? Ik neem aan enkel door het een symbolische invulling te geven. Dat is althans de aanpak van Pierre Audi en die werkt. Van Audi zijn we het gewoon dat hij een eenvoudige maar effectieve beeldtaal hanteert, waarbij licht en schaduw een grote rol spelen en waarin hij vaak ook speelt met (al dan niet gebogen) wanden in doek of glas. Het openingsbeeld van de opera zet ons meteen in de juiste sfeer: een verschroeide boom tegen een grijze achtergrond, met poëtische schaduw. Wat dan ons op afkomt, kan niet anders dan thuishoren in de sfeer van sprookje en magie. Het filmbeeld waarmee de eerste scène begint maakt duidelijk dat we in een pastorale omgeving terecht komen. Orlando stapt doorheen dit landschap als een wereldvreemde eenzaat. Of hij de pyromaan is die Audi van hem maakt? Het is misschien ver gezocht maar het geeft Audi wel de gelegenheid voor een indrukwekkend spel met vuur. De vlammen hebben de eenvoudige landelijke woning van Dorinda vernield. Het vuur wil ik best interpreteren als allegorie voor de waanzin waaraan Orlando ten prooi is, de jaloezie die woedt in zijn gemoed? Van de filosoof en magiër Zoroastro dan maar een brandweercommandant maken, en figuranten als brandweermannen laten aanrukken: dat breekt net de irreële sfeer waarin we wilden meegaan. Het is een realistisch gegeven in het stuk dat er niet in thuis hoort. In het derde bedrijf wordt het vernielde huis van Dorinda terug opgebouwd, een scène die met goedkope bouwpakketten niet echt bekoort….Angelica kan haar leven voortzetten met Medoro. Orlando blijft de “onaangepaste”. In zijn gestoorde innerlijk blijft het vuur zinderen van de onbevredigde liefde voor Angelica. De grappige barokputti die Audi liet aandraven aan het begin van de opera, keren nog even terug: ze herinneren ons eraan dat we uiteindelijk toch naar een barok stuk theater gekeken hebben. En ze laten ons met een glimlach de zaal verlaten na dit stuk van aangrijpende waanzin van een vereenzaamd man.