Luik betuigt op het einde van dit seizoen eer aan “haar” componist André-Modeste Gretry. De 200ste verjaardag van diens overlijden verzinkt wat tussen de plooien van de twee operareuzen, Verdi en Wagner, van wie de 200ste geboortedag wordt herdacht. Het is dus op zijn minst lovenswaardig dat de Opéra royal de Wallonie “Guillaume Tell”, een van de vele vergeten opera’s van Gretry, op het speelplan zet.

De Opéra Royal de Wallonie in Luik betuigt op het einde van dit seizoen eer aan componist André-Modeste Gretry die in 1741 in Luik geboren is en in 1813 in Parijs overleed. Deze 200ste verjaardag van zijn overlijden verzinkt wat tussen de plooien van de twee reuzen van de operawereld, Verdi en Wagner van wie dit jaar de 200ste verjaardag van hun geboorte wordt herdacht. Het is dus op zijn minst lovenswaardig dat Luik “Guillaume Tell”, een van de zovele vergeten opera’s van Gretry op het speelplan zet. De voorstelling biedt een amusante kennismaking met de opera.

 

Vergeten “Molière van de muziek”

 

Gretry was de zoon van de violist François Pascal Gretry, van wie hij ook zijn eerste muziekonderricht kreeg. Een beurs geeft hem in 1759 de kans in Rome te studeren, maar hij verkiest in de leer te gaan bij de beroemde leraar Padre Martini in Bologna. In 1766 wordt hij muziekleraar in Genève én maakt er kennis met de Franse opera. Hij waagt zich zelfs met succes aan het genre met “Isabelle et Gertrude”. Hij ontmoet Voltaire in Genève, die hem aanmoedigt om zijn carrière als dramatisch componist in Parijs voort te zetten. Met een vijftigtal opera’s wordt hij in zijn tijd beroemder dan Mozart en krijgt hij het epitheton “Molière van de muziek” toegedicht. De meeste van zijn opera’s componeert hij op tekst van Jean-François Marmontel, en samen slagen zij erin het genre van de Italiaanse opera buffa om te zetten in een levendige en sprankelende opéra comique.

 

Gretry wordt alom geprezen. Diderot noemt hem “een godsgeschenk” voor de Franse muziek, Charles Burney beschrijft zijn muziek als “bewonderenswaardig”. Het is dus op zijn minst een vreemde wending van de geschiedenis dat we nog nauwelijks opera’s van hem kennen of opvoeren. Misschien kennen sommigen enkele van de opnamen die “Musique en Wallonie” begin jaren '90 heeft uitgebracht (“La Caravane du Caire” o.l.v. de jonge Marc Minkowski en met Guy de Mey en Jules Bastin of “Le Jugement de Midas” ook met Jules Bastin en met Rachel Yakar o.l.v. Gustav Leonhardt). Ook van Gretry’s versie van het sprookje De Schone en het Beest, “Zémire et Azor” bestaan plaatopnamen (EMI met Mady Mesplé en Roland Bufkens, o.l.v. Edgar Doneux).

 

Niettegenstaande zijn beroemdheid in het woelige Parijs van de achttiende eeuw, bleef Gretry toch verknocht aan zijn geboortestad Luik. In zijn laatste wil had hij dan ook gestipuleerd dat hij wel op Père Lachaise wilde begraven worden, maar zijn hart moest terugkeren naar Luik. Dat is in 1829 dan ook gebeurd, en de relikwie heeft een plaats gekregen in de sokkel van het mooie bronzen beeld dat op het plein voor het operagebouw in Luik staat.

 

Guillaume Tell: onschuldig?!

 

Gretry’s Guillaume Tell ging in première in 1791. Het is op zijn minst raar dat dit bloedernstige en spannende verhaal van de Zwitserse nationalist en rebel Guillaume Tell het onderwerp kan vormen van een komische voorstelling – zeker als we Rossini’s grand opéra op het thema kennen. Misschien was het in het woelige Parijs van de achttiende eeuw de veiligste manier om een opera rond verzet tegen een bezetter uit te brengen? Of is deze komische uitwerking enkel toe te schrijven aan de aanpak van de regie? Het is hoe dan ook een verademing in een opera over verzet en onderdrukking eens geen hedendaagse terroristische elementen voorgeschoteld te krijgen. En toch: helt deze voorstelling niet te veel over naar de onschuldige kant?

 

Het verhaal van Gretry is eenvoudiger en rechtlijniger dan Rossini’s drama. Het draait vooral rond het huwelijk van de dochter van Tell, Marie met de zoon van Melktal en de weigering van Tell om de hoed van de Habsburgse landvoogd en tiran Gessler te groeten. Dat leidt tot de veroordeling die de handige Tell kan omzetten in de uitdaging een appel van het hoofd van zijn eigen zoon te schieten. Maar als Gessler ontdekt dat Tell een tweede pijl klaar had om Gessler te doden indien het schot met de appel mislukt was, wordt hij opnieuw gevangen genomen. In de strijd tussen de mannen van de Zwitserse kantons en de soldaten van Gessler doodt Tell Gessler. De Zwitserse kantons vieren de vrijheid, en eindelijk kan het huwelijk tussen Marie en de zoon van Melktal feestelijk gesloten worden.

 

Ernst én luim: theatrale sfeer van een voorbije tijd…

 

De voorstelling in de Opéra de Wallonie kiest voor een reconstructie van een historisch theater. Het geeft een pastoraal en wat naïef aspect aan de opera. Geschilderde bergen als achtergrond, met miniatuurkoetjes en schaapjes op de weiden, en chalets die vanuit de coulissen op het toneel geschoven worden. De ietwat eenvoudig-kinderlijke stijl tovert een glimlach op het gezicht van de toeschouwer, die meteen gewonnen is voor de charme van het volkse leven in het bergkanton. Stuur dan nog een lieve prachtig witte herdershond op de scène en laat Gessler op een echt paard de scène opkomen en het publiek is helemaal gewonnen voor de theatrale sfeer van een voorbije tijd…Voor de kostuums heeft men gekozen voor de periode van het Ancien Régime van Gretry’s tijd. Het zorgt voor een bloemrijk en charmant beeld en maakt een contrast met de gehate blauwe hoed en soldatenkostuums van de bezetters.

 

Het schieten van de appel is op een grappige manier opgelost en wordt even “on hold” gezet om de pauze tussen de twee delen in te lassen zodat de toeschouwer de zaal verlaat met de vraag: hoe gaat men dat oplossen? De oplossing is inventief: een lichtpijl komt in de appel terecht. Het meest tragische moment in de uitvoering is de mededeling dat Melktal de ogen uitgestoken is omdat hij Gessler niet wilde groeten. Op het trouwfeest op het einde van de opera komt hij dan ook als een blinde geleid door zijn zoon. Voor het overige heeft de regisseur, Stefano Mazzonis di Pralafera, resoluut voor een “clin d’oeil” gekozen (cf. zijn tekst in het programmaboekje) om het verhaal aanvaardbaar te maken voor een huidig publiek. Ik stel me toch de vraag in hoever deze aanpak het werk van Gretry niet komischer maakt dan de componist heeft bedoeld? De strijd tussen de rebellen en de soldaten van Gessler is pure poppenkast – weliswaar zeer knap gebracht – maar de opera wankelt dubbelzinnig tussen ernst en luim en het laatste overheerst. Zou dat “l’esprit et le parfum d’une époque oubliée” zijn (cf. tekst in het programmaboekje) die past bij deze Guillaume Tell van Gretry?

 

Muzikaal meesterwerk?

 

De uitvoering met Claudio Scimone als dirigent van het Orchestre Opéra royal de Wallonie had wel wat meer leven en schwung mogen hebben. Al zijn er in de muziek best passages die kleurrijk en weelderig zijn, het orkest bleef meestal gezapig spelen. Zelfs het volkse thema van de Zwitserse “Ranz des vaches” had best wat meer geaccentueerd mogen worden.

 

De muziek krijgt vaak via de zangers en hun spontane danspasjes een levendig effect, eerder dan vanuit de orkestbak. De zangers vereenzelvigen zich helemaal met de plezierige toon van de enscenering en ze zingen en spelen dat het een lieve lust is. De bezetting was grotendeels Belgisch en zeer genietbaar. Lionel Lhote spant de kroon als een vocaal schitterende Gessler die ook autoritair zijn rol neerzette. Tell werd vertolkt door de Luikse zanger Marc Laho, die zijn componist-stadsgenoot een mooi eerbetoon bood. Anne-Catherine Gillet zong geregeld met te veel vibrato en overacteerde soms wat als de vrouw van Tell – maar dat kan op rekening van de regie te schrijven zijn. Liesbeth Devos zong met frisse en heldere sopraan. Ze was een en al charme als Marie.

 

Concluderend zou ik stellen dat de voorstelling muzikaal aanvaardbaar was en in zijn geheel een amusante avond bood, maar de opera toch niet als een onterecht vergeten meesterwerk verdedigt.