Alex Ollé en La Fura dels Baus treffen haarscherp de beklemmende en sombere sfeer van de noodlotsopera Oedipe van George Enescu.

Alex Ollé en La Fura dels Baus treffen haarscherp de beklemmende en sombere sfeer van de noodlotsopera Oedipe van George Enescu. Het decorbeeld waarmee de toeschouwer van bij het binnenkomen van de zaal geconfronteerd wordt, herinnert aan een statische fries van een antieke Griekse tempel, of eerder nog aan de beelden op de gevel van een Romaanse kerk. Een idee die ik nadien bevestigd vind in het programmaboekje, waar een foto van een detail van het portaal van de Dom van Milaan is afgebeeld. Figuur naast figuur, zoals de heiligen of apostelen, rij boven rij. Het is een overweldigend beeld, dat nog meer impact krijgt als de wazige voile eraf schuift en de rijen zich ontpoppen tot de levende personages en koorleden van het eerste bedrijf van de opera. Tegelijk geeft het aan dat we ons in de starre antieke wereld bevinden van de Griekse mythologie, en we beseffen dat er van (klein)menselijke emoties in dit stuk geen sprake kan zijn: alles behoort tot een hogere onaanraakbare dimensie, eigen aan het “lot” (noodlot) van de personages in de Griekse mythologie.

Dit korte bedrijf met de geboorte van Oedipe zet ons op weg voor bijna drie uur duistere onderdompeling in de zoektocht van Oedipe naar zijn wezen en waarschijnlijk is er nauwelijks een personage denkbaar dat zo intens het jaarthema van dit seizoen van de Munt verpersoonlijkt als Oedipe. Het noodlot bepaalt dat hij zijn identiteit ontloopt en de opera geeft de toeschouwer het schrijnend relaas dat elke stap die hij zet om die identiteit te ontdekken, hem tegelijk dichter bij de noodlottige ver-blind-ing brengt. Het doden van Laios, vervult wat volgens de Ziener Tiresias behoort tot zijn bestemming. De regisseur kiest hier voor een actueel gegeven dat we allemaal kennen van ons dagelijks bestaan: wegenwerken die voor verwarring zorgen op de driesprong. Oedipe doodt Laios en wordt door straffe koplampen verblind – het publiek op dat moment ook trouwens: een fase in het ondergaan van zijn noodlot dat hem naargelang zijn inzicht in zijn identiteit groter wordt naar letterlijke blindheid leidt. De straf die hij zichzelf oplegt voor de misdaden die hij “nooit heeft gewild”(citaat libretto). Ook met de pest van Thebe maakt Ollé een parallel naar een actueel gegeven van natuurvervuiling.

Al verwijst Ollé naar verschillende tijdslagen die in zijn regie, toch blijft de sfeer van de strenge antieke mythologie allesoverheersend. Ook bij die andere voltrekking van het noodlot van Oedipe, het huwelijk met zijn moeder Iocaste, blijft de beklemming van een duister lot, waaraan niet te ontkomen valt, de angst staat trouwens in de blik van Henschel te lezen, terwijl Iocaste als een hiëratische vrouw haar dood lijkt aan te kondigen. Dit tafereel volgt op de overwinning van de sfinks, wat misschien de enige breuk in de regie oplevert. De sfinks uitbeelden door een klein gevechtsvliegtuig uit de oorlog en dan uiteraard op het hoogtepunt van de scène (als Oedipe het raadsel inderdaad oplost) de schroef laten draaien, is een misplaatste keuze die een jammerlijk belachelijk effect geeft te midden van volgehouden tragiek. Ik vermoed dat La Fura dels Baus een middel zocht om in de strakke voorstelling toch ergens iets van een bizar handelsmerk te steken. Voor mij overbodig. Gelukkig blijven derde en vierde bedrijf trouw aan de ontredderde sfeer dat Oedipe’s levensverhaal doorheen alle tijden aangrijpend maakt.

Dat het lange stuk ijzingwekkend blijft boeien heeft veel te maken met de intense vertolking van Oedipe door Dietrich Henschel. Het is hoe dan ook vocaal al een krachttoer om deze 20ste eeuwse partij zo perfect te beheersen. Henschel heeft niet de warme lamento-achtige stem van een José van Dam op de schitterende opname van het werk onder leiding van Lawrence Foster (EMI CDS  7540112) maar een koel en droog timbre en zijn ietwat neutrale acteerstijl is juist heel gepast om zijn moed en besluitvaardigheid tegenover zijn eigen lot bijtend hard te doen overkomen. Schitterend. Ook de andere zangers verdienen alle lof. Natascha Petrinsky was een feministe avant la lettre als Iocaste (en de sfinks in deze voorstelling), Yves Saelens vertolkte met warme stem een aangrijpende Laios, Jan-Henrik Rootering was een autoritaire Tirésias en Ilse Eerens zong een zeer mooie en liefdevolle Antigone.

Als ik in het programmaboek de overtuiging en liefde van Leo Hussain lees voor deze partituur dan begrijp ik wat ik gehoord heb: een niet te stuiten engagement bij het uitvoeren van deze muziek van Enescu. Het orkest is hem daarin uitstekend gevolgd – tot in elk instrumentaal detail en er zijn er vele in deze complexe en rijke operascore. De muzikanten die ik na afloop ontmoette waren allemaal uitgeput van de concentratie, maar ze straalden van tevredenheid. Het zal u niet verwonderen dat ik voor het koor enkel in gelijkaardige superlatieven kan spreken.

Een prachtige rehabilitatie van een opera die verdient vaker uitgevoerd te worden. Er was voor mij slechts één minpunt op het einde van de avond: het applaus was vèr beneden wat de uitvoerders verdienden!