De Poolse regisseur Mariusz Treliński plaatst het verhaal van Manon Lescaut in een koele sombere wachtzaal van een (metro)station. Alle wanden zijn zwart, er staan een paar rijen zwarte designstoelen, er is een zwarte schuifwand die sluit als er een – met het koor- volgepropt metrostel passeert en tegen de achterwand wordt een paar keer een voorbijrazende trein geprojecteerd gepaard met het erbij horende gedruis.

De Poolse regisseur Mariusz Treliński plaatst het verhaal van Manon Lescaut in een koele sombere wachtzaal van een (metro)station. Alle wanden zijn zwart, er staan een paar rijen zwarte designstoelen, er is een zwarte schuifwand die sluit als er een – met het koor- volgepropt metrostel passeert en tegen de achterwand wordt een paar keer een voorbijrazende trein geprojecteerd gepaard met het erbij horende gedruis.

Als ik de korte inhoud lees in het programmaboekje hoort dit decor bij een hedendaagse werkstad, waar de mensen ‘s avonds hun kantoor verlaten om snel (met openbaar vervoer?) het plezier van het einde van de dag op te zoeken. “Het belooft een ‘wilde nacht’ te worden”, staat er letterlijk. Het is een mooi uitgangspunt, maar valt wel moeilijk te rijmen met het tragische verhaal over de demi-mondaine dat zich afspeelt in de achttiende eeuw. Dit eenheidsdecor vormt met enkele kleine aanpassingen de plaats waar het hele verhaal over Manon en haar geliefde Des Grieux zich afspeelt. Het is het plein in Amiens, waar Manon aankomt met haar broer en waar Des Grieux in de ban komt van haar schoonheid en haar meeneemt naar Parijs. Het is de woning in Parijs, waar Manon ondertussen de liefde van Des Grieux verruild heeft voor het luxe-leventje met de oude en rijke Géronte, de haven van Le Havre waar Manon samen met andere veroordeelde vrouwen van lichte zeden wacht op de inscheping naar Louisiana en tenslotte de woestijnvlakte in de buurt van New Orleans waar Manon van ontbering sterft in de armen van Des Grieux. Het bestuderen van het metroplan, waar ze in het begin van het stuk heeft staan op turen, helpt haar hier in deze verlaten vlakte niet verder. Bovendien is Des Grieux als ze hem vraagt water te gaan zoeken voor haar, gewoon op de bank vooraan blijven liggen als een al even vermoeide landloper. Een dubbelgangster kijkt afstandelijk toe.

Er zitten in deze voorstelling dus een aantal ongerijmdheden, die het episodische verhaal niet dienen en niet kunnen doorgaan als argument voor welke aanpak dan ook, niet om te psychologiseren, niet om een droom te evoceren, niet om (verantwoord) te actualiseren. Puccini schiep met Manon een van die vrijgevochten vrouwen met seksuele kracht die anderzijds de liefelijkste verleidsters zijn die er bestaan. Hij schreef de opera op het einde van de 19de eeuw, bijna op de drempel van de twintigste en de fin de siècle- sfeer van symbolisme en decadentie doordrong zijn esthetiek. Manon Lescaut wordt bij Puccini het archetype van de vrouw die verleidt en koket is, hebzuchtig en avontuurlijk pervers. Eva-Maria Westbroek zou best aan deze typering kunnen tegemoet komen, ware het niet dat ze verstrikt raakt in de clichés die haar door de regie opgelegd worden. Stoer met zwarte zonnebril, korte zwarte of rode trenchcoat op zwarte kousen en hoge hakken. Als ze opgepakt wordt door de politie in de woning van Géronte op het einde van het tweede bedrijf, grabbelt ze niet snel haar juwelen bij mekaar, maar snuift ze gauw nog een lijntje coke. Actualisering dus. Soms dacht ik dat Trelinski beter Les Contes d’Hoffmann zou regisseren dan Manon Lescaut, met de mechanische pop bij het dansen van de menuetten, of de Coppélius-achtige Géronte. En weer zijn de hoeren van die afzichtelijk gekostumeerde vrouwen zoals we er ook al zo’n aantal exemplaren te zien kregen in La Traviata. Het draagt er allemaal niet toe bij een sfeer van tragiek te evoceren. Op het einde van de voorstelling vraag je je dan ook af hoe het mogelijk is dat een voorstelling van Puccini’s Manon je nergens aangegrepen of ontroerd heeft. Deze sombere, monochrome – en op de duur vervelende – voorstelling raakt je niet en laat je afstandelijk toekijken naar Eva Maria Westbroek en haar partner. Die partner was in de voorstelling die ik zag Brandon Jovanovich in het eerste en tweede bedrijf, in het derde en vierde de alternatieve bezetting, Hector Sandoval. Van Jovanovich werd bij het begin van de voorstelling aangekondigd dat hij leed aan een keelinfectie en toch zou proberen de voorstelling te zingen. In het eerste bedrijf ging dat trouwens behoorlijk goed en zong de man met zacht-lyrische stem. Na de pauze zong zijn collega, eerder een Puccini-kracht-tenor en hij bracht met engagement de voorstelling tot een goed eind. Eva-Maria Westbroek zong met stevige maar vrij ongenuanceerde stem (heeft ze in deze regie moeite om emotie in haar rol te leggen?) soms ook wat tegen het krijsen aan. Giovanni Furlanetto acteerde heel overtuigend als Géronte en zong de partij met soepele en sluwe bas.

Dirigent Carlo Rizzi had een titanenwerk om met het orkest van de Munt de muziek van Puccini toch de drive te geven die ze nodig heeft. Maar als je tegen zo’n zwart gat op de scène zit te kijken, kan zelfs de hartstocht noch de nuance die uit de orkestbak komt, je niet meer helemaal meenemen in het stuk. Een voorstelling die je snel wil vergeten en die je met weemoed doet terugdenken aan de Puccini-cyclus van de Vlaamse Opera met Robert Carsen en Silvio Varviso-zaliger.