Als bijdrage tot het Verdi-jaar programmeert het Royal Opera House (ROH) een van de minder vaak gespeelde opera’s van Verdi in de oorspronkelijke Franse versie. Drijvende krachten achter het project zijn chef-dirigent Antonio Pappano en de internationaal vermaarde regisseur Stefan Herheim, die we in eigen land kennen van de Russalka-enscenering in de Munt.

Als bijdrage tot het Verdi-jaar programmeert het Royal Opera House (ROH) een van de minder vaak gespeelde opera’s van Verdi in de oorspronkelijke Franse versie. Drijvende krachten achter het project zijn chef-dirigent Antonio Pappano en de internationaal vermaarde regisseur Stefan Herheim, die we in eigen land kennen van de Russalka-enscenering in de Munt.

Meteen werd duidelijk dat we geen traditioneel historische uitvoering zouden krijgen, maar een interpretatie die de diepere psychologische lagen van het verhaal zou aanboren. De voorstelling bevestigde ons vermoeden op positieve wijze. De bezetting vereist vier uitstekende vertolkers voor de belangrijkste partijen, wat meteen een van de redenen is dat de opera niet zo vaak wordt gespeeld. ROH kan zich wat prestige op de planken permitteren en we kregen een luxueuze vocale vertolking die zich bovendien perfect entte op de acteer-vereisten van de regie.

Succesvol bloedbad

Les Vêpres Siciliennes is de eerste opera die Verdi componeert op een voor hem vreemde taal. Verdi tekende er in 1851 een contract voor met de directeur van de Parijse Opéra, maar de compositie sleepte lang aan vooral omdat Eugène Scribe zijn libretto niet tijdig afleverde.  Uiteindelijk zou een tweede librettist, Charles Duveyrier, meewerken aan de tekst. Na moeilijkheden tijdens de repetities ging de opera uiteindelijk op 13 juni 1855 in première. Het werd een groot succes. De opera werd dan ook onmiddellijk in het Italiaans vertaald: de algemeen gangbare versie van deze opera.

Het verhaal speelt zich af in 1282 ten tijde van het Siciliaanse verzet tegen de Franse bezetters dat eindigt met de massamoord van de Sicilianen op de Fransen. De Siciliaanse hertogin Hélène rouwt om de dood van haar broer die door de Fransen terechtgesteld is en ze verwijt de Sicilianen lafheid om die dood te wreken. De Sicilianen vrezen de wrede Franse gouverneur Monfort, maar de meest militante patriot Procida kan hen met felheid tot verzet en uiteindelijk tot de bloedige moord op de Fransen aansporen.

Het historische gegeven is door Verdi zoals meestal handig verstrengeld met een persoonlijke plot. Daarin speelt de jonge Siciliaan Henri een rol. Hij is niet alleen de geliefde van Hélène maar ook zoon van Montfort. De moeder van Henri is door Montfort verkracht en ze heeft haar zoon in haat tegen zijn vader opgevoed. Als Montfort zich als vader aan Henri bekend maakt, begrijpt Henri dat hij de liefde voor zijn vaderland niet kan verenigen met liefde voor zijn vader en dat hij Hélène moet vergeten. Bovendien redt hij zijn vader van de dood op een gemaskerd bal in zijn paleis, waar samenzweerders zich onder de gasten gemengd hebben.  Procida en Hélène worden gevangen genomen. Henri, die door de Sicilianen nu als regelrechte verrader wordt veracht, vraagt Montfort om genade voor de twee. Montfort staat Henri als teken van verzoening toe met Hélène te trouwen. De bruidsklokken voor het huwelijk zijn tegelijk het signaal voor de Sicilianen om op de Fransen af te stormen, en de opera eindigt in een bloedbad.

Gecoupeerd ballet

Aangezien Verdi voor de Franse Opéra componeerde was een ballet in het derde bedrijf een must. Toch is het ballet hier gecoupeerd, wat jammer is, aangezien de voorstelling toch als een eerherstel van de originele Franse versie is bedoeld. Waarschijnlijk heeft het te maken met de lengte van het werk in vijf bedrijven en misschien wilde de regisseur de handeling niet onderbreken. Toch is het corps de ballet van de ROH op vele momenten van het stuk prominent aanwezig: ze maken deel uit van het Siciliaanse volk en geven vaak op niet mis te verstane manier de inhoud van een scène weer, zoals de dronken uitbundigheid van de soldaten in het eerste toneel, de verkrachtingen van de jonge meisjes of de geheime geboorte van Henri. Het lijkt wel alsof de regisseur bij de beslissing het ballet te couperen, de reeds geëngageerde dansers toch een functie wilde geven en hij is er dan nog goed in geslaagd ook.

Toch duurt het even voor dit doordringt want in de eerste scènes vraag je je af wat een aantal van zijn theatrale elementen in het verhaal komen doen. Ze lijken vergezocht en puur op effect gekozen. Geleidelijk aan krijgen ze betekenis, vallen de puzzelstukken in elkaar en gaan ze in het grotere geheel ongelooflijk pakkend werken. Dat is zo voor de danseres met zwangere buik en wikkelkind en zeker voor het kind dat doorheen de hele voorstelling af en toe opduikt in verschillende gedaanten, maar hoe langer hoe meer een hallucinante betekenis krijgt door zijn half surreëel optreden.

De tirannie van de Fransen op het Siciliaanse volk en in het bijzonder de wreedheden op de vrouwen worden werkelijk beangstigend voorgesteld. Het vader-zoon-thema wordt geplaatst binnen die beeldvorming van verkrachting, waardoor het terugvinden van zijn zoon door Montfort een dimensie meer krijgt dan enkel de verzoening tussen vader en zoon. Herheim plaatst het verhaal – dat hebt u al begrepen – niet in de late middeleeuwen, maar in Verdi’s eigen 19de eeuw. Naar die periode van de Grand Opéra waarin de opera ontstaan is, verwijst ook de theaterzaal voor het gemaskerd bal met een knipoog. Een visueel knappe vondst waarmee Herheim tegelijk wel de link lijkt te leggen met die andere opera die Verdi componeerde met een aanslag op een gemaskerd bal: Un ballo in maschera.

In de slotscène keert het wraakthema van Hélène nog op een onverwachte manier terug door Procida te laten optreden in de zwarte weduwenkleren van de rouwende Hélène uit het begin. Het is een indringende herinnering aan haar verbondenheid met het Siciliaanse volk op het moment dat ze wit gekleed als bruid van de zoon van Montfort op het toneel staat. Het lijkt wel alsof Procida in één moment de hele opera terug laat aflopen. Het moment grijpt bij de keel en het is een van die elementen waarmee Herheim de thematiek van het verzet van Sicilië tegen terreur des te scherper weergeeft.

Muzikaal feest

Voorwaarde hierbij is uiteraard wel dat hij over een zanger beschikt als Erwin Schrott, die zo’n scène draagt als schitterend acteur. Indien dat niet het geval is, zou zo’n travestie-optreden de scène als een pudding in elkaar doen zakken en belachelijk overkomen. De aria “Palerme, ô mon pays” waarmee hij het tweede bedrijf opent, klinkt eerst wat vreemd in het Frans omdat we deze – als een van de weinige bekende aria’s uit de opera – kennen als “O tu Palermo”. Dan al is duidelijk dat Schrott met zijn diepe bas de voorstelling mee draagt als een “edeler” personage dan een smerige samenzweerder.

De Armeense Lianna Haroutounian zingt met heldere sopraan deze dramatische partij. Van bij haar openingsaria verenigt ze in haar stem de overtuiging van de wraak met de lyrische klank van de hoop op liefde. Michael Volle is een van die mooie warme stemmen waarvoor Verdi zijn baritonpartijen componeerde. Brutaal in de krijgshaftige fragmenten, maar o zo aandoenlijk in de persoonlijke scènes. Hij is niet alleen de wrede tiran als gouverneur, maar ook de vereenzaamde man. Bryan Hymel zong soepel en gaf overtuigend gestalte aan zijn rol als kwetsbare Henri die steeds heen en weer gesleurd wordt tussen zijn emoties.

Aangezien de opera in Parijs moest passen in het genre van de Grand Opéra heeft het koor een groot aandeel. De scènes met het Siciliaanse volk, de Franse soldaten of de monniken in het vierde bedrijf zijn levendig en missen hun effect niet. Het koor zingt schitterend voorbereid door Renato Balsadonna, de Italiaanse koordirigent die Pappano meenam naar Londen. De muzikale aanpak van Antonio Pappano is perfect afgestemd op de regie van Herheim: meeslepend en intelligent. Met vurigheid laat Pappano de dansritmes in de partituur bruisen, zonder precisie uit het oog te verliezen in bijvoorbeeld de siciliana-aria van Hélène in het laatste bedrijf (“Merci, jeunes amies”). Pappano bevestigt dat hij houdt van het muzikale elan van de Franse versie en het is duidelijk dat hij erin slaagt de complexe partituur – die bewogen taferelen met weinig rustpunten aan elkaar rijgt – gedreven en zinderend door te sluizen naar zijn orkest en zangers, wat de voorstelling tot een muzikaal feest maakt.