Gouden Label  Gaetano Donizetti is bij het operapubliek vooral bekend van zijn vrolijke, sentimentele opera’s L’Elisir d’amore, Don Pasquale en La fille du Régiment. Anna Bolena, Lucia di Lammermoor en Maria Stuarda zijn de best gekende ernstige werken van de zowat zeventig opera’s die hij in zijn korte leven schreef. Hij overleed in 1848 op 51-jarige leeftijd aan syfilis.

Gouden Label Gaetano Donizetti is bij het operapubliek vooral bekend van zijn vrolijke, sentimentele opera’s L’Elisir d’amore, Don Pasquale en La fille du Régiment. Anna Bolena, Lucia di Lammermoor en Maria Stuarda zijn de best gekende ernstige werken van de zowat zeventig opera’s die hij in zijn korte leven schreef. Hij overleed in 1848 op 51-jarige leeftijd aan syfilis.

De Vlaamse Opera geeft ons de kans een van zijn laatste werken te leren kennen, een opera die Donizetti niet heeft voltooid, Le Duc d’Albe. Donizetti componeerde de opera op een libretto van Eugène Scribe in het Frans voor Parijs. De directeur van de opera stelde de creatie steeds maar uit en Donizetti werd ondertussen te ziek om het werk te voltooien. Zijn leerling Matteo Salvi was de eerste die een poging tot voltooiing deed. In 1959 programmeerde Gian Carlo Menotti de opera voor het Festival dei due Mondi in Spoleto. Thomas Schippers maakte als dirigent zijn versie van het stuk. Voor dit seizoen gaf de Vlaamse Opera de opdracht aan de Italiaanse componist Girogio Battistelli (1953) om de opera te voltooien.

Geschiedenis doorkruist privéconflict (of is het omgekeerd?)

In de 19de eeuw wordt Europa beheerst door een beweging van ontvoogding van nationaliteiten. De 19de-eeuwse opera haakt daarop in met onderwerpen die ontleend zijn aan de geschiedenis. Ze gaan over de strijd van een onderdrukt volk tegen de bezetter. Om het verhaal voor de operabezoeker verteerbaar te maken, wordt dat thema verstrengeld met een of ander persoonlijk conflict, meestal een liefdesverhaal. Vele opera’s van Verdi zijn daar bekende voorbeelden van, gaande van Nabucco tot Don Carlos. De Vlaamse Opera knoopt met deze Le Duc d’Albe mooi aan met het verhaal van de Spaanse inquisitie dat we kregen in de voorstelling van Verdi’s Don Carlos (Peter Konwitschny – februari 2010). Hertog Alva is in opdracht van de Spaanse koning Philips II de wrede onderdrukker van het Vlaamse Volk.

Hélène, de dochter van de vermoorde Graaf van Egmont is de aanvoerster van de vrijheidsstrijd van de Vlamingen. Zij is verliefd op Henri, die niet weet dat hij de onwettige zoon is van Alva. Henri redt de ter dood veroordeelde opstandelingen, onder hen ook Hélène, door Alva als vader te erkennen. Daardoor verwijdert hij zich van zijn geliefde en zijn vrienden. Hélène poogt Alva neer te steken, maar Henri stelt zich tussen hen. Hélène heeft haar vader gewroken, maar ook haar geliefde gedood. Als een gebroken man verlaat Alva Vlaanderen: “terre que je maudis”.

In Le Duc d’Albe hebben we een tweevoudig persoonlijk conflict, dat het doorkruisen van de politieke onderdrukking met het persoonlijke uiterst scherpe kanten geeft. Er is enerzijds de liefde van Hélène voor Henri, geliefden die tot het tegengestelde kamp behoren en er is de band vader-zoon tussen Henri en de hertog van Alva.

Terreur en vaderliefde

Terreur bevangt de toeschouwer van bij de eerste beelden van de voorstelling in de Vlaamse Opera. Onder een beeld van een (Italiaanse) madonna is het toneel bezaaid met naakte lijken van verzetsstrijders. Het beeld spat uiteen als een negatie van de religieuze bescherming tijdens de Inquisitie. De gesneuvelden worden door hun vrienden zorgzaam in lijkwaden gewikkeld en weggebracht. Een scène vol treurnis. In het zwarte decor vallen de metalen trap en passerelle op tegen reuzengrote holle figuren van soldaten. Regisseur Carlos Wagner pakt ons van bij aanvang bij het nekvel. Het ruimtelijke decor zou wellicht nog beter tot zijn recht komen op een grotere scène dan die van de Vlaamse Opera. In elk geval is de sfeer van oorlog en angst gezet en die blijft het hele stuk aanwezig. De brouwerij van de samenzweerders is in warm-bruine tinten met knappe belichting, vooral als de geuzen-brouwers met kringelend gebaar het graan opgooien. De Geuze en Kriek op het kaft van het programmaboekje zijn meteen verklaard. In het derde en vierde bedrijf stappen de soldaten nog vertrappelender over de scène, al raken de holle voeten nooit de grond. Een suggestieve achtergrond voor de emotionele oorlog tussen Alva en Henri, Henri en Hélène die Carlos Wagner met scherpe personenregie ten tonele voert. Een regie die het fenomeen van onderdrukking van een volk universeel voorstelt, waardoor de thematiek terecht als hedendaags kan geïnterpreteerd worden. Dit verantwoordt evenwel niet dat er in de versie van de Vlaamse Opera  “Belgen” staat waar in het libretto sprake is van “Vlamingen”. De geschiedenis speelt zich wel degelijk af in de Zuidelijke Nederlanden (Brussel) in 1573, ten tijde van de Spaanse onderdrukking van Vlaanderen. In die periode was van België nog lang geen sprake.

De hertog van Alva is een vreselijke onderdrukker, die in het eerste deel in plechtig wit kostuum verschijnt en met fascistisch genoegen zijn volgelingen beveelt. In het tweede deel – in sober zwart gekleed – wordt hij geleidelijk meer de vader, die zijn zoon smeekt om erkenning en liefde. De tatoeages die hem aanvankelijk tekenen als schrikwekkend marginale dwingeland, krijgen hier een ontroerend aspect als blijkt dat vader en zoon een gelijk getekend torso hebben. Zijn tatoos zijn niet langer een symbool van excentrieke machtswellust, maar eerder van de zwakte van een outcast en de enige band met zijn kind. De harde baritonlijnen van de hertog maken plaats voor smachtende cantilenen van de vader en George Petean geeft beide aspecten van het personage vocaal en als acteur treffend gestalte.

De twee geliefden worden raak gestalte gegeven door Rachel Harnisch als Hélène en Ismael Jordi als Henri. Jordi Ismael is een gedroomd zanger voor Henri. Hij heeft het heldere timbre met falsetklank dat ideaal is voor dit soort veeleisende belcantopartijen. Hij zingt moeiteloos en belichaamt perfect de jeugdige en flamboyante figuur van geliefde en rebel. Rachel Harnisch speelt een zelfbewuste en verliefde Hélène die haar hoofddoel, wraak op haar vader steeds voor ogen houdt. Ze zet haar stem in met de kracht van de wanhoop. Ze heeft iets van de strijdlustige Jeanne d’Arc (een onderwerp dat librettist Scribe in de besprekingen rond het ontstaan van deze opera trouwens ook had laten vallen) maar tegelijk van de romantische fragiele vrouwenfiguren, die vaak in waanzin eindigen. Haar kostuum met lange laarzen en harnasachtig bovenlijf gecombineerd met zacht-vloeiend wit en de witte jurk in het tweede bedrijf, beklemtonen deze karaktertrekken. (kostuums A.F. Vandevorst)

De partij van de brouwer en leider van de opstandelingen, Daniel, wordt gezongen door de basbariton Igor Bakan, een lid van het jonge ensemble van de Vlaamse Opera. Hij had met iets meer vuur mogen spelen en zingen, maar aangezien zijn rol heel vaak in scènes met koor voorkomt, wordt hij goed daarin opgevangen. Het koor komt immers weer uitstekend uit de verf, of ze nu volgelingen van Alva vertolken of revolutionairen. De scène van de samenzweerders (die herinnert aan Amour sacré de la patrie uit La muette de Portici van Auber) en de Chant funèbre bij de executiescène zijn dan ook ijzingwekkende momenten in de voorstelling.

Donizetti voltooid met dank aan Battistelli

Paolo Carignani heeft deze muziek die Donizetti schreef voor Parijs in het hart en in de vingers. Dat hoor je in het orkest, dat bij momenten een drive krijgt die naar Verdi vooruitwijst. Tegelijk laat hij de zangers de ruimte om hun lijnen te zingen, zonder er een “nummeropera” van te maken. Een ideale dosering om het visuele toneelbeeld te paren met spannende muziek. Na de pauze spits je de oren: er komt een andere klank uit de orkestbak. De nieuw gecomponeerde muziek van Giorgio Battistelli past schitterend in het plaatje. Nergens breekt zijn muziek bruusk met die van Donizetti en toch hoor je duidelijk de hedendaagse orkestklank en de hedendaagse melismen in de aria voor de hertog. “Battistelli schreef een tijdloze muziek”, zegt Carignani in het programmaboek, zijn muziek “ademt de geest van Donizetti”.

We kunnen de Vlaamse Opera feliciteren dat ze met dit werk de geest van Donizetti alle eer heeft aangedaan. Le Duc d’Albe verdient een Gouden Label voor de moed om dit werk te programmeren, voor de efficiënte regie (Carlos Wagner) die samen met een uitstekende muzikale vertolking de voorstelling tot een geslaagd totaalspektakel maakt.