De Vlaamse Opera viert de tweehonderdste verjaardag van Verdi met de opera waaraan we eigenlijk de hele operacarrière van deze grote negentiende-eeuwse componist te danken hebben. Maar is het publiek van nu er dan niet meer toe in staat de inhoud van een verhaal uit de Bijbel als allegorie te interpreteren, terwijl het publiek uit Verdi’s tijd dat wel kon?

Het is een goed idee de tweehonderdste verjaardag van Verdi te vieren met de opera waaraan we eigenlijk de hele operacarrière van deze grote negentiende-eeuwse componist te danken hebben. Was Verdi niet zo geïnspireerd geweest door de bladzijde waarop hij per toeval het libretto opensloeg: “Va pensiero sull’ali dorate”, was hij misschien nooit de operacomponist geworden die we nu kennen. Zijn tweede opera, Un giorno di regno was als komische opera een regelrechte mislukking en de privé-omstandigheden van Verdi waren in die periode zo droevig dat hij van plan was het componeren van opera voor goed vaarwel te zeggen.

 

Jammer genoeg is de inspiratie van regisseur Daniel Slater niet zo gevleugeld geweest. In het verhaal van Nabucco staat de onderdrukking van de Joden door de Babylonische overheerser centraal. Het thema wordt gecombineerd met een liefdesverhaal waarin de politieke tegenstelling nog scherper wordt gesteld: de geliefden Ismaele – Hebreeër – en Fenena – Babylonische en zelfs dochter van de vorst Nabucco – behoren tot de vijandige kampen. Hun liefde wordt dan nog eens gedwarsboomd door de jaloezie van Abigaille, een slavin die zich uitgeeft voor een andere dochter van Nabucco en aanspraak maakt op de macht. Stof genoeg dus voor een stuk waarin de politieke en persoonlijke aspecten tot een spannend verhaal verweven kunnen worden en waarbij Verdi’s psychologische aanpak van volk en individu tot een eerste muzikaal hoogtepunt komt.

 

Het was te vrezen en te verwachten dat de opvoering van de Vlaamse Opera de kaart van de actualisering zou trekken. Is het publiek van nu er dan niet meer toe in staat de inhoud van een verhaal uit de Bijbel als allegorie te interpreteren, terwijl het publiek uit Verdi’s tijd dat wel kon? Slater verklaart onomwonden dat het in onze tijd onzin is een Bijbels verhaal als Bijbels verhaal op scène te zetten. Een mogelijke actualisering in de zin van de onderdrukking van de Joden door het nazi-regime vond hij afgezaagd. Het vermijden van het cliché van de nazi-onderdrukking, doet hem verzeilen in de valkuil van de cliché’s van oproerpolitie, militairen en zinloze TV-schermen. Hij koos namelijk voor recentere maatschappelijke conflicten, namelijk dat tussen het kapitaal en de “indignados” en de Arabische lente met de opstanden op het Tahrir-plein in Egypte.

 

Het levert hem het openingsbeeld op met het gemaskerd koor en de tentjes. Het koor bestaat niet enkel uit Joden, maar uit een bonte mengeling waarbij de Midden-Oostenkledij met Arafat-sjaal overheerst. De hogepriester Zaccaria is een soort generaal, zijn zuster Anna een rebel. Nabucco is een glitter-kapitalist die in Wall Street huist en de Charging Bull tot zijn afgod heeft gemaakt. Het door elkaar mengen van de twee types maatschappelijke conflicten maken het verhaal verwarrend. Het helpt zeker niet om aangegrepen te worden door het pijnlijke conflict dat de verliefde Fenena doormaakt ten overstaan van haar vader Nabucco, die ze door haar liefde verraadt, noch om te snappen wat voor perverse intrige Abigaille opzet om de macht te grijpen. In de personenregie is wel duidelijk gemaakt dat Abigaille een hovaardige en niets ontziende vrouw is en Nabucco een door macht verblind heerser, maar Slater slaagt er niet in de confrontaties tussen de personages tot sterke scènes te maken. Het treffendste voorbeeld daarvan vind ik de grote confrontatie tussen Nabucco en Abigaille in het derde deel (net voor het Va pensiero- koor). Het speelt zich af voor het doek waarop televisieschermen beursnoteringen aangeven terwijl de essentie van het conflict helemaal geen impact krijgt op de toeschouwer. Je zit bovendien de hele voorstelling op een achtergrond van rood-geelachtig gekleurde platen te kijken. Het concept van Slater is geforceerd en moet dan met wringen op het verhaal gedrukt worden: dat is het gevoel dat ik bij deze operavoorstelling heb.

 

Kon de muziek nog iets redden? Heel kort gezegd eigenlijk alleen maar omdat Verdi’s muziek niet stuk te krijgen is (maar dat kan ook persoonlijke smaak zijn). De zangers waren niet ondermaats, maar anderzijds niet van het niveau om over de hele lijn te overtuigen. Dalibor Jenis had een krachtige autoritaire baritonklank voor Nabucco, maar zong ongenuanceerd. De lyrische stem van Marija Jokovic maakte van Fenena een ontroerende jonge vrouw. Ze klonk soms nog wat aarzelend, wat na de première misschien wel verbetert. De tenor van Mikhail Agafonov (Ismaele) miste elke glans en helderheid en leek eerder versleten, Iano Tamar forceerde continu als Abigaille en Francesco Ellero d’Artegna begon als een plechtige Hogepriester, maar leek op het einde vermoeid. Bij de kleinere partijen viel het mooie en zuivere sopraantimbre van Mirella Hagen op als Anna.

 

Dmitri Jurowski was er vooral op uit de partituur kracht en stuwing te geven zonder aandacht voor stilte en ingetogenheid. Dit laatste misten we zelfs bij het koor in dat sublieme Va pensiero-koorfragment. Jammer want voor het overige zong het koor zoals steeds zeer goed. Misschien kapotgerepeteerd uit zorg het heel goed te doen?