Een Cendrillon met Laurent Pelly als regisseur: dat kan niet fout gaan. Inderdaad op het podium van de Munt zien we een heerlijke opera die ons charmeert van begin tot einde. 

Een Cendrillon met Laurent Pelly als regisseur: dat kan niet fout gaan. Inderdaad op het podium van de Munt zien we een heerlijke opera die ons charmeert van begin tot einde. Laurent Pelly is een fantastisch regisseur in het bijzonder voor stukken waar humor gepaard gaat met sentiment.

Wie herinnert zich niet zijn onvergetelijke productie van Rameau’s Platée in de Vlaamse Opera (nov 1999)? Of denken we maar aan zijn productie van La fille du Régiment van Donizetti die ondertussen het publiek van operahuizen en filmzalen over de hele wereld heeft bekoord. De sprookjesopera Cendrillon van Jules Massenet is dus een kluifje naar zijn bek. Toen de co-productie met het Royal Opera House daar vorig seizoen in première ging, was het de eerste confrontatie van Pelly met Massenet. In een interview zegde de regisseur toen: “I love it because it has a very naïve quality, with a lot of humour and poetry and reverie. There’s a bit of kitsch in it. It’s very 18th-century with a slightly antique charm. It’s very French.” Pelly neemt ons mee langs kleurrijke taferelen op een tocht vol verrassingen en fantasie. De scène met de privé-“carosse” van Cendrillon met lief-grappige pseudo-paardjes of het deurluikje waar Cendrillon uit te voorschijn komt en later het glazen schoentje verstopt zijn maar enkele voorbeelden.

Pelly verwijst er zichtbaar naar dat Massenet en zijn librettist zich baseerden op het sprookje van Perrault, zoals het gepubliceerd werd in de tijd van Louis XIV. Het decor bestaat uit open geplooide bladzijden van het begin van het Franse sprookje als muren. Ze vormen grote paleisdeuren waaruit allerlei decorstukken geschoven worden om de locatie aan te passen tot koninklijke audiëntiezaal, slaapplekje van Cendrillon, stadsdaken met schoorstenen waar de ontmoeting plaatsheeft van Cendrillon en de Prince Charmant bij de Fée. Dit toneel, dat zich volgens het libretto afspeelt bij de grote eik te midden van een grote bloemenweide, mist wel poëzie en vooral een mysterieuze sfeer waarin de twee geliefden elkaar ontmoeten en elkaar hun liefde verklaren zonder elkaar te herkennen. Het is de enige scène in de hele voorstelling die een tikje lijdt aan banaliteit hoewel ze juist zo apart is, ook muzikaal. De eerste passen die de dienaars – in grappige 17de eeuwse kostuums – op de scène zetten maken duidelijk dat we een levendige karikatuur krijgen van de snobistische aristocratie uit die tijd. Madame de la Haltière en haar dochters zijn natuurlijk geknipte figuren om die sfeer ten top te drijven en dat doet Pelly met veel verve en zonder ooit te vervallen in platheid of flauwe grappen. Ook de hele hofceremonie voor de keuze van de bruid geeft hij – inderdaad met een vleugje kitsch erbij – een ironische spanning mee die een glimlach op je gezicht tovert.

De rol van Cendrillon is Anne-Catherine Gillet op het lijf geschreven. Met haar frêle figuurtje is ze een onzekere, gedienstige en droeve Assepoes. De verwarring in haar droomscène op het einde van het eerste tafereel van het derde bedrijf is aangrijpend. Maar tegelijk ontpopt ze zich tot een elegante en oprecht verleidelijke jonge vrouw, stralend in haar sobere haute couture jurk. Ze bekoort ons met haar zachte heldere sopraan van bij de trieste cantilene waarmee ze zich voorstelt tot haar zelfbewuste bekentenis op het einde: “Vous êtes mon Prince charmant!”. Haar angst-aria aan het begin van het derde bedrijf is een vocaal hoogstandje. Het helder-diepe timbre van de mezzo Sophie Marilley past uitstekend bij haar stem om als Prince Charmant de geliefde te zijn die perfect voor haar gemaakt is. (benieuwd hoe de tenor als droomprins overkomt?)

Lionel Lhote is met zijn zachte en charismatische basstem een sympathieke vader Pandolfe die er nog vrij jong uitziet, ondanks de grijze haren, maar waarom ook niet? We kunnen de lofzang over de zangers gewoon voortzetten, want Nora Gubisch is een pretentieuze feeks Madame de la Haltière, die pronkt met haar dochters Ilse Eerens (Noémie) en Angélique Noldus (Dorothée), twee zangeressen van bij ons die hoorbaar en zichtbaar genieten van hun karikaturale egoïstische zelfingenomenheid. De Fee zingt haar coloraturen als een stralende diva, vocaal overweldigend maar ik mis bij Eglise Gutiérrez  wel de verfijning en zachtheid die met dit etherische personage zou moeten gepaard gaan. Ook de kleinere partijen zijn zonder uitzondering uitstekend bezet, waarbij ik vermelding maak van een luxueuze Yves Saelens als de Doyen en drie heerlijke stemmen die vanuit de loge Trois Jeunes Filles zingen.

Alain Altinoglu gaat de fijne partituur van Massenet met zoveel enthousiasme te lijf dat het geheel wat te luid en krachtig overkomt. Ik geef toe dat het orkest misschien hoe dan ook te luid klinkt op de plaats waar ik zat (derde rij). Fragmenten als de Marche des Princesses of de glansrijke pastiches op barokdansen die Massenet in zijn orkestratie verwerkt, vragen een levendige aanpak maar het globale klankpalet vereist toch meer flexibiliteit. In dat palet zit zoveel nuance, fragiliteit en poëzie. Dat aspect van de romantische en sensuele Massenet wordt hier te kort gedaan en dat is jammer.

Hoe dan ook: we kunnen de artiesten van de voorstelling geruststellen: ze hebben ons met veel panache en een vleugje tederheid meegenomen naar de droomwereld van het sprookje en we zijn tevreden weggegaan met wonderbare muziek in de oren en blij met het happy end.