De sterkste indruk die me na deze voorstelling van Carmen in de Vlaamse Opera bijblijft is, op wat een afzichtelijk rommelig en betekenisloos decor ik de hele tijd heb zitten kijken. Dat kan beslist niet de juiste indruk zijn bij een opera waarin liefde, passie en dood de essentiële ingrediënten zijn.

De sterkste indruk die me na deze voorstelling van Carmen in de Vlaamse Opera bijblijft is, op wat een afzichtelijk rommelig en betekenisloos decor ik de hele tijd heb zitten kijken. Dat kan beslist niet de juiste indruk zijn bij een opera waarin liefde, passie en dood de essentiële ingrediënten zijn. De voorstelling slaagt er absoluut niet in mij aan te grijpen met dit driehoeks-liefdesverhaal met dodelijke afloop. De regisseur verliest zich in bizarre en vaak shockerende beelden die afleiden van het gebrek aan een efficiënte personenregie. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat hij zich totaal verwijderd heeft van elke “couleur locale” die Bizet in zijn opera gelegd heeft. Als Carmen in het tweede bedrijf haar lied aanheft “Les tringles des sistres tintaient” botst de klank van de muziek zodanig met de ridicule scène van het bijeengeraapt soort café, dat een toeschouwer die iet of wat vertrouwd is met Carmen met de ellenbogen voelt dat er iets niet klopt.

De Amerikaanse regisseur heeft in een overijverige globaliseringskramp blijkbaar het Spaanse Sevilla willen verplaatsen naar het Amerikaanse continent en meer bepaald naar zijn eigen streek, “Seville” in Ohio. Ik kan je verzekeren dat american trash nog erger is dan “eurotrash” waarmee de conservatieve Amerikaan al eens het doorgedreven cerebrale “Regietheater” van vaak Duitse regisseurs benoemt. Het plein in Sevilla uit Bizets opera is dus een soort plein onder een Highway-wegwijzer met verkeerslicht waar de soldaten de wacht houden tussen volk van allerlei slag. Er is een zonnebaadster in bikini (rare plek!), demente oudjes, allerlei volk. Inderdaad, “chacun passe” maar de meest bizarre exemplaren blijkbaar eerst. Meteen krijgen we hier ook de aanwijzing dat de soldaten stuk voor stuk uiterst seksueel gefrustreerd zijn, want elke aanleiding is goed genoeg om hen naar het kruis te doen grijpen of schunnige gebaren naar de vrouwen te laten maken. Kinderachtig stoer gedoe is een gedrag dat de hele voorstelling overheerst. Je kan het zien als een vorm van verisme maar ik vind het een beetje mager voor een opera met de intensiteit van Carmen. Het ijzeren rolluik waarachter de sigarettenfabriek zit is zowat het meest geslaagde decorbeeld van de voorstelling en het driftige spel van Carmen in het bassin met water in het eerste bedrijf de beste vondst om haar te typeren als een vrouw gedreven door passie en vrijheidsdrang. Te weinig om ons doorheen het stuk mee te slepen tot haar dood op het einde. Michaëla is een onscherpe figuur, met één geslaagd moment: als ze zich in het derde bedrijf kleedt in het witte kleed van Carmen, wat haar accentueert als haar rivale.

In het eerste bedrijf geeft brutaal smijten met hondenkooien er al een aanwijzing van dat het wrede spel met dieren, wat zich in de arena afspeelt, hier niet met stieren gebeurt maar wel met honden. Escamillo is dus geen toreador, maar een trainer van “killerhonden”. Hij doet zijn intrede met een hoodie-sweater – we zijn in Ohio, niet in het trotse Sevilla, Spanje – en krijgt ketchup op zijn witte T-shirt gesmeerd. Allicht om duidelijk te maken dat die beesten ook bloed willen? Het levende exemplaar dat hem op de scène vergezelt, heeft wel een muilband aan maar ik heb de indruk dat er gelukkig wel “humaan” mee wordt omgegaan. Het is in elk geval weer een hemelsbrede sprong die je als Carmen-toeschouwer moet maken en als de hele transpositie op een boeiende en minder puberale manier zou gebeuren, zou ze misschien nog effect kunnen hebben. Nu vraag je je alleen maar af, of de regisseur de draak wil steken met het origineel of dat hij gewoon wil opvallen door anders te doen.

Een kinderkoor past niet in de gegeven situatie, dus is het gecoupeerd en dat is ook het geval met enkele fragmenten met de smokkelaars. De spanning verhoogt er niet mee. Cruciale momenten (de bloem die Carmen werpt, het kaartspel dat steeds uitkomt op de dood, de scènes met Michaëla) komen niet uit de verf en zo rest er enkel de brutaliteit van enkele scènes die de toeschouwer naar adem doet happen, nooit de spanning tussen de protagonisten.

Gelukkig wordt het geheel gespeeld door goede acteurs, die zich wonderwel aanpassen aan wat van hen verlangd wordt. Viktoria Vizin ontpopt zich als een rasechte Carmen, met veel volume maar wat te veel borstklanken. Roberto Saccà zingt Don José met overtuiging maar ziet er met zijn kleine gestalte en korte broek wat als een mislukte scout uit, Aris Argiris zingt en speelt als een macho-Escamillo. Jaco Huijpen zingt met krachtige stem de brutale Zuniga die hij in deze regie moet zijn.

Ook Dmitri Jurowski verdient met zijn orkest van de Vlaamse Opera veel lof voor de prestatie die hij bij zo’n onmogelijke enscenering muzikaal biedt.