Het eerste symfonisch concert van het seizoen van de Vlaamse Opera was exemplarisch voor het thema dat de programmatie meekreeg: Geloof. De vier werken hadden telkens een andere religieuze overtuiging als inspiratiebron: Boeddhisme, seculiere Islam, Jodendom en Christendom.

Het eerste symfonisch concert van het seizoen van de Vlaamse Opera was uiteraard exemplarisch voor het thema dat de programmatie meekreeg: Geloof. De vier werken hadden telkens een andere religieuze overtuiging als inspiratiebron. Een van de pluspunten van het concert lag in deze thematiek, die de kans gaf composities te horen die niet tot de traditionele westerse klassieke muziek behoren.

 

Het concert zette in met “Bara”, een kort werk van Isang Yun (1917-1995). De componist, afkomstig uit Zuid-Korea, werd een politiek slachtoffer van zijn streven naar vrijheid. Na de tweede wereldoorlog kon hij het grootste deel van zijn leven in Duitsland doorbrengen en hij werd Duits staatsburger. Hij nam deel aan de cursussen avant-garde muziek van Darmstadt. Ondanks de kern van een Boeddhistische dans kunnen we in Bara de stijl van de Westerse hedendaagse componisten terugvinden. Zijn gebruik van slagwerk is ritmisch boeiend en de langgerekte houtblazersklanken geven een bezinnend karakter aan de muziek. Het was een korte maar geslaagde opmaat voor het concert dat duidelijk uiterste concentratie van het orkest vergde.

 

Het volgende fragment kwam uit een oratorium van Ahmed Adnan Saygun (1907-1991). We hoorden een fascinerende aria met sereniteit vertolkt door de mezzo Marija Jokovic, een werk dat ons helemaal in de sfeer bracht van de thematiek van het geloof.

 

Ernest Bloch (1880-1959) vertegenwoordigde de Joodse muziek met zijn prachtige concerto voor cello en orkest, Schelomo. Hiermee kwamen we bij meer vertrouwd repertoire terecht. Nu het verrassend karakter van de muziek zelf miniemer was, kwam het er voor de uitvoerders op aan te overtuigen door de vertolking. Ze slaagden daar glansrijk in en de soliste, voor de gelegenheid uit het eigen orkest geplukt, gaf een beheerste en overtuigende versie.

 

Het tweede deel van het concert was volledig gewijd aan de Messa di Gloria van Puccini (1858-1924), een ambitieus jeugdwerk van de componist die vanuit zijn familie vertrouwd was met kerkmuziek. De vijfdelige mis voor groot orkest, vierstemmig koor en twee mannelijke solisten werd gepresenteerd in Lucca in 1880. Net als in Verdi’s Requiem zijn dramatische accenten nooit ver weg, vooral niet in de solopartijen.

 

Hier kunnen we vooral het koor van de Vlaamse Opera in de bloemen zetten. Het orkest dat in de werken voor de pauze met veel sfeer en volgens mij met de juiste toon speelde, leek hier nog steeds even gemotiveerd, maar miste vaak de verfijnde dynamiek die van dit werk meer kan maken dan een vooroefening voor een operadrama. Ik vrees dat Dmitri Jurowski hier te weinig nuance en strakheid van zijn orkest gevraagd heeft om een gelijkaardige ingetogenheid en verstilde ernst te produceren als in de voorgaande werken.

 

Bariton Pierre Doyen was een goede doorsneevertolker, de tenor daarentegen was een absolute ramp. De Vlaamse Opera had de tegenslag dat de voorziene tenor ziek was en had als vervanger Mario Malagnini ingezet. Hij was een typische brul-tenor, die misschien wel een goede beurt kan maken in de Arena van Verona (waar hij volgens zijn cv vaak zingt) maar jammer genoeg deze Puccini Messa alleen maar verknoeide. Een jammere wanklank op een concert dat we echt wel hebben geapprecieerd en dat oprecht het gevoel gaf dat de tekst die Jurowksi in het programma liet afdrukken geen loze woorden zijn: “Geloof betekent daarom voor mij een directe band met het artistieke”.

 

Ik wens Jurowski toe dat hij zijn geloof in de kunst nog vaak mag waarmaken in de Vlaamse Opera, zoals we het hier mochten ervaren.