Een feestboek voor de 200-jarige Opéra Royal de Wallonie-Liège

De Opéra Royal de Wallonie-Liège had het seizoen 2020-2021 voorzien als een feestjaar om de 200ste verjaardag van zijn bestaan te vieren. De rampzalige corona-pandemie betekende een forse streep door de rekening. In zijn voorwoord verwijst artistiek en algemeen directeur Stefano Mazzonis di Pralafera er dan ook naar als een van de “situations délicates” die ons “op afstand van onze passie houdt”.

De verzorgde en fraai geïllustreerde monografie bestaat uit twee grote delen. Een eerste historisch deel 200 Ans d’histoire(s) is opgedeeld in tijdsblokken en werd geschreven door historicus Frédéric Marchesani. Het tweede deel L’Opéra aujourd’hui et demain is van de hand van Serge Martin, muziekjournalist bij Le Soir.
De eerste periode loopt van 1820 tot 1854. De opera is ingehuldigd als Théâtre Royal op 4 november 1820 en wordt in 1967 Opéra Royal de Wallonie. Architect Auguste Dukers inspireerde zich op het Théâtre de l’Odéon in Parijs met een klassieke zaal in hoefijzervorm. Als opening wordt Zémire et Azor gespeeld van de Luikse componist André-Modeste Grétry, van wie het standbeeld het plein voor de opera siert. Het is een chaotische periode die leidt tot de overname van het theater door de stad Luik in 1854. De voorstellingen zijn vaak een compilatie van werken en duren zeer lang. Het publiek geeft uiting aan zijn goed-of afkeuring door gefluit of applaus. Naast opera wordt ook theater en vaudeville gespeeld. Het programma is dus zeer gevuld: Begonnen op 2 augustus 1834 en verlengd tot 30 april 1835, bereikte het theater het ongekende aantal van honderddrieënzestig voorstellingen, waaronder negen grote opera’s, drieënveertig komische opera’s en drieënvijftig komedies of drama’s, zonder een paar andere vaudevilles te vergeten.

Sarah Bernhardt

In de periode 1854-1914 heeft het theater geen adequate leiding. Niemand wil de directie op zich nemen. In 1860-61 wordt het theater vernieuwd en krijgt de zaal de huidige afmetingen en een elliptische vorm. De keuze van artiesten die door het publiek moeten goedgekeurd worden is zeer willekeurig. Een hoogtepunt vormt het optreden van de beroemde actrice Sarah Bernhardt. Zij wordt tussen 1880 en 1899 diverse keren toegejuicht in onder andere de comédie Froufrou van Henri Meilhac maar ook in het toneelstuk Tosca van Victorien Sardou. Een ander hoogtepunt is in 1894 de honderdste voorstelling van Hamlet van Ambroise Thomas, die wordt bijgewoond door de bijna tachtigjarige componist. Het begin van de twintigste eeuw brengt het theater een iets beter gesternte met succesvolle voorstellingen van werken van Offenbach, Lecoq, Audran en Planquette. Directeur Guillaume Duchesne krijgt de teugels terug in handen. Hij kan profiteren van de Wereldtentoonstelling van 1905 en organiseert enkele prestigieuze seizoenen met vooral opera. Een van zijn nieuwigheden is dat het theater ook repertoire presenteert in de originele Italiaanse taal. In 1905 gaat Tosca van Puccini in première, een opera die met overdonderend succes tot 1970 jaarlijks wordt opgevoerd – de oorlogsjaren uitgezonderd.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog is het theater gesloten en wordt het gebouw als stallingen en slaapzalen opgeëist door de bezetter. Na een moeizame herstart na de oorlog, kent het theater een drukke tijd met veel gala’s en prestigieuze concerten. Ook de passage van de fameuze Ballets Russes van Sergeï Diaghilev in 1928 is een hoogtepunt. Na een sluiting als gevolg van de beurskrach van Wall Street in 1929, wordt een faillissement nipt vermeden. Pietro Mascagni dirigeert in 1930 zijn opera Cavalleria Rusticana, een overdonderend succes. In 1934 is er een massale opkomst voor Louis Armstrong. Tussen de twee wereldoorlogen doet ook de operette zijn intrede in het repertoire. In 1939 net voor de tweede wereldoorlog dirigeert Herbert von Karajan (1909-1989), op dat ogenblik een jonge belofte, Wagners Die Walküre. In tegenstelling tot de Eerste Wereldoorlog, sluit het theater niet tijdens de bezetting van 1940-45. Het wordt druk bezocht onder meer omdat: la salle du Royal est chauffée et bien chauffée. De ontbering doet de mensen een warme plek opzoeken! De zaal zit dan ook afgeladen vol voor een concert met Django Reinhardt en zijn kwintet in april 1942 en voor Charles Trenet in juli 1942.

Financiële problemen

Een volgende periode bestrijkt de jaren 1945-1967. De naoorlogse periode moet afrekenen met aanzienlijke financiële en organisatorische problemen. Directeur André d’Arkor, benoemd in 1945 slaagt beetje bij beetje in een regelrechte metamorfose van het theater op twintig jaar tijd. André d’Arkor werkt op twee fronten, het repertoire uitbreiden en vernieuwen en de financiële middelen vergroten. In 1959 en 1960 worden ook ingrijpende technologische vernieuwingen doorgevoerd. De jaren zestig worden vertroebeld door sociale onlusten tijdens de regering Eyskens. Manifestaties in de “vurige stede” (la Cité ardente – zoals Luik wel vaker benoemd wordt in de monografie) leiden tot een opschorting van voorstellingen voor enkele maanden en daarna moet de opera met een zeer krap budget verder, wat uiteraard impact heeft op de kwaliteit. In 1964 is er ook een hergroepering van theaters zodat er ook voorstellingen gegeven worden in andere steden van Wallonië. Bij de start van het seizoen 1965-66 wordt André d’Arkor na negentien jaar dienst bij het theater vervangen door het duo Marcel Désiron en Raymond Rossius.
De periode 1967-2007 begint met de directie Raymond Rossius die de opera het statuut geeft van VZW Opéra de Wallonie. Rossius heeft 26 jaar lang het bestuur over het theater en legt een positieve balans voor: meer internationale partners, hoger budget, hogere kwaliteit van de voorstellingen. De financiële situatie wordt gesaneerd en is in evenwicht. Het theater heeft een eigen orkest met 84 vaste muzikanten die uitsluitend voor het theater werken en een ensemble van zangers. Het theater maakt succesvolle buitenlandse tournees. Vanaf het seizoen 1992-93 neemt de 61-jarige Paul Danblon de directie over. Hij blijft vier jaar en slaagt erin een vernieuwende wind te laten waaien in de ensceneringen. Zijn opvolger is de 36-jarige Jean-Louis Grinda die directeur is van de opera van Reims. Om financiële redenen is hij genoodzaakt het balletensemble te schrappen. Een meesterzet is daarentegen het optreden van José Van Dam in L’homme de la Mancha, naast Alexise Yerna in 1998. Een andere uitdaging neemt Grinda op zich met een productie van de volledige Ring des Nibelungen in oktober 2005, wat in la Cité ardente niet meer gebeurd was sinds 1930.
Het laatste deel noemt auteur Marchesani La Route vers le bicentenaire, de periode die dus nu nog loopt. Die start in 2007 met de vervanging van Jean-Louis Grinda door Stefano Mazzonis di Pralafera. Behalve het programma beheren van de opera, is hij ook de “ondernemer” van de grote renovatie van het theater tussen 2009 en 2012 waarmee hij de Opéra Royal de Wallonie definitief een nieuw tijdperk instuurt.

Vernieuwing

Als Italiaan in hart-en-nieren en afkomstig van het Teatro Comunale di Bologna geeft hij zichzelf vier grote opdrachten voor het theater. Internationale namen aantrekken en mengen met goed talent uit België, het theater toegankelijk(er) maken voor jongeren, een dynamische communicatie die ook gebruik maakt van sociale media en streaming op het internet en last but not least een programmatie die ruimte biedt voor onbekend of vergeten werk. Zo zet hij werken in het repertoire die in Luik nog nooit vertoond geweest zijn, zoals Guillaume Tell van André-Modeste Grétry, Jérusalem en de Franse versie van Don Carlos van Giuseppe Verdi, La Gazetta van Gioacchino Rossini of Le Domino Noir van Daniel-François-Esprit Auber. De inauguratie van het vernieuwde theater heeft plaats op 19 september 2012 in aanwezigheid van de toenmalige hertogen van Brabant, Philippe en Mathilde. De originaliteit van Stefano Mazzonis di Pralafera’s programmatie blijkt uit het gespeelde stuk: Stradella, een jeugdwerk van de Luikse componist César Franck, aangepast voor orkest door Luc Van Hove. Dirigent is Paolo Arrivabene en regisseur Jaco van Dormael, ook bekend als filmregisseur. De bezetting is volledig Belgisch, met o.a. Marc Laho, Isabelle Kabatu en Werner Van Mechelen. Vanaf dan tot nu kunnen we het parcours van het theater ongetwijfeld een succes noemen. De auteur besluit dit historische hoofdstuk dan ook met de vaststelling dat het theater in het hart van Luik na twee eeuwen zijn derde eeuw onder een stralende hemel kan ingaan.
Dit historische overzicht is beslist een huzarenstukje van Frédéric Marchesani, die een uitstekende synthese geeft. Maar tegelijk wordt de doorlopende tekst opgesmukt met “kaderverhalen”, artistiek of anekdotisch. Zoals het bezoek van Leopold I die de opening van het seizoen 1831 bijwoont, de dodelijke val van een amateur-acteur in de orkestbak, waarvan het publiek meent dat het een bedoeld scène-effect is, terwijl de man ter plaatse sterft. Het optreden van Maria Malibran in augustus 1836, een concert in februari 1841 met Franz Liszt aan het begin van zijn carrière. Of het publiek dat zo’n danig tumult maakt uit ongenoegen met een slechte opvoering van Rossini’s Guillaume Tell, dat de politie de zaal moet ontruimen. En het bezoek van Giacomo Meyerbeer en Felix Mendelssohn die de bijzetting bijwonen van het hart van Grétry in de sokkel van het standbeeld voor het theater.

Kwaliteit

De twee delen van het boek worden verbonden met een hoofdstuk La Route vers le Bicentenaire. Het geeft een overzichtelijke situatieschets bij de komst van Stefano Mazzonis di Pralafera. De doelstellingen van de nieuwe directeur worden op een rij gezet, de renovatie beschreven en de muziekdirecteurs vanaf 1958 voorgesteld. Dan zijn we toe aan het deel L’Opéra aujourd’hui et demain van Serge Martin. Het theater voldoet ondertussen aan de moderne technologische vereisten en wil het publiek dat voor een deel ook uit Nederland en Duitsland komt kwaliteit bieden met de grote namen van de lyrische kunst, zowel internationaal als Belgisch. Namen die op de affiche komen zijn bij voorbeeld Ruggero Raimondi, Juan Diego Florez, Patricia Ciofi, Leo Nucci, Olga Peretyatko, Ildebrando d’Arcangelo. En bij de Belgische zangers Jodie Devos en Lionel Lhote. Grote vedetten die moeilijk te strikken zijn voor een operaproductie treden op met een concertprogramma, zoals Elena Garanča, Angela Gheorghiu of Bejun Mehta. Stefano Mazzonis di Pralafera wil het te weinig bekende repertoire vooral van de 18de eeuw ontsluiten, jongeren bereiken en scenisch een helder verhaal brengen, vaak weg van het vergezochte moderne regietheater. Bij het begin van zijn dertiende seizoen stelt Serge Martin, dat hij die doelstellingen grotendeels heeft bereikt. Bovendien combineert hij zijn taak als algemeen en artistiek directeur met die van regisseur van een groot aantal vooral Italiaanse opera’s. Hij presenteerde al uitstekende producties van rariteiten als Le domino noir van Daniel-François-Esprit Auber, Il Campanello di Notte van Donizetti, La Vera Costanza van Haydn, La Gazetta van Rossini. Van Manon zette hij het drietal naast elkaar: van Massenet, Puccini en Auber. Hij vernieuwt het orkest zodat het een beter niveau dan ooit bereikt. Een meesterzet is ongetwijfeld de keuze van de nieuwe chef-dirigent Speranza Scapucci, die bij Riccardo Muti het vak geleerd heeft en meteen hoge verwachtingen heeft ingelost. Ze zet haar carrière in met Manon Lescaut en dank zij haar technische vaardigheid en zichtbaar engagement wordt ze meteen in het hart van muzikanten en publiek gesloten. Stefano Mazzonis di Pralafera omringt haar met talentrijke dirigenten die naargelang het repertoire gekozen worden, zoals Christophe Rousset of Massimo Zanetti. In 2017 wordt voor het eerst een Concours International de Chefs d’Orchestre georganiseerd. Ook voor belichting, decorbouw en kostuums worden uiterst bekwame vakmensen aangesteld. Het totaal telt voor Stefano Mazzonis di Pralafera en niets mag hoge kwaliteit in de weg staan.

Toekomst

Het boek besluit met een reflectie over de rol van Théâtre Royal in het operagenre van de 21ste eeuw. Dit is geschreven in de vorm van een gesprek tussen auteur Serge Martin en de directeur: Que sera l’opéra de demain? Ze bespreken daarin sociologische aspecten, de plaats van het theater in de Luikse stad, financiële en technische problemen, hedendaagse productie en de onderwerpen voor operalibretti. Het levert een interessante en eerlijke discussie op als slotsom van een boek dat een hele weg met de lezer heeft afgelegd naar de huidige tijd van een in de geschiedenis verankerd theater.
Een mooi geïllustreerd boek met interessante informatie over dit operatheater dat twee boeiende eeuwen doorstaan heeft en op de drempel van een dynamische toekomst staat.


WAT: 200 Ans et après, Opéra Royal de Wallonie-Liège
WIE: Frédéric Marchesani, Serge Martin (auteurs)
UITGAVE: Opéra Royal de Wallonie-Liège, ISBN 978-2-9602682-0-1
Franse en Engelse uitgave, 15 Euro

 

 

Krijg elke donderdag een overzicht in je mailbox van alle artikelen die geplaatst zijn op Klassiek Centraal. Schrijf je snel in: